Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/568926 / KG ZA 19-188 Vonnis in kort geding van 10 april 2019 in de zaak van [eiser] te [plaats] (Hongarije), eiser, advocaat mr. drs. M.J.N. Vermeij te Den Haag, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 maart 2019, met producties; - de brief van mr. Ten Broeke van 14 maart 2019, met producties; - de brief van mr. Vermeij van 21 maart 2019, met producties; - de faxbrief van mr. Vermeij van 22 maart 2019, met productie; - de op 25 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij vonnis van 24 december 2013 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, [eiser] wegens een opzettelijk onjuiste of onvolledige belastingaangifte, valsheid in geschrifte en witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. 2.2. [eiser] is in februari 2014 tijdens een verkeerscontrole aangehouden voor de executie van de aan hem opgelegde gevangenisstraf. De tenuitvoerlegging van deze straf is op 12 februari 2014 aangevangen. [eiser] verbleef in dat kader in de PI [locatie] . 2.3. Bij e-mail van 4 maart 2014 heeft het Openbaar Ministerie (OM) onder meer als volgt aan het CJIB bericht: “Gelieve het vonnis als hieronder beschreven zaak (…) vanwege dringende omstandigheden van persoonlijke aard in te trekken met ingang van morgen 5 maart 2013 en niet eerder opnieuw ten uitvoer te leggen dan per 4 april 2013.” 2.4. Op 5 maart 2014 is [eiser] uit de PI [locatie] ontslagen. [eiser] ontving daarbij een bewijs van ontslag, waarin onder meer het volgende valt te lezen: “Betrokkene heeft in detentie gezeten van 12/02/2014 tot en met 05-03-2014 en heeft de opgelegde straffen en maatregelen ondergaan en/of de verschuldigde bedragen betaald.” 2.5. [eiser] heeft op 1 september 2014 een gratieverzoek ingediend dat hij op 23 december 2014 weer heeft ingetrokken. 2.6. Bij arrest van 11 februari 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [eiser] wegens overschrijding van de appeltermijn niet-ontvankelijk verklaard in het door hem op 1 september 2014 tegen het vonnis van 24 december 2013 ingestelde hoger beroep. [eiser] heeft in die procedure aangevoerd dat door zijn voormalige advocaat abusievelijk geen hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2013 is ingesteld, terwijl door die advocaat wel het vertrouwen was gewekt dat hij daartoe was overgegaan. 2.7. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 januari 2016 het door [eiser] tegen het arrest van 11 februari 2015 ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen: “2.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat door de raadsman van de verdachte abusievelijk geen hoger beroep is ingesteld, terwijl door de raadsman het vertrouwen was gewekt dat hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in voormelde zin [lees: een omstandigheid die overschrijding van de appeltermijn verontschuldigbaar doet zijn, toev. vzr.]. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de wet in art. 449 Sv aan de verdachte de bevoegdheid verschaft zelf hoger beroep of cassatie in te stellen, terwijl art. 450 Sv hem daarnaast de keuze laat het rechtsmiddel in te stellen door tussenkomst van een gemachtigd raadsman of vertegenwoordiger, en dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, de verdachte zijn wens om hoger beroep in te stellen slechts aan zijn raadsman – en niet aan de griffie van de Rechtbank – kenbaar heeft gemaakt. Dat de raadsman heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen, komt onder deze omstandigheden (…) voor risico van de verdachte.” 2.8. [eiser] is naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad een procedure gestart bij het EHRM wegens een schending door de Staat van artikel 6 EVRM. Van een dergelijke schending is volgens [eiser] sprake doordat hij geen effectieve rechtsbijstand heeft gehad en doordat in het hoger beroep zijn zaak niet in volle omvang is getoetst. 2.9. Het OM heeft bij e-mail van 25 januari 2016 (kennelijk) naar aanleiding van een door de toenmalige advocaat van [eiser] ingediend verzoek om opschorting van de executie als volgt bericht: “De door u genoemde zaak staat reeds in een wachtstand bij het CJIB team DJI. Er zal dan ook tot nader order in deze zaak geen verdere executie plaatsvinden.” 2.10. In het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende [eiser] van 28 maart 2017 valt met betrekking tot de onder 2.1 bedoelde veroordeling onder meer het volgende te lezen: “8 Maanden Gevangenisstraf De executie heeft plaatsgevonden in de volgende periode 12-02-2014 t/m 05-03-2014.” 2.11. De Hoge Raad heeft op 30 mei 2017 een door [eiser] ingediend herzieningsverzoek afgewezen. 2.12. [eiser] is op 7 februari 2019 op basis van een op 3 januari 2019 door de Nederlandse autoriteiten uitgevaardigd Europees Aanhoudingsbevel (EAB) op zijn huisadres in Hongarije aangehouden. Op 8 februari 2019 is [eiser] door de Hongaarse rechter onder huisarrest geplaatst, met toepassing van elektronisch toezicht. Op het EAB is thans nog niet beslist. 2.13. [eiser] heeft op 17 maart 2019 een (tweede) herzieningsverzoek bij de Hoge Raad ingediend. In dit verzoek stelt [eiser] onder meer het volgende: “8. Op 24 december 2013 (…) heeft aanvrager zelf contact opgenomen met de rechtbank Gelderland. Aanvrager heeft bij die gelegenheid een poging gedaan om een kopie van het vonnis op te vragen. Dit werd hem echter door de griffie geweigerd “omdat hij een advocaat had”. Om diezelfde reden weigerde de griffie te voldoen aan het verzoek van aanvrager – eveneens telefonisch gedaan op 24 december 2013 – om namens hem hoger beroep in te stellen. 9. Deze gang van zaken is door aanvrager vastgelegd in een faxbericht (…) dat hij op 24 december 2013 om 12.00 uur aan de griffie van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft gefaxt. 10. Aanvrager heeft deze fax in 2015, in het kader van het hoger beroep, niet in het geding gebracht omdat hij de desbetreffende fax kwijt was. Dat blijkt uit een fax die aanvrager op 7 februari 2016 aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zond (…) met als doel zijn op 24 december 2013 aan de rechtbank verzonden fax bij het Gerechtshof op te vragen. 11. Naar aanleiding van de fax van aanvrager van 7 februari 2016 hebben griffiemedewerkers van het Gerechtshof naar de fax gezocht, maar deze werd niet meer aangetroffen. (…) 14. Bij zijn naspeuringen heeft aanvrager zijn fax van 24 december 2013 weer teruggevonden, en wel op 25 februari 2019. Uit de verzendhistorie van zijn fax (…) blijkt dat deze fax op 24 december 2013 inderdaad naar het faxnummer van de griffie is verzonden. (…) 16. Gegeven de inhoud van de fax van aanvrager van 24 december 2013 staat nu ook buiten twijfel dat aanvrager tijdig hoger beroep heeft ingesteld.” 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – primair de Staat te bevelen om alle executiemaatregelen in verband met de onder 2.1 bedoelde strafzaak te staken en gestaakt te houden dan wel subsidiair in goede justitie een passende voorziening te treffen, zowel primair als subsidiair met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat hij op 3 maart 2014 via tussenkomst van de directeur van de PI [locatie] een verzoek heeft gedaan aan het OM om het resterende deel van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf buiten executie te stellen. [eiser] stelt dat dit verzoek op drie gronden berustte, te weten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.