vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 17 juli 2019 in de zaak met zaaknummer/ rolnummer: C/09/561556 / HA ZA 18-1047 van 1 [eiser sub 1] , te [plaats 1] , eiser,
- [eiser sub 2], te [plaats 2] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, eiser in het incident ex artikel 223 Rv, advocaat: mr. M. de Wijs te Leiden, tegen POOLSCHOOL H20 BEHEER, te Alphen aan den Rijn, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verweerster in het incident ex artikel 223 Rv, advocaat: mr. W.G.H. Janssen te Leiden. Partijen worden aangeduid als [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en Beheer. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: - de dagvaarding van 9 oktober 2018 met producties; - de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, - het tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is bevolen, - de ter comparitie genomen conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in het incident ex artikel 223 Rv, - het proces-verbaal van comparitie van 10juli
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2Het geschil en de beoordeling daarvan in de zaak van [eiser sub 1] 2.
- [eiser sub 1] vordert dat Beheer wordt veroordeeld tot betaling van € 35.000, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, subsidiair wettelijke rente, vanaf 4 februari
- Deze vordering betreft een door [eiser sub 1] aan de gemeente Zoetermeer betaald bedrag. Onder verwijzing naar een brief van de gemeente Zoetermeer (productie 6 bij de dagvaarding), stelt [eiser sub 1] dat deze betaling strekte tot voldoening van een vordering van de gemeente op Beheer en dat met deze betaling een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen tussen hem en Beheer, die dit bedrag uit hoofde daarvan aan hem moet terugbetalen. 2.
- Beheer stelt hier tegenover dat eerst de rechtsbetrekking tussen haar en [eiser sub 2] duidelijk moet worden. Dit is geen verweer dat in de weg staat aan toewijzing van de vordering. 2.
- Tijdens de comparitie van partijen is namens Beheer nog aangevoerd dat de betaling door [eiser sub 1] zag op een schuld aan de gemeente die was ontstaan in de periode dat [eiser sub 1] de aandelen in Beheer hield. De kennelijke strekking van dit betoog is dat [eiser sub 1] een betaling heeft verricht die voor zijn rekening dient te komen. Een grondslag hiervoor, feitelijk en rechtens, is echter gesteld noch gebleken. 2.
- Nu de gestelde betaling kennelijk met instemming en medeweten van Beheer is verricht en uit de overgelegde brief van de gemeente Zoetermeer volgt dat deze strekte tot betaling van een vordering van de gemeente op Beheer en Beheer verder niet betwist dat de betaling geschiedde als lening, ligt de vordering voor toewijzing gereed. De niet weersproken rente wordt conform de vordering toegewezen. 2.
- Beheer wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Deze worden gesteld op € 2.685 (€ 895 aan griffierecht en € 1.790 aan advocatenkosten (2 punten tarief III). in de zaak van [eiser sub 2] 2.
- Beheer heeft de vorderingen in conventie tot betaling van € 70.000, € 1.000 en € 500, vermeerderd met rente, niet betwist, anders dan met het instellen van haar vordering in reconventie. Daarmee doet Beheer een beroep op verrekening met die vordering en komt het voor de toewijsbaarheid van de vordering in conventie aan op de vraag of Beheer een voor verrekening vatbare vordering op [eiser sub 2] heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. 2.
- Partijen zijn het erover eens dat de vordering in reconventie de schadestaat is, die volgt op de hoofdzaak, waarin op 12 oktober 2016 vonnis is gewezen. In dit, bij arrest van 29 mei 2018 bekrachtigde vonnis, is – voor zover hier van belang – voor recht verklaard dat [eiser sub 2] niet bevoegd was om Beheer te vertegenwoordigen en de aandelen van Vastgoed te ontvreemden en is [eiser sub 2] veroordeeld tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die Beheer heeft geleden als gevolg van de verkoop van de aandelen Vastgoed zonder daartoe bevoegd te zijn. 2.
- In de hoofdzaak stelde Beheer in eerste instantie dat deze schade moest worden gesteld op de overwaarde van het zwembad waarvan Vastgoed de eigenaar was. Beheer baseerde deze overwaarde op een door haar overgelegd en door [eiser sub 2] betwist taxatierapport. In de hoofdzaak is geoordeeld dat er geen grond is om de schade te stellen op het bedrag van die overwaarde, terwijl evenmin grond bestaat de waarde van de aandelen te stellen op het [eiser sub 2] voorgestane bedrag van €
- Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben geoordeeld dat het aannemelijk was dat schade was geleden, doch dat op grond van de stellingen en overgelegde stukken niet kon worden gekomen tot een schadebegroting. 2.
