← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:6451

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.10535 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de minister van Justitie en Veiligheid, waaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben). Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.10536, plaatsgevonden op 27 mei

  1. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Iraakse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 juni 2015 in Oostenrijk, op 6 september 2016 in Italië, op 9 maart 2018 in Frankrijk en op 23 januari 2019 in Nederland gevraagd om internationale bescherming.
  3. Verweerder heeft Oostenrijk op 7 februari 2019 gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Oostenrijk heeft daarop aan verweerder meegedeeld dat de eerste asielaanvraag van eiser op 13 juni 2015 is afgewezen en dat eiser de uitspraak over de tweede asielaanvraag niet heeft afgewacht maar asiel in Italië heeft gevraagd op 6 september
  4. Omdat Italië Oostenrijk niet heeft gevraagd eiser terug te nemen is Italië volgens Oostenrijk verantwoordelijk voor behandeling van de aanvraag op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening.
  5. Verweerder heeft Italië vervolgens op 17 februari 2019 gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Daarop heeft Italië niet (tijdig) gereageerd, zodat per 14 maart 2019 een fictief claimakkoord tot stand is gekomen.
  6. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor behandeling daarvan.
  7. Eiser heeft aangevoerd dat niet Italië maar Oostenrijk verantwoordelijk is voor behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser heeft in Italië geen asiel willen vragen maar is daar gedwongen vingerafdrukken te geven. Eiser stelt daarnaast dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Terugkeer naar Italië is daarom in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank oordeelt als volgt.
  8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er van moet worden uitgegaan dat eiser een asielaanvraag in Italië heeft ingediend, gezien de uniciteit van de controle en registratie in Eurodac. Deze registratie vindt plaats op grond van artikel 9 van de Verordening EU 603/2013 (Eurodacverordening). Uit vorengenoemde registratie is onomstotelijk vast komen te staan dat betrokkene in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De rechtbank acht dat standpunt juist. De enkele stelling van eiser dat hij in Italië nooit asiel heeft aangevraagd is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de informatie in het Eurodac-systeem te twijfelen. Gelet op het fictief claimakkoord is Italië dan ook verantwoordelijk voor behandeling van eisers asielaanvraag.
  9. De enkele stelling dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, kan eiser niet baten. De rechtbank verwijst daartoe naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1526).
  10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verdrag tot bescherming van de rechten voor de mens en de fundamentele vrijheden

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.