Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09576326 / KG ZA 19/614 Vonnis in kort geding van 18 september 2019 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser, advocaat mr. V.A. Groeneveld te Amsterdam, tegen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de door de Staat gedaagde overgelegde producties; - de op 28 augustus 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. 2.2. Bij uitleveringsverzoek van 10 november 2015 (ontvangen door de Nederlandse autoriteiten op 17 juni 2016) hebben de Turkse autoriteiten om uitlevering van [eiser] gevraagd in verband de tenuitvoerlegging van twee vonnissen met betrekking tot opzettelijke mishandeling. De vonnissen zijn uitgesproken bij afwezigheid van [eiser] en zijn advocaat. De Turkse autoriteiten hebben de garantie gegeven dat [eiser] op grond van artikel 3 van het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag betreffende Uitlevering de waarborg krijgt van een nieuw proces in Turkije. Het uitleveringsverzoek betreft aldus een verzoek tot uitlevering met het oog op strafvervolging. 2.3. Bij brief van 12 februari 2016 is, voor zover nu relevant, namens de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) als volgt bericht aan de Turkse autoriteiten: “Furthermore I would like to ask your attention for the following. Article 6 of the European Convention on Extradition allows states the possibility to deny extradition of its own nationals. The Dutch declaration to this article states that the Netherlands can only permit the extradition of its nationals for purposes of prosecution if the requesting State provides a guarantee that the person claimed may be returned to the Netherlands to serve his sentence there if, following his extradition, a custodial sentence other than a suspended sentence or a measure depriving him of his liberty is imposed. Concerning the transfer of this sentence the requesting state needs to guarantee that the procedure of article 11 of the Convention on the Transfer of Sentenced Persons will be allowed. I therefore kindly ask you to give me this guarantee and to confirm that you agree with the Dutch conversion of the sentence imposed on Mr [eiser] in accordance with Article 11 of the Convention on the Transfer of Sentenced Persons.” 2.4. Bij diplomatieke nota van 2 mei 2016 hebben de Turkse autoriteiten als volgt bericht, voor zover nu relevant: “(…) The Embassy requests the assistance of the esteemed Ministry in extraditing Mr. [eiser] to Turkey in accordance with the relevant provisions of the European Convention on Extradition of 13 December 1957, and in informing the competent Dutch authorities about the guarantee which was given by the Ministry of Justice of the Republic of Turkey during the consultations in the field of judicial cooperation in September 2012 in Ankara: “The Ministry of Justice of the Republic of Turkey declares that a person whose extradition is requested from the Netherlands in order to be prosecuted or tried in Turkey, shall be sent to the Netherlands within the procedure of transfer of sentenced persons, where any criminal sanction requiring the deprivation of liberty was imposed upon him and became final after his extradition to Turkey and the conditions set out in the article 3 of Convention on the Transfer of Sentenced Persons are met. As regards such transfer to the Netherlands, the Ministry of Justice of the Republic of Turkey shall consent to the application of procedure of conversion of sentence, which is provided by the article 11 of the Convention.” (…)” 2.5. Bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 maart 2018 is de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. Voor zover nu relevant heeft de rechtbank de Minister geadviseerd na te gaan in welke mate de situatie in Turkije gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen berechting kan plaatsvinden, voor de toegang tot een raadsman, voor de detentieomstandigheden en voor het klachtrecht van artikel 13 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en, indien nodig een garantie te vragen bij de Turkse autoriteiten voor de naleving hiervan conform de standaarden van het EVRM. 2.6. Het cassatieberoep van [eiser] tegen voormelde uitspraak van 2 maart 2018 is door de Hoge Raad bij arrest van 6 november 2018, onder verwijzing naar artikel 81, eerste lid van de Wet op de rechterlijke organisatie, verworpen. 2.7. Naar aanleiding van verzoeken van de Minister om informatie en garanties in het kader van de uitleveringsverzoeken van diverse personen hebben de Turkse autoriteiten bij brieven van 3 februari 2017 en 24 maart 2017 verschillende garanties gegeven voor de bejegening van opgeëiste personen. Bij schrijven van 6 mei 2019 hebben de Turkse autoriteiten verklaard dat die garanties ook van toepassing zijn op [eiser] . 2.8. Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] toegestaan. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven: primair: de Staat te bevelen hem niet aan Turkije uit te leveren en zijn hechtenis op te heffen; subsidiair: de Staat te bevelen de feitelijke uitlevering aan te houden en de Turkse autoriteiten te verzoeken om een nieuwe garantie ex artikel 4 lid 2 van de Uitleveringswet (Uw), tenminste inhoudende dat expliciet wordt erkend dat [eiser] Nederlands staatsburger is en dat hij na het onherroepelijk worden van een eventuele vrijheidsbenemende straf op zijn verzoek aan Nederland zal worden teruggeleverd, waarbij [eiser] pas kan worden uitgeleverd na ontvangst van zo’n ondubbelzinnige garantie; met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. 