← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:8579

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team Insolventies – enkelvoudige kamer rekestnummer: C/09/577048 / FT RK 19/1008 vonnis van 20 augustus 2019 in de zaak van [verzoeker], wonende te [adres] [postcode en woonplaats], verzoeker, tegen Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid gemeente Den Haag, afdeling Invordering, gevestigd te Den Haag, verweerster. 1De procedure 1.1 Op 15 juli 2019 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw). 1.2 Ter terechtzitting van 6 augustus 2019 zijn verzoeker, vergezeld van [X], schuldhulpverlener, en [Y] namens verweerster verschenen en gehoord. 1.3 De uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 2.1 Volgens de overgelegde schuldenlijst heeft verzoeker een totale schuld van € 43.569,80 aan negen schuldeisers. 2.2 De vordering van verweerster op verzoeker bedraagt € 9.226,73. Dit is 21,18% van de totale schuldenlast. 2.3 Namens verzoeker is bij brief van 11 januari 2019 een schuldregeling aangeboden, in de vorm van een prognoseakkoord. Dit voorstel houdt in dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 20,16% en 10,08%, te reserveren in een periode van 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen. 2.4 De aangeboden schuldregeling is door verweerster geweigerd en door de andere schuldeisers aanvaard. 3Standpunt van de partijen 3.1 De verzoeker stelt dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling. 3.2 Verweerster heeft aan haar weigering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De vordering van verweerster betreft een recidive fraudevordering. Daarnaast vertegenwoordigt de vordering van verweerster een aanzienlijk percentage van de totale schuldenlast van verzoeker. 4De beoordeling 4.1 Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze schuldregeling leidt er toe dat de schuldeisers afstand moeten doen van een deel van hun vordering. Een verzoek om weigerende schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal alleen dan worden toegewezen als deze schuldeisers in redelijkheid de schuldregeling niet hebben kunnen weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen enerzijds het belang van verweerster bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoeker of van de schuldeisers die met de schuldregeling hebben ingestemd. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende. 4.2 Er is één schuldeiser, de gemeente Den Haag, die weigert medewerking te verlenen aan de buitengerechtelijke schuldregeling. De vordering van deze schuldeiser stamt uit 2015 en vertegenwoordigt circa 21% van de totale schuldenlast. Het gaat hierbij om een fraudevordering. Ook in 2014 was reeds een dergelijke vordering ontstaan. Beide keren ging het om het niet opgeven van inkomsten terwijl verzoeker een Participatiewetuitkering ontving en beide keren werkte verzoeker bij dezelfde onderneming. Verzoeker had zich er van bewust moeten zijn dat zijn handelen in 2015 wederom tot een fraudevordering zou leiden en hij heeft klaarblijkelijk dit risico voor lief genomen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit handelen van verzoeker ertoe dat aan de weigering van deze schuldeiser extra gewicht moet worden toegekend. 4.3 Volgens verzoeker zal het aangeboden buitengerechtelijk akkoord voor de schuldeisers – vergeleken met de wettelijke schuldsaneringsregeling – tot een gunstiger resultaat leiden in verband met de kosten die samenhangen met de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit zal in het algemeen zo zijn, doch verzoeker heeft onvoldoende duidelijk gemaakt in hoeverre dit thans het geval is. Daarbij heeft te gelden dat de vordering van de weigerachtige schuldeiser een preferente vordering is die een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast van verzoeker vertegenwoordigt. 4.4 Ook hetgeen verder door verzoeker is aangevoerd maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de weigerachtige schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. De (primair) verzochte dwangregeling zal derhalve worden afgewezen. 4.5 De verzoeker heeft ter terechtzitting laten weten het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te handhaven, als het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt afgewezen. In het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal afzonderlijk vonnis worden gewezen. 5De beslissing De rechtbank: - wijst af het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw. Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in tegenwoordigheid van mr. A.S. Snel, griffier. Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag. Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Fw).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.