vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/546687 / HA ZA 18-92 Vonnis van 23 januari 2019 in de zaak van 1wijlen [eisende partij A] ,
(1977), de uitbreiding van de woning (februari 1985) en de eerste schademelding (6 december 2010) een periode van 33 respectievelijk 25 jaar zonder schade is geweest, maken het aannemelijk dat niet alleen een vorstperiode de oorzaak kan zijn van de opgetreden schade. In de tussenperiode zijn meerdere vorstperiodes geweest. Op basis van de redenering onder 1 is het dan ook niet aannemelijk dat er altijd sprake geweest zou zijn van hoge grondwaterstanden. In dat geval zou al in een eerdere vorstperiode schade zijn ontstaan. Dit kan echter niet met meetgegevens worden onderbouwd, daar er geen historische meetgegevens beschikbaar zijn. De gemeten hoge grondwaterstijghoogten in de zanderige tussenlaag veroorzaken, onder andere, een permanente kwelstroom naar het zanderige pakket aan maaiveld. Dit resulteert in hoge grondwaterstanden in de ondiepe bodemlaag. Deze situatie is vanaf 2010 gesignaleerd door de bewoners. Verder volgt uit het expertiserapport dat deze situatie zich op naburige locaties niet voordoet. De meest aannemelijke oorzaak van het ontstaan van de schade aan de vloer lijkt vooralsnog het opdrukken van de vorstrand door indringing van vorst in de bodem, mede veroorzaakt door de hoge grondwaterstand ter plaatse van de woning. (…) 3.3.3 Andere punten (…) Ten slotte wordt opgemerkt dat de woning is gebouwd op een staalfundering, waarbij onder de woning slappe lagen in de bodem voorkomen. Polders met slappe lagen in de ondergrond worden gekenmerkt door een autonome zetting, waardoor maaiveld en woning geleidelijk lager komen te liggen. Afhankelijk van de aanpassing in het polderpeil kan deze ‘natuurlijke’ zakking ook een geleidelijke bijdrage hebben geleverd aan het optreden van een afnemende drooglegging onder de woning. Welke maaivelddaling is opgetreden dient eventueel nader te worden onderzocht.” 3Het geschil 3.1. [A c.s.] vordert – samengevat – verklaringen voor recht dat de Gemeente jegens [A c.s.] onrechtmatig handelt en dat zij jegens [A c.s.] aansprakelijk is voor de door dit onrechtmatig handelen veroorzaakte schade aan de woning en het woongenot van [A c.s.] vordert daarnaast veroordeling van de Gemeente tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten. Verder vordert [A c.s.] dat het vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 3.2. [A c.s.] stelt daartoe – kort gezegd – dat het door de Gemeente plaatsen van een damwand in de waterkering van de Weerlanervaart in strijd met de keurvergunning is gebeurd. Verder stelt [A c.s.] dat de damwand ondeugdelijk is, dat de Gemeente ten onrechte geen toezicht heeft gehouden op bouwwerkzaamheden in de Vosse- en Weerlanerpolder en dat de Gemeente cruciale informatie heeft achtergehouden voor zowel [A c.s.] als voor de deskundigen die door de jaren heen de schade aan de woning hebben onderzocht. 3.3. De Gemeente voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Onrechtmatigheid en relativiteit 4.1. De eerste vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de Gemeente een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden die strekt tot bescherming van de belangen van [A c.s.] De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en ziet hiervoor twee grondslagen: schending van de keurvergunning en plaatsing van een ondeugdelijke damwand. Schending keur 22 mei 2006 en herziene keur 29 november 2011 4.2. De voorschriften in de keurvergunningen zijn gericht op handhaving van de veiligheid en stabiliteit van de waterkering. Deze voorschriften strekken tot de bescherming van onder meer diegenen die bij de veiligheid en stabiliteit van de waterkering een direct belang hebben, zoals burgers die nabij de waterkering wonen. De voorschriften strekten dus mede tot de bescherming van [A c.s.] , zodat overtreding van die voorschriften jegens [A c.s.] onrechtmatig is. 4.3. In haar brief aan de Gemeente van 12 juni 2009 stelt het Hoogheemraadschap vast dat de Gemeente de voorschriften van de keurvergunning van 22 mei 2006 had overtreden, nu de aanleg van de damwand de stabiliteit van de waterkering had aangetast. 4.4. De Gemeente betoogt dat het Hoogheemraadschap dit ten onrechte vaststelde en verwijst daarvoor naar rapporten van BK en Tauw. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij, nu Tauw en de Gemeente zelf nadien herhaaldelijk in stukken hebben benoemd dat de waterkering door de (verplaatsing van