- Beheer maakt nu aanspraak op vergoeding van € 4.000.000, opgebouwd uit: a. € 860.000: overwaarde zwembad; b. € 1.287.110: gederfde inkomsten in verband met verhuur van het ztvembad aan de gemeente Zoetermeer (over een periode van tien jaar); c. € 1.000.000: gederfde inkomsten uit de zwemschool van Beheer (over een periode van tien jaar); d. € 6.750: aanschafwaarde van de Audi die [eiser sub 2] heeft verkocht; e. € 40.000: waarde van vijf honden; f. € 15.000: privé-spullen die in het zwembad lagen; g. € 70.000: advocatenkosten. Dit bedrag van € 3.278.860 dient te worden verhoogd met ‘emotionele schade en dergelijk’, waarmee Beheer op het gevorderde bedrag van € 4.000.000 komt. 2.
- Beheer vordert in reconventie geen betaling van dit bedrag, maar benoeming van een deskundige “teneinde haar schade vast te stellen nu deze door gedaagde [eiser sub 2] volledig wordt ontkend.” Daarmee gaat Beheer eraan voorbij dat zij haar schade concreet en onderbouwd moet stellen, waarbij van haar niet alleen kan worden gevergd dat zij concrete bedragen noemt, maar ook dat zij toelicht hoe zij tot deze bedragen komt en dat zij deze bedragen met bewijsstukken onderbouwt. Beheer heeft de door haar genoemde bedragen echter zeer summier toegelicht en in het geheel niet met bewijsstukken onderbouwd, terwijl een aantal posten – bijvoorbeeld de posten d. t/m f. – veeleer gestelde schade lijkt te betreffen van haar bestuurder, [A], dan van Beheer. 2.
- De door Beheer beoogde benoeming van een deskundige lijkt ertoe te strekken de waarde van de aandelen van Vastgoed vast te stellen/die volgens Beheer hoger lag dan de prijs van € 1 waartegen ze zijn verkocht. Zoals uit de overwegingen daarover in de hoofdzaak volgt, kan deze waarde niet zonder meer worden gesteld op een ‘optelsom’ van vermogensbestanddelen. Verder zal ook de geheel door Beheer buiten beschouwing gelaten schuldenpositie van Vastgoed moeten worden betrokken in de waardebepaling. Van Beheer kon in dit opzicht worden verwacht dat zij concreet en gemotiveerd stelt wat de waarde van de aandelen ten tijde van de vervreemding was en toelicht volgens welke methode zij dat berekent. 2.
- Beheer heeft dus niet aan haar stelplicht voldaan. Aan benoeming van een deskundige wordt daarom niet toegekomen. De vordering in reconventie ligt voor afwijzing gereed. Daarmee is het tot van de vordering in conventie gegeven. Deze wordt toegewezen, met veroordeling van Beheer als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten. In conventie worden de kosten bepaald op € 3.043 (€ 895 aan griffierecht en € 2.148 aan advocatenkosten (2 punten tarief IV). In reconventie worden de kosten bepaald op € 3.856, te weten één punt tarief VIII. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vordering materieel strekt tot betaling van € 4.000.
- en dat de zaken tezamen zijn behandeld tijdens de comparitie na antwoord. 2.
- Nu eindvonnis wordt gewezen, dient de incidentele vordering ex artikel 223 Rv bij gebrek aan belang te worden afgewezen, met veroordeling van [eiser sub 2] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incident. Nu Beheer niet schriftelijk voor antwoord heeft geconcludeerd in het incident en het incident ter comparitie tegelijk met de hoofdzaak is behandeld, worden de proceskosten van Beheer in het incident op nihil gesteld. 3De beslissing De rechtbank: in het incident 3.
- wijst de vordering af; 3.
- veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten van Beheer, die op nihil worden gesteld. in de hoofdzaak in conventie in de zaak van [eiser sub 1] 3.
- veroordeelt Beheer tot betaling aan [eiser sub 1] van €30.000, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 4 februari 2015; 3.
- veroordeelt Beheer in de kosten, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 2.685; in de zaak van [eiser sub 2] 3.
- veroordeelt Beheer tot betaling aan [eiser sub 2] van € 70.000, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 september 2015; 3.
- veroordeelt Beheer tot betaling aan [eiser sub 2] van € 1.000, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 mei 2014; 3.
- veroordeelt Beheer tot betaling aan [eiser sub 2] van € 500, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 16 oktober 2013; 3.
- veroordeelt Beheer in de kosten, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 3.043; in reconventie 3.
- wijst de vordering af; 3.
- veroordeelt Beheer in de kosten, die tot deze uitspraak zijn begroot op € 3.856; in alle zaken 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar wij voorraad; 3.
- wijst af het meer of anders gevorderde, Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.