Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/574518 / KG ZA 19/490 Vonnis in kort geding van 16 juli 2019 in de zaak van 1 [eisende partij sub 1] te [plaats] , 2. Lelyhaeve Partners B.V. te Lelystad, 3. Lelystad Airport Logistics II B.V., te Rosmalen, eisers, advocaten mr. H.A. Bijkerk en mr. C.C. Corsten te Utrecht, tegen: de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder Rijksvastgoedbedrijf te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J.E. van der Werff te Den Haag. Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [eisende partij sub 1 c.s.] ’ en ieder afzonderlijk als ‘ [eisende partij sub 1] ’, ‘Lelyhaeve Partners’ en ‘Lelystad Airport Logistics’. Gedaagde wordt aangeduid als ‘het RVB’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - het door [eisende partij sub 1 c.s.] uitgebrachte herstelexploot; - de door het RVB overgelegde producties; - de op 2 juli 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eisende partij sub 1] is eigenaar van percelen grond in [plaats] , kadastraal bekend [de Gemeente] , [sectie x] , nummers [1] , [2] , [3] , [4] en [5] . 2.2. [eisende partij sub 1] is tevens erfpachter van percelen cultuurgrond gelegen aan de [adres] (percelen kadastraal bekend [de Gemeente] , [sectie x] , nummers [6] , [7] en [8] ). Het RVB is eigenaar van de percelen met nummers [6] en [8] . Tot voor kort was het RVB ook eigenaar van het perceel met nummer [7] , maar dat perceel heeft het RVB recent in eigendom overgedragen aan de provincie Flevoland (hierna: de provincie). 2.3. Voormelde erfpachtgronden zijn op 1 november 1972 voor de duur van 40 jaar aan de rechtsvoorganger van [eisende partij sub 1] in erfpacht uitgegeven. Deze rechtsvoorganger heeft het erfpachtrecht op 21 december 1999 aan [eisende partij sub 1] overgedragen. Bij akte van 27 december 2012 zijn de gronden door het RVB wederom voor de duur van 40 jaar (van 1 november 2012 tot 31 oktober 2052) aan [eisende partij sub 1] in erfpacht uitgegeven. In de akte van uitgifte erfpacht is bepaald dat de erfpachter verplicht is de erfpachtzaak alleen te gebruiken voor landbouwkundige doeleinden. In artikel 9 van de op de overeenkomst van erfpacht van toepassing zijnde algemene voorwaarden is bepaald dat wanneer de erfpachter de erfpacht wil vervreemden hij gehouden is de erfpacht eerst aan te bieden aan de Staat der Nederlanden tegen de actuele agrarische waarde. 2.4. [eisende partij sub 1] exploiteert op de erfpacht- en eigendomsgronden een akkerbouwbedrijf. 2.5. De provincie is voornemens een provinciale verbindingsweg te gaan realiseren over perceel [I] en heeft een onteigeningsprocedure aanhangig gemaakt, om de onteigening van perceel [I] te kunnen realiseren. [eisende partij sub 1] is in die procedure partij; hij is toegelaten als tussenkomer. 2.6. Indien de voorgenomen verbindingsweg wordt gerealiseerd, worden de aan [eisende partij sub 1] in erfpacht uitgegeven perceelsgedeelten doorsneden door de verbindingsweg. 2.7. [eisende partij sub 1] wil zijn akkerbouwbedrijf verplaatsen, vanwege de voorgenomen onteigening en realisatie van de verbindingsweg, alsmede vanwege de omstandigheid dat zijn akkerbouwbedrijf thans gevestigd is in een gebied waar de overheid in de toekomst stedelijke functies wil ontwikkelen. Om de financiering van deze verblijfsverplaatsing mogelijk te maken, wil [eisende partij sub 1] op zijn eigendoms- en erfpachtgronden een zonnepark (laten) ontwikkelen. [eisende partij sub 1] is daartoe een samenwerking aangegaan met Lelyhaeve Partners en Lelystad Airport Logistics. 2.8. Op 10 maart 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen (de adviseurs van) [eisende partij sub 1 c.s.] en de heer [A], werkzaam bij het RVB (hierna: [A]). Vervolgens heeft op 29 november 2017 nog een gesprek plaatsgevonden tussen (de adviseurs van) [eisende partij sub 1 c.s.] enerzijds en [A] en de heer [B] (eveneens werkzaam bij het RVB, hierna: [B]) anderzijds. Deze gesprekken gingen over de beoogde ontwikkeling van het zonnepark. 2.9. Bij brief van 11 januari 2018 heeft [eisende partij sub 1] het RVB – kort samengevat – verzocht medewerking te verlenen aan vervreemding van zijn erfpachtrecht aan een derde, gevolgd door wijziging van de erfpachtbestemming van perceel [II] en [III] en de verlening van een opstalrecht voor de realisatie van een (gedeelte van het) zonnepark op die erfpachtgronden. Bij brief van 6 februari 2018 heeft het RVB de ontvangst van deze brief bevestigd en medegedeeld dat [eisende partij sub 1] “binnenkort” een antwoord zal ontvangen op het verzoek. 