- de)damwand vlak na plaatsing instabiel was geworden (zie ook rechtsoverwegingen 4.14-4.17 hierna). 4.5. De Gemeente stelt verder dat een eventuele schending van de keur van 22 mei 2006 is geheeld doordat de op de damwand ziende voorschriften bij keur van 29 november 2011 (deels) zijn herzien. Ook aan dit betoog gaat de rechtbank voorbij, reeds omdat de Gemeente pas in september 2017 is begonnen met de aanleg van het in de herziene keur vereiste drainage-systeem. In elk geval tot dat moment was dus niet voldaan aan de voorschriften van de herziene keurvergunning, hetgeen jegens [A c.s.] onrechtmatig is. Damwand ondeugdelijk 4.6. Een tweede grond voor onrechtmatigheid is de schending van de norm dat een overheidslichaam als de Gemeente, in verband met ingrijpende werkzaamheden als de onderhavige, welke voor derden als [A c.s.] het gevaar meebrengen van schade aan zaken die aan hen toebehoren, verplicht is voldoende maatregelen te treffen om zulke schade te voorkomen. 4.7. Tauw constateert in haar notitie van 22 april 2011 dat de oorspronkelijk door BK voor de damwand gemaakte berekeningen onjuist waren, omdat BK bij haar berekeningen was uitgegaan van een te lage veiligheidsklasse (I in plaats van II). Die lagere risico-inschaling was het gevolg van het feit dat BK ten onrechte niet had meegenomen dat de damwand zich in de waterkeringszone bevindt. Een herberekening met de juiste veiligheidsklasse leidt volgens Tauw tot de conclusie dat de damwand niet aan de veiligheidseisen voldeed. Dit betekent dat de damwand, door een fout van een (onder)opdrachtnemer van de Gemeente, vanaf het moment van plaatsing niet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen heeft voldaan. Deze fout wordt op grond van artikel 6:171 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toegerekend aan de Gemeente. 4.8. Het plaatsen van een ondeugdelijke damwand in de waterkering is niet alleen in strijd met de eisen van de keurvergunning, maar ook los daarvan maatschappelijk onzorgvuldig jegens burgers die bij de veiligheid en stabiliteit van die waterkering een direct belang hebben. De overheid moet schade van burgers ontstaan door wateroverlast immers zoveel mogelijk trachten te voorkomen. Dit betekent dat de Gemeente, in elk geval zodra duidelijk was dat de damwand niet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldeed, in redelijkheid maatregelen had moeten treffen om schade aan omwonenden te voorkomen. De Gemeente heeft de door het Hoogheemraadschap al in juni 2009 als problematisch benoemde situatie echter tot september 2017 ongewijzigd laten voortbestaan. 4.9. Het voorgaande betekent dat de Gemeente jegens [A c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld door de damwand te (doen) plaatsen en – ook nadat zij van de rekenfout, de verplaatsing van de damwand en de instabiliteit van de waterkering op de hoogte was geraakt – ongewijzigd ter plaatse te laten. Causaal verband 4.10. De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of deze onrechtmatige daad heeft geleid tot de schade van [A c.s.] De rechtbank is van oordeel dat dit causaal verband voorshands, behoudens tegenbewijs, is komen vast te staan, en wel op grond van het volgende. 4.11. In deze zaak is niet in geschil dat ter plaatse van de woning sprake is van wateroverlast en dat deze wateroverlast schade (heeft) veroorzaakt aan de woning van [A c.s.] IFCO en de door de rechtbank benoemde deskundige ir. Sman zijn het eens dat sprake is van kwel naar boven vanuit de tussenzandlaag. De vraag is echter hoe het komt dat de stijghoogte in de tussenzandlaag hoger is dan de grondwaterstand direct beneden het maaiveld en de stijghoogte van het grondwater in het Eerste Watervoerende pakket. 4.12. IFCO heeft in de periode tussen 19 april 2011 en 27 april 2012 vier mogelijke oorzaken voor deze stijghoogte onderzocht, maar de (verplaatsing van
