RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/2800 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en Hoogheemraadschap van Rijnland; Dijkgraaf en hoogheemraden, verweerder (gemachtigde: mr.drs. E.W. ten Heuw). Procesverloop Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het Projectplan Kadeverbetering Veenderpolder vastgesteld. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 20/2800). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknr. SGR 20/2797). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Eiser is verschenen, vergezeld van [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van O.A. van Logchem. Ter zitting heeft eiser het door hem ingediende verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. De rechtbank heeft het onderzoek op 26 augustus 2020 heropend en verweerder verzocht om te reageren op door eiser overgelegde nadere stukken. Verweerder heeft bij brief van 28 augustus 2020 een reactie ingediend. Bij brief van 9 september 2020 heeft eiser hierop gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. Overwegingen 1.1 Uit verplichte veiligheidstoetsingen, die in april 2011 zijn uitgevoerd, is gebleken dat een aantal kades van de Veenderpolder in de gemeente Kaag en Braassem niet voldoet aan de normering die de provincie Zuid-Holland heeft opgesteld. Om de functie van de kades, namelijk het keren van water, weer op het vereiste niveau te brengen, worden ze opgehoogd met grond. Voor de ligging wordt zoveel mogelijk de huidige locatie in de legger gehandhaafd. 1.2 Eiser woont in [adres 1] aan de te verbeteren kadevakken [nummer 1] en [nummer 2] aan de [adres 2] [nummer 3] te [plaats] . Op de locatie van eiser zijn bomen aanwezig die zijn beoordeeld op hun effect op de waterveiligheid. Van deze bomen moeten er 86 worden geveld. 2. Het vellen van de bomen is vastgelegd in het bij het bestreden besluit vastgestelde projectplan. Het plan betreft de wijziging van een waterstaatwerk als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet. Eiser heeft een zienswijze tegen het ontwerpbesluit ingediend. 3. Op het bestreden besluit is afdeling 1.2 van de Crisis- en Herstelwet (Chw) van toepassing, omdat artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet is genoemd in categorie 7.3 van bijlage I bij de Chw. 4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet, is -voor zover van belang- de toepassing van deze wet gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen. In artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1 van de Waterwet is bepaald dat onder 'waterstaatswerk' een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk wordt verstaan. Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet dient de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder te geschieden overeenkomstig een door hem vast te stellen projectplan. Op grond van het tweede lid bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. 5.1 Op grond van het projectplan worden de volgende aanpassingen aan het waterstaatwerk uitgevoerd: - het plaatselijk verhogen van de kruin van de kade met klei; - het plaatselijk versterken van het binnentalud door middel van het ophogen van het binnentalud met klei en lokaal het aanbrengen van een steunberm om voldoende tegendruk te geven. Kadevak [nummer 1] wordt blijkens tabel 2, opgenomen in paragraaf 4.3.1 van het bestreden besluit, opgehoogd tot NAP + 0,30 meter en kadevak [nummer 2] tot NAP + 0 meter. 5.2 In paragraaf 5 van het bestreden besluit is vermeld dat bij eisers perceel het toepassen van ‘maatwerk’ nodig is om een kadeverbetering uit te kunnen voeren en tegelijkertijd rekening te houden met zwaarwegende belangen voortkomend uit bestaande situaties. Voor de ligging van de waterkering wordt zoveel mogelijk de huidige locatie, zoals vastgelegd in de legger, gehandhaafd. Op deze locatie zijn bomen aanwezig die een risico vormen voor de waterkering. Daarom worden de bomen beoordeeld op hun effect op de waterveiligheid. Deze beoordeling is onderverdeeld in de onderstaande drie categorieën. 1. Beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland; 2. Beoordeling op basis van waterveiligheid; 3. Beoordeling voor de uitvoering. Met deze drie categorieën tezamen als uitgangspunt is een beoordelingswijze vastgesteld om zoveel mogelijk bomen te behouden, maar wel de waterveiligheid te garanderen. Hierbij is het uitgangspunt dat als ontgrondingskuilen ontstaan als gevolg van het omvallen van een boom, daar tussenin voldoende kadelichaam over moet blijven om de waterkerende functie te garanderen. Dit wordt onderschreven in de ‘’Leidraad toetsen op veiligheid van regionale waterkeringen 2015’’. Dit komt overeen met een breedte van 1,5 meter op ingreepmaathoogte. Met deze methode is een 5,5 meter brede strook tussen de bomen nodig. Alle bomen binnen deze strook moeten gekapt worden. Waar de beschikbare strook grond minder dan 5,5 m breed is, moeten alle bomen gekapt worden. Op basis van onderzoek naar de bomen en de hoogtesituatie is een advies voor de ligging van de waterkering vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met: - Het behoud van zoveel mogelijk bomen; - Een voorkeur voor het behoud van dikke beeldbepalende bomen langs de waterlijn boven het behoud van dunne, minder beeldbepalende bomen en opschot; - Het aanbrengen van zo weinig mogelijk materiaal voor de te realiseren ophoging om het risico op ongewenste zettingen te minimaliseren; - Voldoende afstand tussen de ophoging en de bebouwing om het risico op verzakking van de panden te beperken en problemen met de waterhuishouding te minimaliseren; - De locatie van de waterkering niet geheel in de schaduw van de bomen situeren om het gras de mogelijkheid te geven te groeien. 