← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:7827

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.14172 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.14173, plaatsgevonden op 18 juli

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Werven, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.Y. Abdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum].
  3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen wanneer op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Denemarken een verzoek om terugname gedaan. Denemarken heeft dit verzoek op grond van artikel 18, aanhef en onder d, van de Dublinverordening aanvaard.
  4. Eiser betoogt in beroep dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in Denemarken is gestoeld op een beleidswijziging. Door de beleidswijziging zal Denemarken zijn verzoek om internationale bescherming afwijzen, waardoor eiser vreest voor indirect refoulement. Eiser stelt afkomstig te zijn uit het zuiden van Somalië. Op grond van WBV 2018/6 loopt eiser een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar dat gebied. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018 en een artikel van de website SCEPTR. Daarnaast stelt eiser dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder eisers verzoek niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekt. De rechtbank oordeelt als volgt.
  5. Niet in geschil is dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. In geschil is of Nederland deze verantwoordelijkheid aan zich had moeten trekken. De rechtbank overweegt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen ten opzichte van eiser nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Denemarken niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
  6. Eiser heeft niet met documenten aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Denemarken het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Europese richtlijnen voor asielzoekers niet naleeft. Dat eisers verblijfsvergunning in Denemarken op grond van een beleidswijziging is ingetrokken, heeft eiser op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Dat eiser stelt hierover stukken te hebben opgevraagd bij zijn advocaat in Denemarken en hij die stukken tot op heden niet heeft ontvangen, maakt het vorenstaande niet anders. Ook de verwijzing naar een artikel op de website van SQEPTR leidt niet tot een ander oordeel. In het artikel staat dat de Deense autoriteiten bepaalde delen van Somalië als veilig hebben ingeschat, maar niet welke gebieden het betreft. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling slaagt niet, omdat deze ziet op verwesterde vrouwen. Verweerder heeft terecht overwogen dat de Deense autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Dit houdt in dat Denemarken eisers aanvraag – en de eventuele uitzetting naar zijn land van herkomst – zal toetsen aan het Vluchtelingenverdrag en het EVRM, waardoor geen sprake is van indirect refoulement. Bij eventuele schending van de richtlijnen of het EVRM, kan eiser beklag doen bij de Deense autoriteiten, of een klacht indienen bij het EHRM.
  7. Ook met zijn persoonlijke relaas heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Denemarken ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet is gebleken van bijzondere of individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Denemarken van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dit – anders dan eiser stelt – voldoende gemotiveerd in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.
  8. Het beroep is ongegrond.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  10. Verordening (EU) nr. 604/
  11. Shable Dhexe. Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire. Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2018:
  12. Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn), Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) en Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn). Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.