- de)damwand was daar niet bij. Ook in het rapport van ALC van 20 maart 2013 wordt de invloed van de damwand niet genoemd of onderzocht. 4.13. De door de rechtbank benoemde deskundige, ir. Sman, concludeert op basis van de voor hem beschikbare informatie dat voeding van de zanderige tussenlaag ter plekke van de houten damwand en vervolgens optredende kwel vanuit de zanderige tussenlaag in de omgeving, een van de mogelijke mechanismen is die zouden kunnen resulteren in hogere grondwaterstanden ter plaatse van de woning. 4.14. De rechtbank is van oordeel dat de volgende omstandigheden het vermoeden vestigen dat de zanderige tussenlaag wordt gevoed als gevolg van een door de (ver)plaatsing van de damwand veroorzaakte verstoring van de grondwaterhuishouding: tussen de aanleg van de woning
(1977), de uitbreiding van de woning (februari 1985) en de eerste schademelding (6 december 2010) is er een periode van 33 respectievelijk 25 jaar zonder schade geweest, hoewel in de tussenperiode meerdere vorstperiodes zijn geweest (Rapport Sman onder 2.33, derde alinea); na de (ver)plaatsing van de damwand is een verschuiving van de waterkering richting de watergang geconstateerd (notities Tauw 3 februari en 22 april 2011); de damwandberekening van BK was onjuist en herberekening met de juiste veiligheidsklasse leidt tot de conclusie dat de damwand van begin af aan niet aan de daaraan te stellen eisen heeft voldaan (notitie Tauw 22 april 2011); er is scheurvorming in de grond aan de boezemzijde van de damwand geconstateerd (notities Tauw 22 april 2011 en 9 april 2015); ter hoogte van de damwand zijn waterophoping en een te hoge waterstand in de waterkering geconstateerd (notities Tauw 23 juli 2009 en 22 april 2011); het Hoogheemraadschap heeft geconstateerd dat de grondwaterhuishouding na de verplaatsing van de damwand in 2009 is verstoord (brief Hoogheemraadschap van 26 april 2011); de woning bevindt zich op circa 30 meter afstand van de dijk. 4.
- Reeds op grond van de in rechtsoverweging 4.14 genoemde omstandigheden acht de rechtbank voorshands bewezen dat het plaatsen en ongewijzigd ter plaatse laten van de damwand heeft geleid tot schade aan de woning van [A c.s.] Daarbij komt dat de Gemeente in relatie tot het causaal verband tussen de gestelde schade en de damwand naar het oordeel van de rechtbank de artikelen 21, 22 en 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) heeft geschonden. Dit deeloordeel zal de rechtbank nader toelichten. Schending van art. 21, 22 en 198 lid 3 Rv 4.
- In haar reactie van 9 april 2015 onderbouwt Tauw namens de Gemeente de stellingname dat het niet waarschijnlijk is dat de damwand tot het grondwatereffect rond de woning heeft geleid met de volgende passage (onderstrepingen rechtbank): “Als de damwand voor een verticale lekkageweg zou zorgen waardoor water uit pakketten met een hogere waterstand naar de freatisch pakketten loopt, zou dat niet alleen ter plaatse van het perceel aan de [adres] tot grondwaterstandstijging leiden, maar in een grotere zone en dus ook bij de andere percelen aan de [Straat] . In het rapport van Deltares staat beschreven dat dit niet het geval is. Ook het waterschap (meer kwel in de sloten, natte plekke in de teen van de kade, andere beheerderswaarnemingen) zou problemen kunnen hebben in relatie tot de veiligheid van de regionale kering in de Weerlanervaart. Daarnaast impliceren zichtbare scheuren aan maaiveld (als gevolg van horizontale vervormingen) niet dat over de volledige diepte (lengte van de damwand) er een scheur of open ruimte zou ontstaan. De diepere slappe lagen zijn erg zacht en vormen zich snel weer langs de damwand en sluiten holtes af. Dit zou al op korte termijn en zeker niet na enkele jaren later tot een verstoorde situatie leiden .” 4.
