vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/584654 / HA ZA 19-1249 Vonnis van 25 november 2020 in de zaak van 1 [de V.O.F.] te [plaats] , 2. [eisende partij sub 2] te [plaats] , 3. [eisende partij sub 3] te [plaats] , eisers, advocaat mr. C.A.P. Schröder te Heerlen, tegen LOGICX MOBILITEIT B.V. te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk, Zuid-Holland. Eisende partijen worden hierna tezamen [de V.O.F.] genoemd en gedaagde partij Logicx. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 25 november 2019 met producties; de conclusie van antwoord met producties; het vonnis van 22 juli 2020 waarin partijen is verzocht een keuze te maken voor het voortzetten van de procedure; - de rolbeschikking van 5 augustus 2020 waarin is bepaald dat de procedure – in verband met de vanwege COVID-19 door de rechtspraak getroffen maatregelen en overeenkomstig de eenstemmige keuze van partijen – schriftelijk (zonder mondelinge behandeling) zal plaatsvinden; de schriftelijke toelichting namens [de V.O.F.] ; de schriftelijke toelichting namens Logicx. 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [de V.O.F.] voert takel- en bergingswerkzaamheden uit. Deze takel- en bergingswerkzaamheden voert zij al gedurende lange tijd uit voor Logicx, een 100% dochteronderneming van de ANWB. 2.2. Op 4 april 2006 hebben [de V.O.F.] en Logicx hun relatie geformaliseerd en een schriftelijke mantelovereenkomst transport, berging, sleephulp en vervangend vervoer gesloten (hierna de mantelovereenkomst). De mantelovereenkomst is met ingang van 1 mei 2006 voor onbepaalde tijd aangegaan en bepaalt onder meer dat iedere partij de mantelovereenkomst kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. 2.3. Gedurende een lange periode voerde [de V.O.F.] ook takel- en bergingswerkzaamheden uit in directe opdracht van de politie in de [Regio 1] . Op enig moment heeft de politie het verrichten van takel- en bergingswerkzaamheden landelijk aanbesteed. Logicx heeft de aanbesteding gewonnen en heeft met de politie een overeenkomst gesloten voor het verrichten van takel- en bergingswerkzaamheden in Nederland met een looptijd van twee jaar, twee maal te verlengen met één jaar (hierna het aanbestedingscontract). Het aanbestedingscontract is aangevangen op 1 februari 2013. 2.4. Omdat Logicx de takel- en bergingswerkzaamheden niet zelf voor heel Nederland kon uitvoeren, heeft zij onderaannemers gecontracteerd. Met [de V.O.F.] heeft zij een addendum op de mantelovereenkomst gesloten voor het exclusief verrichten van takel- en bergingswerkzaamheden ten behoeve van de politie in de [Regio 1] (hierna het addendum). Het addendum heeft een zelfde aanvangstijdstip als het aanbestedingscontract, 1 februari 2013 en een duur van twee jaar, twee keer te verlengen met een jaar. 2.5. In het addendum is – voor zover relevant – opgenomen: “Artikel 6 Kwaliteitseisen. Berger is 100% beschikbaar 24 uur/dag 7 dagen/week voor de werkzaamheden vermeld in de onderhavige Addendum en voldoet aan de beschreven KPI’s (Bijlage 2: Kritische Prestatie Indicatoren (KPI) en boete clausule.) Daarnaast beschikt Berger over de vereiste kwaliteitscertificaten, d.w.z. een geldig Stichting Incident Management certificaat dan wel een vergelijkbaar bewijsstuk. Een dergelijk bewijsstuk dient door Logicx geaccordeerd te zijn. Gedurende de looptijd van dit Addendum zal Berger op eerste verzoek het certificaat/bewijsstuk doen toekomen. (…) Gezien de aard van de werkzaamheden waarop dit Addendum betrekking heeft kan Logicx alleen zaken doen met bedrijven waarvan geen enkele twijfel bestaat omtrent hun integriteit. (…) 2.6. [de V.O.F.] is eigenaar van een terrein in [plaats] aan [adres 1] . Een gedeelte van dit terrein heeft zij verhuurd aan [X] . De eigenaar van [X] is in het verleden in aanraking geweest met politie en justitie. Naar aanleiding van signalen van de politie heeft [de V.O.F.] voor de uitvoering van de werkzaamheden onder het addendum vanaf 1 augustus 2014 geen gebruik (meer) gemaakt van het terrein aan [adres 1] maar heeft zij hiervoor een terrein aan de [adres 2] gehuurd. 