Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/842407-18 Datum uitspraak: 9 september 2019 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [P.I.] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 april 2019 (pro forma), 24 juni 2019 (inhoudelijk) en 26 augustus 2019 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren naar voren is gebracht. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 juli 2019, in welk vonnis zij het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen heeft verklaard, en de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar heeft geoordeeld tot een bedrag van € 10.394,34, het onderzoek heropend en vervolgens geschorst om de officier van justitie uitvoering te laten geven aan het doen opstellen van een maatregelenrapport door de reclassering en het indienen daarvan. Het onderzoek is ter zitting van 26 augustus 2019 voortgezet vanaf de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en is vervolgens gesloten. 2De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 3De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 4De op te leggen straf 4.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de verdachte kampt met de nodige psychische problematiek en dat het bewezen verklaarde hierdoor in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte zal worden gelast, met het stellen van voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, behoudens de voorwaarde van begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Deze laatstgenoemde voorwaarde acht de officier van justitie niet noodzakelijk omdat de verdachte ook kan verblijven bij familie. De officier van justitie heeft ten slotte het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer duurt dan de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht. De raadsman heeft voorts bepleit geen tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, maar de door de reclassering geformuleerde voorwaarden (met uitzondering van de bijzondere voorwaarde met betrekking tot het begeleid wonen) in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een tbs-maatregel is volgens de raadsman een te vergaande maatregel, omdat de oplegging van de maatregel niet door de veiligheid van personen wordt geëist en een minder ingrijpende sanctie (namelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf) voorhanden is. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het bewezenverklaarde De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld in de woning van het slachtoffer. Het slachtoffer is een bekende van de verdachte, die hem hielp door onderdak te bieden en hem geld te geven als hij hier om vroeg. Toen het slachtoffer op 3 december 2018 zijn pinpas niet aan de verdachte wilde geven, heeft de verdachte grof fysiek geweld tegen het slachtoffer gebruikt en de pinpas alsnog van hem afgenomen. De verdachte heeft hierna € 200,- gepind. Hij heeft hierbij enkel oog gehad voor zijn eigen belangen, namelijk om zichzelf te kunnen voorzien van drugs, zonder stil te staan bij de ernstige gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De rechtbank zal bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening houden met het feit dat hij misbruik heeft gemaakt van de hulp die het slachtoffer hem bood en dat hij het slachtoffer meerdere keren heeft geslagen in zijn eigen woning, een plek waar het slachtoffer zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Ook de kwetsbare positie van het slachtoffer (een man van 70 jaar) en het ernstige en blijvende letsel dat de verdachte aan het slachtoffer heeft toegebracht neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. Persoonlijke omstandigheden Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportages door psychiater dr. [naam] en psycholoog drs. [naam] . Beide gedragsdeskundigen concluderen dat er bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cocaïne en zwakbegaafdheid. De verdachte werd hierdoor ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde beïnvloed. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig (verhoogd) tot hoog. De gedragsdeskundigen hebben in hun rapporten geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De deskundigen adviseren om de verdachte ambulant te laten behandelen door een Forensisch Psychiatrische Polikliniek, met urinecontroles onder toezicht van de reclassering, in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen worden gedragen door inzichtelijke motiveringen en dat de rapporten op deugdelijke wijze tot stand zijn gekomen. De rechtbank kan zich, gelet op de bij de verdachte geconstateerde psychiatrische problemen, verenigen met de conclusie van de rapporteurs dat de verdachte verminderd ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Op het advies tot oplegging van de tbs-maatregel gaat de rechtbank hierna in. De reclassering heeft in haar advies van 16 augustus 2019 opgenomen dat zij het recidiverisico bij de verdachte als gemiddeld inschat. De risico’s tot delictgedrag bij de verdachte zijn volgens de reclassering met name gelegen in zijn verslavingsgevoeligheid, zijn verstandelijke beperking en zijn onrijpe persoonlijkheidsstructuur met antisociale en narcistische trekken. De steun en structuur die de familie van de verdachte biedt, wordt als een beschermende factor gezien. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de deskundigen [naam] en [naam] en heeft advies uitgebracht over de voorwaarden die aan de tbs-maatregel moeten worden verbonden. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 21 augustus 2019. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2015 is veroordeeld tot een geldboete voor een diefstal. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Welk kader? De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte – naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – zal worden behandeld en begeleid voor zijn verslavingsproblematiek en verstandelijke beperking. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is in welk kader deze behandeling moet plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van de maatregel tot tbs met voorwaarden in het geval van de verdachte een te verregaande maatregel is. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel een ultimum remedium is, waarmee met enige terughoudendheid moet worden omgegaan. Dit geldt ook wanneer het een tbs met voorwaarden betreft. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, dat hij niet eerder door de reclassering is begeleid en dat hij openstaat voor behandeling. De deskundigen hebben weliswaar geadviseerd tot behandeling van de problematiek bij de verdachte in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden, maar zij hebben het advies op dit punt niet nader gemotiveerd waarom dit niet in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf zou kunnen. Bovendien zijn deze adviezen mede gebaseerd op verdenkingen waarvan de verdachte wordt vrijgesproken (poging doodslag en verkrachting). Naar het oordeel van de rechtbank doet een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval voldoende recht aan de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de beveiliging van de maatschappij. De rechtbank zal bij het opleggen van de bijzondere voorwaarden aansluiten bij de voorwaarden zoals deze in het reclasseringsadvies van 16 augustus 2019 zijn genoemd en waarvan oplegging door de officier van justitie is gevorderd. Het zal de verdachte echter wel worden toegestaan om bij zijn vader te wonen zolang de reclassering daarmee akkoord is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van drie jaren verbinden. Conclusie De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is, met aftrek van het voorarrest. Van deze straf zal een gedeelte van negen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.