← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:7404

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 19/919 en SGR 19/920 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2019 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraken van verweerder van 18 december 2018 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli

  1. Eiser is, met bericht daarvan aan de rechtbank, niet verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. L.S. Veenstra en mr. M. van der Zwaag. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. Aan eiser zijn over de periode 1 januari 2017 tot en met mei 2017 en over de periode mei 2018 tot en met december 2018 aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd ter zake van het gebruik van het perceel [perceel] te Den Haag.
  3. Vast staat dat [perceel] een perceel is in de zin van de van artikel 2, eerste lid, van de Verordening afvalstoffenheffing 2008 van de gemeente Den Haag. Het betreft hier immers een onroerende zaak dat naar indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan. Volgens genoemd artikellid wordt de belasting geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Uit de namens de verhuurder afgelegde schriftelijke verklaring blijkt dat eiser het pand [perceel] al geruime tijd huurt. Eiser kan daarom als gebruiker worden aangemerkt, ook in het geval eiser daar niet in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven stond.
  4. Met betrekking tot de periode waarover de aanslag is opgelegd heeft verweerder verklaard dat in de periode van mei 2017 tot en met mei 2018 de zoon van eiser op het adres [perceel] ingeschreven stond. Voor deze periode is de zoon als gebruiker aangemerkt en aangeslagen voor de afvalstoffenheffing.
  5. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli
  7. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.