- Met de eerste onderstreepte passage impliceert Tauw dat zich in de teen van de kade geen natte plekken hebben voorgedaan en er geen andere beheerderswaarnemingen zijn gedaan. Met de tweede onderstreepte passage impliceert Tauw dat plaatsing van de damwand niet op korte termijn tot een verstoorde situatie heeft geleid. Op beide punten is hetgeen Tauw impliceert voor haar en de Gemeente kenbaar onjuist: het Hoogheemraadschap klaagt in haar brief aan de Gemeente van 26 april 2011 dat het ook in relatief droge periode erg nat is aan de kadezijde van de damwand, en dat deze drassige situatie het onderhoud aan de kade belemmert. Uit de brief van het Hoogheemraadschap aan de Gemeente van 12 juni 2009 en de notities van Tauw zelf van 23 juli 2009 en 3 februari 2011 blijkt bovendien dat inderdaad al kort na plaatsing van de damwand sprake was van een verstoorde situatie: scheurvorming in de bodem, waterophoping aan de zijde van de boezem en verschuiving van de waterkering richting de watergang, waardoor de damwand instabiel was. Zowel Tauw als de Gemeente hadden gezien de inhoud van de genoemde stukken kunnen en moeten weten dat zij de deskundige met de uitingen in de reactie van 9 april 2015 op het verkeerde been zetten. 4.
- De Gemeente heeft deze schending van artikel 198 lid 3 Rv in haar processtukken niet gecorrigeerd. Zij heeft de voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de damwand essentiële stukken van 12 juni 2009 en 21 oktober 2011 ook niet eigener beweging genoemd. Daarnaast heeft de Gemeente bij overlegging van de brief van het Hoogheemraadschap van 12 juni 2009 vermeld dat ‘op dat moment nog ten onrechte werd gedacht’ dat de kans op instabiliteit van de waterkering te groot was. Uit de aan haar gerichte notities van Tauw van 3 februari 2011 en 22 april 2011, de brief van het Hoogheemraadschap aan de Gemeente van 26 april 2011, het namens de Gemeente ingediende verzoek tot wijziging van de keurvergunning van 21 oktober 2011 en het besluit op dit verzoek van 29 november 2011 blijkt evenwel expliciet dat die gedachte volgens het Hoogheemraadschap én volgens Tauw en de Gemeente wel terecht was. 4.
- Op het bevel tot het overleggen van deze stukken op grond van artikel 22 Rv heeft de Gemeente voor wat betreft het namens haar door Tauw ingediende verzoek tot wijziging van de keurvergunning van 21 oktober 2011 geantwoord dat dit stuk niet bestond, terwijl dit stuk wel bestaat en door [A c.s.] is overgelegd. De gemeente stelt dat zij het stuk bij Tauw heeft opgevraagd en dat die haar heeft geantwoord dat het stuk niet bestaat. Het enkele doen van navraag bij Tauw was naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan de op grond van artikel 21 en 22 Rv op de Gemeente rustende plichten te voldoen, nu het een namens de Gemeente opgesteld stuk betreft dat wordt genoemd in zowel de herziene keurvergunning van 29 november 2011 als in het deskundigenrapport van Sman van 16 april 2015 (stuk 12). Hieruit volgt dat in elk geval twee instanties het stuk ooit hebben ontvangen of ingezien. Vervolg van de procedure 4.
- De rechtbank zal de Gemeente toelaten tot het leveren van tegenbewijs. In afwachting van die bewijslevering houdt zij alle verdere beslissingen aan. Tot die verdere beslissingen hoort ook de omvang van de aansprakelijkheid, waaronder de deelvraag of – en zo ja: in hoeverre – de staalfundering van de woning heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. 5De beslissing De rechtbank 5.
- laat de Gemeente Hillegom toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het bewijsvermoeden dat het plaatsen en ongewijzigd ter plaatse laten van de damwand heeft geleid tot schade aan de woning van [A c.s.] , 5.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 februari 2019 voor uitlating door Gemeente Hillegom of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 5.
- bepaalt dat Gemeente Hillegom, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 5.
- bepaalt dat Gemeente Hillegom, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met mei 2019 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 5.
- bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. C.J-A. Seinen in het paleis van justitie te Den Haag aan Prins Clauslaan 20, 5.
- bepaalt dat beide partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 5.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2019.