2.10. Bij brief van 11 juni 2018 hebben [eisende partij sub 1 c.s.] zich (via hun advocaat) nogmaals tot het RVB gewend. In die brief wordt verwezen naar telefonische contacten die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van voormelde brief van 11 januari 2018 en staat vermeld dat telefonisch door het RVB is medegedeeld dat het RVB eerst beleid wil maken op de ontwikkeling van zonneparken op gronden die nu agrarisch in gebruik zijn, zodat nog geen toestemming gegeven kan worden. [eisende partij sub 1 c.s.] hebben in deze brief verder hun belangen toegelicht en toegelicht waarom het RVB volgens hun gehouden is medewerking te verlenen aan de realisatie van het zonnepark. Het RVB is verzocht binnen veertien dagen schriftelijk toestemming te geven voor de wijziging van de erfpachtbestemming van de percelen [II] en [III] en het verlenen van een opstalrecht voor het gedeelte van het zonnepark dat op de opstalgronden zal worden geprojecteerd, één en ander op marktconforme voorwaarden en onder de voorwaarde van gemeentelijke medewerking aan de publiekrechtelijke bestemmingswijziging. [eisende partij sub 1 c.s.] hebben er in die brief verder op gewezen dat zij schade lijden, door vertraging van het project bij het uitblijven van toestemming van het RVB, omdat zij dan subsidie mislopen. 2.11. Bij brief van 18 juni 2018 heeft het RVB bericht dat [A] binnen vier weken zal reageren op het verzoek van [eisende partij sub 1 c.s.] tot medewerking van het RVB aan het realiseren van een zonnepark op de erfpachtgronden. Na een rappelbrief van [eisende partij sub 1 c.s.] van 17 juli 2018 heeft het RVB bij brief van 24 juli 2018 bericht dat het vanwege de inhoud van de vraag van [eisende partij sub 1 c.s.] en de vakantieperiode helaas meer tijd nodig heeft voor een inhoudelijke reactie en dat de verwachting is dat eind september 2018 een antwoord gegeven kan worden. 2.12. Bij brief van 12 maart 2019 hebben [eisende partij sub 1 c.s.] zich (via hun advocaat) wederom tot het RVB gericht. In die brief lichten zij toe dat zij door het uitblijven van een reactie van het RVB hun initiatief voor het zonnepark in twee fases moeten verdelen: een eerste fase op de eigendomsgrond en de tweede fase op de erfpachtgrond. Tevens berichten zij dat zij het onacceptabel vinden dat zij vijftien maanden na het eerste verzoek nog geen inhoudelijke reactie van het RVB hebben ontvangen en sommeren zij het RVB alsnog binnen 14 dagen de schriftelijke toestemming te geven voor de wijziging van de erfpachtbestemming en het verlenen van een opstalrecht voor het gedeelte van het zonnepark dat op de erfpachtgronden zal worden gerealiseerd. Daarnaast wordt verzocht binnen 14 dagen te laten of het RVB vooruitlopend op de effectuering van de toestemming bereid is akkoord te gaan met overdracht van het agrarische erfpachtrecht aan een vennootschap van Lelyhaeve Partners, die het agrarisch gebruik zal voortzetten, zolang de toestemming voor het zonnepark nog niet bij overeenkomst en akte is uitgewerkt. 2.13. Bij brief van 16 april 2019 heeft het RVB als volgt aan [eisende partij sub 1 c.s.] bericht: “(…) In uw brief van 11 juni 2018 verzoekt u het Rijksvastgoedbedrijf om in te stemmen met het verzoek van de heer [eisende partij sub 1] uit zijn brief d.d. 11 januari 2018. De heer [eisende partij sub 1] vraagt of het Rijksvastgoedbedrijf wil afzien van het recht van koop van de erfpachtzaak. De heer [eisende partij sub 1] wil zijn agrarische erfpachtrecht verkopen ten behoeve van het opwekken van zonne-energie op de betreffende agrarische grond. Mijn excuses dat de beantwoording lang op zich heeft laten wachten. De reden hiervan is dat het Rijksvastgoedbedrijf onlangs het beleid inzake agrarische gronden heeft geactualiseerd. Een onderdeel daarvan was het actualiseren van de portefeuille strategische gronden. Op grond van het geactualiseerde beleid voor de agrarische gronden van het Rijk moet ik meedelen, dat ik niet kan instemmen met het verzoek om af te zien van het recht van koop van de erfpachtzaak. Het Rijksvastgoedbedrijf beschouwt de onderhavige gronden als strategisch. Het erfpachtcontract van de heer [eisende partij sub 1] betreft uitdrukkelijk agrarisch gebruik. Indien de heer [eisende partij sub 1] het agrarisch erfpachtrecht wil vervreemden, zal het Rijksvastgoedbedrijf gebruik maken van het recht van eerste koop uit de bijbehorende algemene voorwaarden. (…)” 2.14. Naar aanleiding van de brief van 16 april 2019 hebben [eisende partij sub 1 c.s.] (via hun advocaat) bij brieven van 19 april 2019 en 8 mei 2019 om opheldering gevraagd. De advocaat van het RVB heeft vervolgens bij brief van 31 mei 2019 als volgt bericht: “(…) Hierbij zend ik u de online vindplaats van de brief van de staatssecretaris van BZK aan de Tweede Kamer dd. 12 oktober 2018 dienaangaande: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/10/12/kamerbrief-over-beleid-voor-agrarische-gronden-van-de-staat. Daaruit