3.2. Daartoe voert [eiser] – kort samengevat – het volgende aan. De Minister handelt onrechtmatig jegens [eiser] door de uitlevering aan Turkije toe te staan. Een afdoende terugkeergarantie als bedoeld in artikel 4 lid 2 Uw ontbreekt. Daarnaast is er sprake van een dreigende flagrante schending van de mensenrechten van [eiser] , met name de rechten bedoeld in artikel 3 en 6 EVRM, waartegen naar verwachting geen “effective remedy” als bedoeld in artikel 13 EVRM open zal staan. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil Vooraf 4.1. Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. 4.2. Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277). Terugkeergarantie 4.3. Op grond van artikel 4, lid 2 Uw wordt een Nederlandse onderdaan alleen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek uitgeleverd als gewaarborgd is dat hij, mocht hij in de verzoekende Staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf worden veroordeeld, deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De vraag of een dergelijke terugkeergarantie toereikend is, is ter beoordeling aan de Minister. 4.4. [eiser] stelt dat voor hem een afdoende terugkeergarantie ontbreekt. Hij voert daartoe aan dat hij zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit heeft. In het Turkse uitleveringsverzoek en de bijlagen daarbij wordt [eiser] echter consequent aangeduid als (alleen) Turks onderdaan. Turkije draagt eigen onderdanen niet over aan het buitenland, noch in het kader van uitlevering, noch in het kader van teruglevering. Het is staande praktijk dat de Turkse autoriteiten Nederlanders die tevens de Turkse nationaliteit bezitten allereerst behandelen als Turkse onderdanen. In het licht daarvan moet een door Turkije gegeven terugkeergarantie ‘spijkerhard’ zijn, aldus nog steeds [eiser] . De brief van 2 mei 2016 bevat volgens [eiser] geen spijkerharde terugkeergarantie. Er wordt slechts verwezen naar een garantie van het Turkse Ministerie van Justitie gedaan tijdens “the consultations in the field of judicial cooperation in September 2012 in Ankara”, maar de brief bevat geen op [eiser] toegesneden garantie. De garantie wordt bovendien uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de vraag of aan de voorwaarden van artikel 3 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) is voldaan, terwijl niet expliciet in de brief staat dát aan die voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden van dat artikel is dat de gevonniste persoon kan worden overgebracht als hij onderdaan is van de Staat waar het vonnis dan ten uitvoer zal worden gelegd (Nederland). Het is echter allerminst duidelijk of de Turkse autoriteiten [eiser] beschouwen als Nederlandse onderdaan en derhalve of zij zullen vinden dat aan de voorwaarden van artikel 3 VOGP is voldaan. 4.5. De vraagtekens die [eiser] heeft gezet bij de waarde van de Turkse terugkeergarantie kunnen niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de terugkeergarantie volstaat. Dit wordt niet anders doordat er in de terugkeergarantie staat dat er aan de voorwaarden van artikel 3 VOGP moet zijn voldaan. Deze voorwaarden omvatten meer dan uitsluitend de vereiste dat de gevonniste persoon onderdaan is van de Staat waar het vonnis dan ten uitvoer zal worden gelegd (onder meer over onherroepelijkheid van het vonnis en duur van de resterende straf) en [eiser] komt ook alleen voor terugkeer naar Nederland in aanmerking als blijkt dat aan al deze voorwaarden is voldaan, hetgeen thans nog niet te beoordelen is. 4.6. Dat Turkije uiteindelijk zal stellen dat [eiser] slechts Turks onderdaan is en op grond daarvan geen teruglevering zal toestaan is niet aannemelijk geworden. Dit kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Turkse autoriteiten telkens alleen melding maken van de Turkse nationaliteit van [eiser] en niet benoemen dat hij tevens de Nederlandse nationaliteit heeft. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de brief van 2 mei 2016 waarin de terugkeergarantie wordt gegeven een reactie is op de brief van de Minister van 12 februari 2016, waarin uitdrukkelijk vanwege de Nederlandse nationaliteit van [eiser] om een terugkeergarantie wordt gevraagd. [eiser] stelt weliswaar dat uit de brief van 2 mei 2016 niet blijkt dat het om een reactie op de brief van 12 februari 2016 gaat, maar – zoals de Staat terecht stelt – niet valt in te zien dat en waarom de Turkse autoriteiten zich zonder enige aanleiding uit zouden laten over een terugkeergarantie. Nu de bij brief van 2 mei 2016 gegeven terugkeergarantie aldus moet worden gezien als een reactie op de brief van 12 februari 2016 en daarin in relatie tot [eiser] wordt verwezen naar in 2012 gemaakte diplomatieke afspraken over terugkeergaranties, volstaat deze. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat die diplomatieke afspraken juist betrekking hebben op de door [eiser] aan de orde gestelde houding van Turkije ten aanzien van Nederlanders die tevens de Turkse nationaliteit bezitten. Eerst in 2012 heeft Turkije de bereidheid uitgesproken ten aanzien van verdachten met zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit een terugkeergarantie af te geven. Gezien het in uitleveringszaken geldende vertrouwensbeginsel moet er vervolgens ook vanuit worden gegaan dat Turkije deze terugkeergarantie ook na zal komen. Schending artikel 3, 6 en 13 EVRM 4.7. Met betrekking tot het beroep van [eiser] op schending van artikel 3, 6 en 13 EVRM stelt de voorzieningenrechter voorop dat in de gevallen waarin – zoals hier het geval is – zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Dit vertrouwen brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering alleen dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.