5.3 In paragraaf 5.3 van het bestreden besluit is aangegeven dat de maatwerkoplossing erin voorziet dat conform de methode in paragraaf 5.2 een zone van 5,5 meter breed is toegepast. Deze zone bevindt zich op een locatie, waarbij zoveel mogelijk bomen behouden kunnen worden. Hierbij geldt tevens dat de ophoging zo ver mogelijk van de bebouwing af staat, zodat het risico op schade door de ophoging beperkt blijft. Alleen de bomen die zich op het buitentalud bevinden moeten gekapt worden, die op het binnentalud staan kunnen behouden blijven. 6.1 Eiser voert primair aan dat de waterkering op de oude locatie moet blijven liggen, waarbij hij buiten het erf om liep. Eiser verwijt verweerder dat hij heeft verzuimd om hem, als belanghebbende, op de hoogte te brengen van het voornemen de waterkering om te leggen, terwijl dit voor hem verregaande consequenties heeft. 6.2 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het vaststellen van een projectplan beleidsvrijheid toekomt. Daarbij is het aan verweerder om alle verschillende bij het projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient bij de toetsing van het projectplan aan de hand van de aangevoerde gronden, zich te beperken tot de vraag of verweerder, binnen de doelstellingen van de Waterwet, in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit tot vaststelling van het projectplan. Dat betekent dat de rechtbank de gemaakte keuzes marginaal dient te toetsen. Een en ander laat onverlet dat verweerder zijn besluitvorming zorgvuldig dient voor te bereiden en deugdelijk dient te motiveren. Verweerder dient de belangen van de ingelanden op een kenbare wijze bij de besluitvorming te betrekken en af te wegen tegen het algemene veiligheidsbelang. 6.3 In hoofdstuk 8 “Reactie zienswijze” van het bestreden besluit wordt vermeld dat met eiser een lang traject is doorlopen om, rekening houdend met zijn belangen, te bezien of de kade ‘achterlangs’- buiten zijn erf om - gelegd kon worden. Er is echter gebleken dat het fysiek niet mogelijk is om de kade achter het erf langs te laten lopen. Verder wordt vermeld dat uit de legger blijkt dat de kering voorlangs (aan de kant van het water) is gesitueerd. 6.4 In de brief van 28 augustus 2020 heeft verweerder toegelicht dat de ligging van de waterkering de afgelopen eeuwen een aantal keer is gewijzigd. Uit oude legger- en keurkaarten uit de archieven van Rijnland blijkt dat de kering zowel buitenom als achter [adres 1] gelegen heeft. Op een kaart uit 1793 is de kering zelfs én ‘binnendoor’ én ‘buitenom’ gesitueerd. In 1858 lag de kering alleen binnendoor en in 1912 ligt de kering buitenom. Uit een kaart uit 1980 van Waterschap de Oude Veenen (een rechtsvoorganger van Waterschap de Oude Rijnstromen) blijkt de kering binnendoor te zijn gesitueerd. Op een kaart van oktober 1995 is de kering buitenom gesitueerd. Ook in 2000 is dat het geval. In 2011 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland de ‘Legger regionale keringen’ vastgesteld waarin de kering eveneens, zoals ook verbeeld in het projectplan, buitenom is gesitueerd. 6.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt dat de ligging van de waterkering buitenom is gesitueerd daarmee voldoende onderbouwd. Dat de ligging in het verleden anders is geweest en dat eiser daar de voorkeur aan geeft, kan daar niet aan af doen, nu de legger in deze bepalend moet worden geacht. Van een wijziging in de ligging van de waterkering in het projectplan, zoals eiser suggereert, is dan ook geen sprake geweest. 7.1 Eiser heeft om de bomen, die beeldbepalend zijn en natuurwaarden bezitten, te behouden diverse alternatieven voorgesteld, maar verweerder heeft daar nimmer op gereageerd. Eiser betoogt dat hijzelf prima in staat is om te voorkomen dat de bomen een risico voor de veiligheid van de waterkering vormen. Volgens eiser biedt de waterkering op de huidige plaats bovendien voldoende veiligheid, doordat zijn erf 80 meter breed is. 7.2 Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder bij de keuze voor een alternatief een afweging te maken van alle daarbij betrokken belangen. Verweerder heeft hierbij beleidsruimte. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1870). 7.3 Het beleid in de keur van Rijnland (artikel 3.2, tweede lid, sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.