RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 18/3749 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2019 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. A.C. Soetens), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de door [referent] (referent) ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in het kader van de procedure Toegang en Verblijf voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ ten behoeve van eiseres afgewezen. Bij besluit van 21 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit op aanvraag ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullende reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni
- Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Overwegingen
- Eiseres is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Referent is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Referent heeft op 3 april 2017 namens eiseres de bovenvermelde aanvraag ingediend.
- Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Referent stelt inkomsten te ontvangen als zorgverlener voor zijn ouders. Hij heeft echter niet aangetoond hiermee zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Referent heeft weliswaar diverse gegevens aangeleverd, maar deze gegevens zijn onvoldoende om dit te kunnen beoordelen. Uit de gegevens blijkt wel dat de ouders van referent een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangen, maar niet welke vorm van overeenkomst, dan wel welke afspraken er zijn tussen referent en de budgethouders zijn gemaakt. 2.
- In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe gesteld hij voldoende duidelijk heeft gemaakt welke stukken nodig zijn ter beoordeling van de aanvraag en dat voldoende tijd is geboden deze aan te leveren. Eiseres heeft de benodigde stukken echter niet ingediend.
- Namens eiseres is in beroep aangevoerd dat in de bezwaarfase voldoende bescheiden zijn overgelegd en dat hieruit blijkt welke inkomsten referent heeft. Hiermee is aangetoond dat referent zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ter onderbouwing van dit laatste heeft eiseres in beroep nog de jaaropgaves over 2016 en 2017 van de ouders van referent overgelegd, alsmede stukken waaruit blijkt dat aan de ouders een PGB is toegekend tot september
- Eiseres heeft tevens betoogd dat ten onrechte geen gehoor heeft plaatsgevonden. 3.
- Ter zitting is namens eiseres nog naar voren gebracht dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij duidelijker aan referent had moeten uitleggen welke stukken nodig waren. Daarnaast is een beroep gedaan op het arrest Chakroun (C-578/08) van 4 maart 2010 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Beoordeling
- De rechtbank stelt allereerst vast dat zij in de onderhavige zaak een ex tunc toetsing dient uit te voeren. Met andere woorden: zij dient te beoordelen of verweerder zich ten tijde van het bestreden besluit (dus op 21 april 2018) terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aangeleverde stukken onvoldoende waren om de aanvraag in te willigen.
- De rechtbank overweegt in dat verband dat een mvv op grond van artikel 2q, van de Vw 2000 kan worden geweigerd indien ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 2p, van de Vw
- Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 is dit niet aangetoond, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.
- De vraag wat onder zelfstandig, duurzaam en voldoende middelen van bestaan wordt begrepen is geregeld in artikel 3.73 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
- Om te kunnen beoordelen of aan het vereiste van zelfstandige, duurzame en voldoende middelen van bestaan is voldaan, moet verweerder uiterlijk op de datum van het bestreden besluit de beschikking hebben over gegevens waaruit dit (al dan niet) kan worden afgeleid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres deze stukken niet heeft aangeleverd. Zij overweegt hiertoe als volgt. 6.
- Referent stelt dat zijn inkomen wordt gevormd door de vergoeding die hij ontvangt voor de zorg die hij verleend aan zijn beide ouders. Uit de stukken die hij heeft ingediend bij verweerder blijkt echter niet hoe hoog deze vergoeding is. Tevens blijkt hier niet uit of de vergoeding duurzaam is. De overgelegde loonstroken staan immers op naam van de ouders van de referent en zien op een uitkering op basis van de zorgverzekeringswet. Hiermee is dus niet aangetoond dat dit inkomsten zijn van referent. Uit de stukken blijkt verder dat het PGB dat aan de ouders is verstrekt niet geheel voor zorgtaken is toegekend, maar ook voor verpleging. Nu referent alleen de (ver)zorgende taken uitvoert, zijn de toegekende uren dusdanig laag dat hij hiermee nooit voldoende duurzame en zelfstandige inkomsten kan genererend. 6.
- De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig is geweest in zijn informatievoorziening naar referent. Referent is bij brief van 8 augustus 2017 specifiek verzocht om de overeenkomsten van opdracht voor de dienstverbanden met zijn ouders, zijn loonstroken over de afgelopen 1,5 jaar, de aangifte inkomstenbelasting 2015 en 2016, de machtigingsformulieren SVB voor afdragen inhoudingen, de aanmeldingsformulieren van de salarisadministratie bij de SVB en een nieuw volledige kopie van het paspoort van eiseres. Desgevraagd is referent hiervoor op 13 december 2017 vervolgens uitstel verleend tot 21 december
- Niet valt in te zien waarom dit onvoldoende zorgvuldig zou zijn. 6.
- Ten aanzien van het beroep op het arrest Chakroun merkt de rechtbank op dat uit dit arrest volgt dat verweerder bij de vraag of sprake is van voldoende middelen van bestaan rekening moet houden met de individuele omstandigheden van de referent. Kort gezegd komt dit erop neer dat, indien iemand aantoont dat hij, ook al heeft hij een lager inkomen dan vereist, geen beroep op de openbare kas zal hoeven doen, hiermee rekening moet worden gehouden. In het onderhavige geval heeft referent echter in het geheel niet aangetoond welke middelen van bestaan hij heeft. Dit betekent dat verweerder in dit geval niet hoeft te kijken naar de persoonlijke omstandigheden van referent.
- Ten aanzien van de hoorplicht overweegt de rechtbank tot slot dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 10 maart 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH6992), verweerder van de hoorplicht mag afzien, indien naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is, dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het eerste besluit. Nu hetgeen door eiser in bezwaar is aangevoerd niet kon afdoen aan het standpunt van verweerder, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordeed. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het horen in bezwaar.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli
- griffier rechter De griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: 4 juli 2019 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.