2.7. Net als het aanbestedingscontract is het addendum op 1 februari 2015 en 1 februari 2016 met een jaar verlengd. Deze laatste verlenging heeft Logicx aan [de V.O.F.] meegedeeld in een brief van 22 december 2015. In deze brief is onder meer het volgende vermeld: “Wij kunnen u nu verheugd en met gepaste trots mededelen dat de Politie over het algemeen zeer tevreden is met de samenwerking met Logicx en dus ook met u, waarvoor onze dank. VTS Politie wil dan ook graag de bestaande overeenkomst met Logicx, onder gelijkluidende voorwaarden, met een jaar verlengen. Wij willen dan ook graag onze (goede) samenwerking met u, op dit gebied continueren en van de optie gebruik maken om het Addendum nogmaals met 1 jaar te verlengen tot 1 februari 2017.” 2.8. Op enig moment heeft de politie [de V.O.F.] gevraagd wie de eigenaar was van voertuigen gestald op het terrein aan [adres 1] . De betreffende voertuigen waren gestald op het gedeelte van het terrein dat [de V.O.F.] had verhuurd aan [X] . Dit heeft [de V.O.F.] aan de politie verteld. 2.9. Op 12 juli 2016 heeft de heer [A] van Logicx mondeling aan [de V.O.F.] medegedeeld dat Logicx per direct geen gebruik meer mocht maken van de dienstverlening van [de V.O.F.] . Vanaf dat moment heeft Logicx geen gebruik meer gemaakt van deze dienstverlening van [de V.O.F.] . 2.10. In een brief aan de politie [Regio 2] van 22 juli 2016 heeft [de V.O.F.] hierover onder meer het volgende geschreven: “Toen we vroegen om een opgaaf van reden, werd ons gezegd dat Logicx die niet te horen had gekregen van de politie. Voor de opgaaf van reden moesten we ons melden bij de politie. Dat doen we dan ook middels dit schrijven.” 2.11. Na een rappel van [de V.O.F.] van 22 september 2016 heeft de politie, eenheid [xx] , [de V.O.F.] bij brief van 5 december 2016 onder meer geantwoord dat tussen haar en [de V.O.F.] geen contractuele relatie bestaat en dat de politie buiten de contractuele aanspraken tussen Logicx en [de V.O.F.] staat. Het bevreemdde de politie dan ook dat [de V.O.F.] zich had gewend tot de politie: het is Logicx die de relatie met [de V.O.F.] heeft beëindigd, of dit is gedaan op verzoek van de politie, achtte de politie niet relevant. Wel heeft de politie nog het volgende in de brief opgenomen: “Alhoewel een directe contractuele relatie tussen [de V.O.F.] en de politie ontbreekt, kan redelijkerwijs niet ter discussie worden gesteld dat de onderhavige aanspraak haar oorsprong vindt in het nakomen van een overeenkomst tussen Logicx en de politie, waarbij [de V.O.F.] in opdracht van Logicx werkt. Op grond van bij de politie bekende informatie zijn u enkele vragen gesteld waarop u onvoldoende antwoordde. Zo kon u niet beantwoorden dat u niet wist wie de eigenaar/bezitter was van enkele voertuigen op uw terrein; wel gaf u aan dat het terrein verhuurd was. Overheidsdiensten – waaronder de politie – beschermen zich tegen het risico dat activiteiten waarbij de geringste twijfel aan integriteit is, worden gefaciliteerd in hun taken en in hun civielrechtelijke rol als contractspartij bij aanbestedingen en andere verbintenissen. Dit is een onvoorziene omstandigheid die pas naar voren kwam in de periode vóór de beëindiging van de overeenkomst; naar redelijkheid en billijkheid kan de politie dan ook niet de ongewijzigde uitvoering van de overeenkomst met Logicx verlangen en is Logicx daarop aangesproken. De politie kan dus bijvoorbeeld Logicx er niet toe bewegen haar besluitvorming terug te draaien.” 