beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/530631 / HA RK 17-183 Beschikking van de rechter-commissaris van 28 augustus 2019 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoeker, advocaat mr. G.G.J.A. Knoops te Amsterdam, tegen DE NEDERLANDSCHE BANK N.V., te Amsterdam, verweerster, advocaat mr. R.L. Ubels te Amsterdam. Verzoeker wordt hierna ‘ [verzoeker] ’ genoemd, verweerster ‘DNB’. 1De procedure 1.1. het verloop van de procedure blijkt uit: - de beschikking van de rechter-commissaris van 27 februari 2019; - het proces-verbaal van het voorlopige getuigenverhoor van 3 juni 2019; - de brief van mr. Knoops van 28 juni 2019 met het verzoek namens [verzoeker] om aanvullende getuigen te horen; - de brief van mr. Ubels van 11 juli 2019 met een reactie namens DNB op het verzoek van [verzoeker] . 1.2. De datum voor het wijzen van de beschikking is bepaald op heden. 2De beschikking van de rechtbank van 11 januari 2018 2.1. [verzoeker] heeft de rechtbank op 13 april 2017 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, omdat hij voornemens is tegen DNB en het Ministerie van Financiën een civiele procedure te starten. Bij beschikking van 11 januari 2018 heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen naar het door [verzoeker] gestelde opzettelijk lekken van informatie door DNB ten tijde van het aanvragen van de noodregeling voor DSB Bank in 2009. Ten aanzien van het Ministerie van Financiën is het verzoek van [verzoeker] afgewezen. 2.2. De rechtbank heeft in die beschikking het aantal te horen getuigen in eerste instantie beperkt tot vijf. Daarbij is overwogen dat [verzoeker] , mocht hij na het verhoor van deze getuigen van mening zijn dat het horen van nog enkele getuigen noodzakelijk is, hij dit schriftelijk en gemotiveerd dient mee te delen aan de rechter-commissaris voor wie de verhoren plaatsvinden (r.o. 4.18). Ook heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel een verzoek tot het horen van nadere getuigen zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 187 lid 3 aanhef en sub c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de rechter-commissaris verzoeken die redelijk zijn en de proceseconomie bevorderen in welwillende overweging zal nemen (r.o. 4.17). 2.3. Tijdens de voorlopige getuigenverhoren op 3, 4 en 5 september 2018 zijn in totaal vijf getuigen gehoord. Na de daartoe afgeven beschikking van 27 februari 2019 is op 3 juni 2019 één nadere getuige gehoord. 3Het verzoek om aanvullende getuigen te horen 3.1. Met een brief van mr. Knoops van 28 juni 2019 heeft [verzoeker] de rechter-commissaris verzocht om opnieuw getuigen te horen. Het gaat om de heer [A] (hierna: [A] ), mevrouw [B] (hierna: [B] ) en de heer [C] (hierna: [C] ). Daartoe voert [verzoeker] het volgende aan, kort samengevat. 3.1.1. [A] was in oktober 2009 voorzitter van de Raad van Bestuur van Delta Lloyd N.V. Bij de Rijksrecherche heeft [A] verklaard dat [D] enkel contact met hem heeft gehad over het aanvragen van de noodregeling. [D] heeft tijdens haar recente verhoor op 3 juni 2019 echter verklaard zij op maandagochtend 12 oktober 2009 [A] per sms zou hebben geïnformeerd over de afwijzing van deze noodregeling. Dit verklaart [A] niet bij de Rijksrecherche en hij moet hierover worden ondervraagd. Ook is tot dusver onduidelijk gebleven waarom [A] zijn kennis heeft gedeeld met de heer [E] en of DNB daadwerkelijk geheimhouding heeft bedongen en op welke manier. 3.1.2. [B] was ten tijde van de aanvraag van de tweede noodregeling Divisiedirecteur Bedrijfsvoering bij DNB. [B] is nog nooit eerder gehoord over deze kwestie en was tot op heden onbekend bij [verzoeker] en geheel niet genoemd in de eerdere verhoren. In tegenstelling tot wat [F] op 5 september 2018 heeft verklaard, zou volgens [D] niet zij maar [B] de directe leidinggevende van [F] zijn geweest. [D] verwijst expliciet naar [B] als de persoon die in contact stond met [F], terwijl [F] naar [D] verwijst als degene aan wie hij moest "rapporteren". Het is hierdoor onduidelijk wie verantwoordelijk was voor de communicatie en wat er al dan niet is gedaan om te voorkomen dat informatie gelekt zou worden. 3.1.3. [C] was destijds president van DNB. [D] heeft op 3 juni 2019 veelvoudig op de aan haar gestelde vragen verklaard zich niet meer te kunnen herinneren wat zich destijds heeft voorgevallen en daarmee blijven veel vragen onbeantwoord. Wel blijkt uit haar verklaring dat [C] nauw betrokken was bij het communicatiebeleid. Hij zou daarom kunnen verklaren over hoe getracht is om te gaan met het geheimhouden van de aanvraag van de noodregeling en wie hierover is geïnformeerd. [C] zou ook kunnen verklaren of mensen zijn geïnformeerd over de afwijzing van de eerste noodregeling en wat het communicatiebeleid was omtrent deze kwestie nu [D] deze informatie niet kon verschaffen. Daarnaast kon [D] zich ook niet herinneren wanneer en met wie er gesproken is over de aanvraag van de tweede noodregeling. Aangezien [C] destijds president was van DNB is hij de aangewezen persoon om hierover te verklaren. 3.1.4. Het oproepen van voornoemde drie personen kan [verzoeker] van aanvullende informatie voorzien over de wijze waarop met vertrouwelijke informatie binnen en buiten DNB in de periode van de aanvraag van de twee noodregelingen is omgegaan, alsmede of dit het risico op het doen ontstaan van het lek naar de pers heeft doen bewerkstelligen. Gezien hun nauwe betrokkenheid bij het proces en het feit dat mevrouw [D] tijdens het getuigenverhoor op 3 juni 2019 niet in staat was het overgrote deel van de vragen van [verzoeker] te beantwoorden die zien op het probandum, is het essentieel dat de op te roepen getuigen de onbeantwoorde vragen van [verzoeker] worden voorgelegd, aldus nog steeds [verzoeker] . 3.2. DNB heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek om aanvullende getuigen te horen, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. 4De beoordeling [A] 4.1. In de beschikking van de rechtbank van 11 januari 2018, die ook voor de door de rechter-commissaris te geven beslissingen richtinggevend is, is bepaald dat de voorlopige getuigenverhoren zich alleen mogen richten op het verkrijgen van bewijs ten aanzien van het opzettelijk lekken van informatie door DNB. [A] was niet werkzaam bij DNB, maar destijds voorzitter van de Raad van Bestuur van Delta Lloyd N.V., dat onder toezicht stond van DNB. In het licht hiervan heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een verklaring van [A] over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.