blijkt onder meer dat strategische gronden, zijnde gronden waarvoor in het kader van de planologie een andere doelstelling is voorzien, verpacht blijven op grond van de bestaande voorwaarden totdat de verwachte bestemmingswijzing ten behoeve van het publieke doel gerealiseerd is en de gronden tegen de hoogste (nieuwe) bestemmingswaarde verkocht kunnen worden. De Staat hanteert daarbij een termijn van 20 jaar waarbinnen de bestemmingswijziging wordt verwacht. Daarnaast heeft de Staat nog aanvullend beleid opgesteld, dat naar verwachting op zeer korte termijn definitief vastgesteld wordt. Zodra het aanvullend beleid definitief vastgesteld is, zal dit omgaand aan u worden toegezonden. Vooruitlopend daarop kan ik u reeds berichten dat in dit aanvullende beleid onder meer is opgenomen dat de Staat voorlopig uitsluitend gronden, die op dit moment niet in gebruik gegeven zijn (dus (erf)pachtvrije gronden), via openbare inschrijving voor de aanleg en exploitatie van zonnepanelenparken in gebruik zal geven, onder de voorwaarden dat deze gronden daarvoor omgevingsrechtelijk gezien in aanmerking komen en de Staat dat wenselijk acht. De aan uw cliënt in erfpacht uitgegeven grond (hierna: de grond van uw cliënt) is als strategisch aangemerkt, omdat daarop een stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Bovendien is de grond van uw cliënt niet (erf)pachtvrij. Gelet hierop kan geen toestemming verleend worden om op de grond van uw cliënt een zonnepark te realiseren en te exploiteren, dan wel dit door een derde te laten doen. Indien uw cliënt niet bereid is om de grond voor eigen rekening agrarisch te blijven exploiteren, is de Staat bereid het erfpachtrecht van uw cliënt uit coulance te kopen voor de huidige agrarische waarde, of in te stemmen met verkoop van het huidige (agrarische) erfpachtrecht aan een derde, mits deze derde aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. (…)” 2.15. Voor fase 1 van de ontwikkeling van het Zonnepark (op de gronden die aan [eisende partij sub 1] in eigendom toebehoren) is inmiddels een wijziging van het bestemmingsplan vastgesteld en is een omgevingsvergunning verleend. 3. Het geschil 3.1. [eisende partij sub 1 c.s.] vorderen – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden om: primair: alle noodzakelijke medewerkingen en toestemmingen te verlenen, waaronder begrepen de wijziging van de erfpachtbestemming en de vestiging van een opstalrecht voor de duur van tenminste 25 jaar om het zonnepark op de percelen [II] en [III] te kunnen realiseren, een en ander op marktconforme voorwaarden, zo nodig onder de voorwaarde dat de gemeente de publiekrechtelijke planologische bestemming wijzigt conform de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid naar duurzame energievoorziening; in constructief overleg te treden over de vaststelling van de marktconforme voorwaarden voor de onder 1 genoemde toestemmingen; vooruitlopend op de feitelijke wijziging van de erfpachtbestemming in te stemmen met de overdracht van het agrarische erfpachtrecht van de percelen [II] en [III] aan Lelyhaeve Partners, althans een nader te bepalen vennootschap, onder de voorwaarde dat voorafgaand aan die overdracht wordt aangetoond dat de betreffende vennootschap voldoende financiële draagkracht heeft om de verplichtingen uit hoofde van de erfpachtovereenkomst na te komen; subsidiair: 4. in constructief overleg te treden over de tijdelijke wijziging van de erfpachtbestemming, een en ander onder marktconforme voorwaarden; alles met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure en de nakosten. 3.2. Daartoe voeren [eisende partij sub 1 c.s.] – samengevat – het volgende aan. Als gevolg van de voorgenomen onteigening wordt de agrarische bedrijfsvoering van [eisende partij sub 1] ernstig bemoeilijkt, omdat een deel van de erfpachtgronden daardoor verandert van een huiskavel in een niet ontsloten veldkavel, die voor het agrarische bedrijf van [eisende partij sub 1] niet langer bruikbaar is. [eisende partij sub 1] wordt genoodzaakt zijn akkerbouwbedrijf elders te vestigen door de voorgenomen onteigening en realisatie van de verbindingsweg en het feit dat het akkerbouwbedrijf gelegen is in een gebied waar de overheid in de toekomst stedelijke ontwikkeling wil ontwikkelen. Planologisch is het mogelijk om op de huidige locatie van het akkerbouwbedrijf een zonnepark te realiseren en dit biedt [eisende partij sub 1] de mogelijkheid ergens anders een structurele oplossing voor zijn akkerbouwbedrijf te realiseren. 3.3. [eisende partij sub 1 c.s.] stellen verder dat door de medewerking aan het zonnepark te weigeren het RVB:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.