Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/852031-19 Datum uitspraak: 29 juli 2019 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [Verdachte] , geboren op [Geboortedatum] 1986 te [Geboorteplaats] , thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Den Haag. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 18 april 2019 (pro forma) en 15 juli 2019 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.I. Kouwenhoven naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Delft [Slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, - tegen die [Slachtoffer] gezegd dat hij, verdachte, gedachten heeft om die [Slachtoffer] wat aan te doen en/of - ( vervolgens) buiten het zicht van die [Slachtoffer] een mes, althans een scherp voorwerp, uit zijn, verdachtes, mouw gehaald en/of - ( vervolgens) dit mes, althans scherpe voorwerp, overhandigd aan [Getuige] , althans een ander dan die [Slachtoffer] , en/of (hierbij) tegen die [Getuige] gezegd ‘Dit is het mes waarmee ik [Slachtoffer] wilde steken’ (waarvan die [Slachtoffer] kennis heeft genomen), althans woorden en of feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De verklaring van aangever wordt naar het oordeel van de officier van justitie in voldoende mate ondersteund door de verklaring van de getuige [Getuige] (hierna: [Getuige] ) en de verklaring van de verdachte. Aangever wist in zijn hoedanigheid als psychiater van de psychische toestand van de verdachte en was ook op de hoogte van het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor doodslag. Gelet hierop kon door de bedreiging bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat hij het leven zou laten. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging geen bedreiging inhoudt, aangezien de verdachte in therapeutische context met zijn psychiater sprak over zijn gedachten. Het derde gedachtestreepje in de tenlastelegging kan volgens de raadsvrouw niet wettig en overtuigend worden bewezen, omdat alleen de getuige [Getuige] over deze uitlating heeft verklaard. Ook kan de uitlating van de verdachte niet worden opgevat als bedreiging, omdat het een verklaring is over een voornemen dat de verdachte eerder had. Dit zou hoogstens een voorbereiding van een bedreiging of mishandeling opleveren. Volgens de raadsvrouw was de verdachte wel iets van plan met het meegebrachte mes, maar het was voor hem nog niet duidelijk wat dat zou zijn. De verdachte heeft zijn actie afgebroken op het moment dat de psychiater de kamer verliet. Een daadwerkelijk bedreiging heeft daarom niet plaatsgevonden. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Aangever [Slachtoffer] (hierna: [Slachtoffer] ), psychiater bij [Instelling] te Delft, heeft verklaard dat de verdachte op 16 januari 2019 tegen [Slachtoffer] heeft gezegd “Het gaat niet goed. Ik ben een gevaar voor de veiligheid.” en “Ik heb gedachten jou wat aan te doen.” [Slachtoffer] heeft vervolgens – naar aanleiding van een patiëntenalarm – de gespreksruimte verlaten. Toen [Slachtoffer] klaar was met de alarmsituatie, toonde [Getuige] , verpleegkundige bij [Instelling] , aan [Slachtoffer] een mes en vertelde hierbij aan [Slachtoffer] dat de verdachte het mes bij hem had ingeleverd met de woorden: “Met dit mes wilde ik de psychiater neersteken of doodsteken.” Ook vertelde [Getuige] aan [Slachtoffer] dat hij had gezien dat de verdachte het mes uit zijn mouw had gehaald. [Slachtoffer] voelde zich door deze situatie ernstig bedreigd. [Getuige] heeft verklaard dat hij die dag heeft gehoord dat de verdachte tegen [Slachtoffer] heeft gezegd dat hij gedachten had om die [Slachtoffer] wat aan te doen. Later, na de afhandeling van het patiëntenalarm, kreeg [Getuige] van de verdachte een mes in zijn handen gedrukt. De verdachte haalde dit mes uit de mouw van zijn jas en zei: “Dit is het mes waar ik [Slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [Slachtoffer] ) mee wilde steken.” [Getuige] is met dit verhaal naar de psychiater (de rechtbank begrijpt: [Slachtoffer] ) gegaan. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een gesprek wilde met de arts om te zeggen dat hij niet klaar was met de behandeling. De verdachte had een mes van huis meegenomen naar de GGZ waarmee hij zijn polsen door wilde snijden. De verdachte heeft het mes aan [Getuige] afgegeven, maar hij kan zich niet herinneren dat hij heeft gezegd dat hij de psychiater hiermee wilde steken. De rechtbank is op grond van de genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat de verklaring van [Slachtoffer] voldoende steun vindt in hetgeen [Getuige] heeft waargenomen en de verklaring van de verdachte. Dat alleen [Getuige] heeft verklaard over de woorden die de verdachte bij het overhandigen van het mes heeft gebruikt, maakt dat niet anders. Niet elk onderdeel van de tenlastelegging hoeft te worden gedekt door twee bewijsmiddelen. De ten laste gelegde handelingen kunnen dan ook wettig en overtuigend worden bewezen. Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of aangever zich bedreigd kon voelen. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat de door de verdachte gebruikte woorden en zijn gedragingen in onderlinge samenhang van dien aard zijn dat sprake is van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven van [Slachtoffer] gericht. De verdachte heeft immers tegen [Slachtoffer] gezegd dat hij gedachten heeft om [Slachtoffer] wat aan te doen en vervolgens heeft hij buiten het zicht van die [Slachtoffer] een mes uit zijn mouw gehaald, dit mes aan [Getuige] overhandigd en tegen [Getuige] gezegd dat dit het mes is waarmee hij [Slachtoffer] wilde steken. [Slachtoffer] is hiervan door mededeling van [Getuige] ook daadwerkelijk op de hoogte geraakt, zodat bij hem in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte hierop gericht was. De rechtbank betrekt hierbij dat [Slachtoffer] de behandelend psychiater was van de verdachte, zodat hij op de hoogte was van de psychische toestand van zijn patiënt. Bovendien waren de behandelaars van de verdachte op de hoogte van zijn justitiële voorgeschiedenis, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het doodsteken van een ander. Gelet op dit alles leveren de ten laste gelegde handelingen naar het oordeel van de rechtbank een strafbare bedreiging op. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 16 januari 2019 te Delft [Slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij - tegen die [Slachtoffer] gezegd dat hij, verdachte, gedachten heeft om die [Slachtoffer] wat aan te doen en - vervolgens buiten het zicht van die [Slachtoffer] een mes uit zijn, verdachtes, mouw gehaald en - vervolgens dit mes overhandigd aan [Getuige] en hierbij tegen die [Getuige] gezegd ‘Dit is het mes waarmee ik [Slachtoffer] wilde steken’, waarvan die [Slachtoffer] kennis heeft genomen. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De oplegging van straf en maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 194 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte kampt met de nodige psychische problematiek en dat hierdoor het bewezenverklaarde in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte zal worden gelast, met het stellen van voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft voorts het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (indirecte) bedreiging met een mes van zijn toenmalige psychiater. Door zo te handelen heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij zijn behandelaar veroorzaakt. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zijn psychiater in de uitoefening van zijn beroep ernstig heeft bedreigd. Uit het strafblad van de verdachte van 18 juni 2019 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf vanwege een levensdelict. Het baart de rechtbank ernstige zorgen dat dit de verdachte er niet van heeft weerhouden om dit feit te plegen. De rechtbank is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest (194 dagen) een passende en geboden reactie vormt. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Over de verdachte is door psycholoog [Naam] op 13 april 2019 gerapporteerd. Ook psychiater in opleiding [Naam] heeft, onder supervisie van psychiater [Naam] , over de verdachte gerapporteerd op 14 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.