← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:6511

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.9280 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1], eiseres alsmede haar minderjarige kind [naam 2] (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen

  1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en burger van Moldavië te zijn. Zij heeft mede namens haar minderjarige dochter op 3 maart 2019 een asielaanvraag ingediend.
  2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  3. Eiseres heeft op 30 november 2018 in Duitsland een verzoek gedaan om internationale bescherming. Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland op grond van de Dublinverordening gevraagd eiseres terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben op 27 maart 2019 met dit verzoek ingestemd.
  4. Eiseres heeft daartegen het volgende aangevoerd: - Wat eiseres heeft verklaard tijdens het aanmeldgehoor, is door verweerder niet kenbaar en deugdelijk gemotiveerd meegewogen in de belangenafweging. - Eiseres krijgt in Duitsland geen toegang tot medische hulp en kan daar niet voorzien in primaire levensbehoeften. Ze bevond zich in een te zwakke positie om zich tot de hogere autoriteiten te wenden. - De door verweerder gestelde verklaring van het IOM (Internationale Organisatie voor Migratie) van 12 april 2019 zit niet in het dossier. Verweerder had, ook omdat eiseres een minderjarig kind heeft, haar moeten outilleren middels het IOM terug te keren naar het land van herkomst. De rechtbank oordeelt als volgt.
  5. Niet langer in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor behandeling van de asielaanvraag. Met het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd dat het verzoek van eiseres om internationale bescherming met inachtneming van de richtlijnen in behandeling zal worden genomen. Verweerder mag in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit in haar geval anders is. Indien Duitsland zich onverhoopt niet zou houden aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, staat voor eiseres de mogelijkheid open om daarover bij de Duitse autoriteiten te klagen. De enkele stelling van eiseres dat zij niet in staat zou zijn om te klagen, is onvoldoende om van dat uitgangspunt af te wijken.
  6. Voor wat betreft de vraag of verweerder eiseres had moeten outilleren vrijwillig naar Moldavië terug te keren, overweegt de rechtbank dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor een eventueel vrijwillig vertrek naar het land van herkomst, al dan niet met hulp van de IOM. Zij kan dit tot aan de daadwerkelijke overdracht aan Duitsland vanuit Nederland regelen, dan wel na overdracht vanuit Duitsland.
  7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013 Te weten Ri 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn), Ri 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) en Ri 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.