RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/3686 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2020 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser, en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2020 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2020 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat de uitkering niet wordt betaald, omdat eiser door zijn eigen schuld werkloos is geworden. Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 10 maart 2020 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 20 april 2020 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- In artikel 6:5, eerste lid, van de Awb, is onder meer bepaald dat het bezwaarschrift moet worden ondertekend.
- In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
- Bij brief van 16 maart 2020 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift van 10 maart 2020 bevestigd. In dit schrijven heeft verweerder eiser tevens meegedeeld dat zijn bezwaarschrift niet compleet is omdat het niet is ondertekend. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld dit uiterlijk 13 april 2020 alsnog te doen. Voorts heeft verweerder meegedeeld dat indien te laat wordt gereageerd, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Bij schrijven van 17 april 2020, ingekomen bij verweerder op 20 april 2020, heeft eiser nogmaals een brief gestuurd naar verweerder waarin hij zijn bezwaar uiteenzet.
- Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser heeft verzuimd om binnen de daarvoor gegeven termijn zijn eerder ingediende bezwaarschrift alsnog te ondertekenen. Ook heeft hij niet om uitstel gevraagd ten einde het verzuim te herstellen. In zo’n geval kan verweerder besluiten om het bezwaar niet inhoudelijk te behandelen. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het een incompleet bezwaar toch in behandeling neemt.
- In beroep heeft eiser aangevoerd in het verleden wel vaker in de problemen te zijn geraakt. Hij heeft daarbij geen enkele hulp van hulpverleners of van zijn familie willen of kunnen vragen. Eiser is niet in staat zijn eigen handelen te overzien. De familie denkt dat eiser last heeft van een psychische stoornis. Inmiddels is eiser aangemeld bij de GGZ. Eiser heeft de brief van 16 maart 2020 niet geopend, zodat hij zijn verzuim niet kon herstellen. Op 17 april 2020 heeft eiser een handgeschreven brief geschreven waarin nogmaals bezwaar wordt gemaakt.
- De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die eiser aanvoert voor verweerder geen aanleiding hoefden te zijn om het bezwaar inhoudelijk te behandelen. Niet valt in te zien dat eiser, ondanks de door hem geschetste problemen, redelijkerwijs niet in staat is geweest om een door hem zelf opgesteld bezwaarschrift alsnog van een handtekening te voorzien. Dat eiser de brief van verweerder van 16 maart 2020 niet heeft geopend komt voor zijn risico.
- Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hieruit volgt dat het beroep kennelijk ongegrond is.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van F.J.M. van den Berg griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.