2.12. Bij brief van 14 december 2016 aan Logicx heeft de juridisch adviseur van [de V.O.F.] Logicx aansprakelijk gesteld voor contractbreuk. Bij brief van 9 januari 2017 heeft de ANWB namens Logicx onder meer het volgende aan [de V.O.F.] geschreven: “De politie hecht gezien haar maatschappelijke positie sterk aan integriteit, waardoor hiervoor in het addendum met [de V.O.F.] een speciale alinea aan is gewijd, artikel 6 laatste alinea. Er mag geen enkele twijfel bestaan omtrent de integriteit van [de V.O.F.] . (…) Gedurende de duur van het addendum heeft de politie op regelmatige basis het terrein en de werkzaamheden van [de V.O.F.] onderzocht. De politie heeft meerdere malen geconstateerd dat de stalling van [de V.O.F.] niet aan de gestelde eisen voldeed. Gedurende die periodes heeft Logicx maatregelen moeten nemen en kosten moeten maken om aan haar verplichtingen jegens de politie te blijven voldoen. Op 12 juli jl. kreeg Logicx wederom een melding van de politie dat [de V.O.F.] niet aan de eisen voldeed. Logicx kreeg ditmaal echter te horen dat er een onderzoek werd ingesteld naar de integriteit van [de V.O.F.] en dat de samenwerking met [de V.O.F.] direct beëindigd diende te worden. Logicx kreeg op dat moment niet meer informatie, maar was door dit bericht van de politie genoodzaakt direct stappen te ondernemen.” 2.13. Na navraag door de ANWB namens Logicx heeft de politie bij brief van 6 april 2017 onder meer het volgende bericht aan de ANWB geschreven: “Enige nadere onderbouwing van de stelling dat sprake is van twijfel aan de integriteit van [de V.O.F.] is gevraagd. Uit op ambtsedig c.q. ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van opsporingsambtenaren blijkt het redelijke vermoeden dat een personenauto betrokken was bij de handel in harddrugs. Die desbetreffende personenauto is op naam gesteld van de eigenaar dan wel een eigenaar van [de V.O.F.] . Derhalve is voor de politie sprake van integriteitstwijfel; vanwege de positie van politie in de maatschappij kan zij geen zaken doen met bedrijven waarbij reeds sprake is van de geringste twijfel aan integriteit.” 2.14. Op 13 september 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de [eisende partij sub 2] , de juridisch adviseur van [de V.O.F.] , Logicx en de politie. Tijdens dit gesprek heeft de politie [de V.O.F.] verteld dat de aanleiding voor het politie onderzoek een plastic kentekenplaathouder was met daarop de tekst: “ [X] .nl/ […] .nl”. Deze was gemonteerd op een auto rond welke een verdenking was omtrent de betrokkenheid bij een delict. 2.15. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de politie bij brief van 19 september 2017 onder meer het volgende geschreven aan de [eisende partij sub 2] : “De beëindiging vond plaats op uitdrukkelijk aangeven van de politie aan Logicx, gebaseerd op politie informatie. In het gesprek is toegezegd dat de politie u, via uw gemachtigde, een brief zal sturen waarin wordt bevestigd dat politieonderzoek uiteindelijk niet heeft geleid tot strafrechtelijke verdenking tegen u. Met deze brief kom ik aan deze toezegging tegemoet. Géén strafrechtelijke verdachte In een strafrechtelijk onderzoek naar handel in harddrugs is een zakenrelatie van u in beeld gekomen. Vastgesteld is dat sprake was van een herkenbare en structurele samenwerking tussen u beiden, ook voor de buitenwereld. Het onderzoek is afgerond en heeft geleid tot veroordelingen. Dit betekent ook dat het opsporingsbelang zich niet langer meer verzet tegen het informeren van u over uw rol in dat onderzoek. Op basis van de beschikbare informatie bevestig ik u dat tijdens bedoeld onderzoek geen feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die hebben geleid tot een strafrechtelijke verdenking tegen u, uw echtgenote of een rechtspersoon van u. Voor zover op basis van de brief d.d. 6 april 2017 van de politie aan de ANWB, die indruk wel bij u is gewekt valt dit te betreuren. Over de inhoud van die brief stel ik echter vast dat hierin niet met zoveel woorden over een strafrechtelijke verdenking wordt gesproken. Met kennis over de uitkomst van het onderzoek zou de brief wellicht anders zijn geformuleerd. Afrondend hecht ik er aan op te merken dat ook al is geen sprake van een strafrechtelijke verdenking, de politie om andere redenen niettemin aanleiding kan zien om een samenwerking te (laten) beëindigen.” 3Het geschil 3.1. [de V.O.F.] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. de veroordeling van Logicx – indien en voor zover de rechtbank de door [de V.O.F.] gehanteerde schatting van de omvang van de schade niet voldoende aannemelijk acht – om inzage te geven in en/of afschrift te verstrekken van alle documenten dan wel facturen waaruit volgt hoeveel opdrachten (en van welke omvang) Logicx heeft verstrekt aan derden ten behoeve van takel- en bergingswerkzaamheden in opdracht van de politie in het werkingsgebied [plaats] in de periode van 12 juli 2016 tot 1 februari 2017; II. de veroordeling van Logicx om aan [de V.O.F.] te betalen primair een bedrag van € 99.694,64 inclusief BTW en subsidiair een bedrag van € 19.944,75 inclusief BTW, dan wel een ander in goede jusititie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente; III. de veroordeling van Logicx in de proceskosten. 3.2. [de V.O.F.] legt aan haar vordering primair ten grondslag dat Logicx toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het addendum. Het addendum voorziet niet in een tussentijdse opzegmogelijkheid. Logicx had het addendum niet mogen opzeggen. De opzegging is dan ook onregelmatig en kan worden aangemerkt als wanprestatie. Als gevolg van deze onregelmatige opzegging heeft [de V.O.F.] schade geleden tot een bedrag van € 99.694,64. Deze schade wenst [de V.O.F.] op Logicx te verhalen. Subsidiair legt [de V.O.F.] artikel 7:411 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan haar vordering ten grondslag. Dit artikel bepaalt dat indien een overeenkomst van opdracht eindigt voordat de opdracht is volbracht en de beëindiging aan de opdrachtgever is toe te rekenen en dit redelijk is, de opdrachtnemer recht heeft op het volle loon. Omdat Logicx de overeenkomst onregelmatig heeft beëindigd naar aanleiding van berichtgeving van de politie die achteraf onjuist bleek en [de V.O.F.] vastzit aan huurkosten van de gehuurde loods, is betaling van het volle loon redelijk. 3.3. Logicx betwist dat zij het addendum heeft opgezegd en dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het addendum. Zij verweert zich met de stelling dat artikel 6 van het addendum meebrengt dat zij in geval van twijfel aan de integriteit van [de V.O.F.] gerechtigd is om haar verplichting om voor takel- en bergingswerkzaamheden ten behoeve van de politie in de [Regio 1] exclusief gebruik te maken van de diensten van [de V.O.F.] op te schorten. Ook verweert Logicx zich met de stelling dat de tekortkoming haar niet is toe te rekenen zodat zij niet gehouden is schade te vergoeden. Tenslotte betwist Logicx de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling duur van het addendum 4.1. Op grond van artikel 12 van het addendum is het addendum met ingang van 1 februari 2013 ingegaan voor de duur van twee jaar waarna het met twee maal een jaar, en derhalve tot 1 februari 2017, kon worden verlengd. Omdat het addendum bij brief van 22 december 2015 is verlengd tot 1 februari 2017, is het uitgangspunt dat het addendum voortduurde tot 1 februari 2017. tekortkoming Logicx 4.2. Op grond van artikel 1 van het addendum zijn in het addendum afspraken vastgelegd met betrekking tot de uitvoering van de takel- en bergingswerkzaamheden die Logicx uitbesteedt in het kader van het aanbestedingscontract ten behoeve van de politie. Op grond van artikel 4 van het addendum garandeert Logicx 100% exclusiviteit voor [de V.O.F.] met betrekking tot die takel- en bergingswerkzaamheden in de [Regio 1] . 4.3. Vaststaat dat Logicx op 12 juli 2016 mondeling aan [de V.O.F.] heeft medegedeeld dat Logicx vanaf dat moment geen gebruik meer mocht maken van de dienstverlening van [de V.O.F.] . Bovendien staat vast dat Logicx vanaf dat moment ook geen gebruik meer heeft gemaakt van de dienstverlening van [de V.O.F.] . Ook staat vast dat Logicx vanaf dat moment gebruikt heeft gemaakt van een derde om de door de politie aan haar opgedragen takel- en bergingswerkzaamheden in de [Regio 1] te verrichten. 4.4. [de V.O.F.] stelt dat Logicx het addendum op 12 juli 2016 heeft opgezegd. Logicx stelt dat zij het addendum niet heeft opgezegd maar dat zij haar verplichting om gebruik te maken van de dienstverlening van [de V.O.F.] vanaf dat moment heeft opgeschort. De rechtbank is van oordeel dat, omdat in het addendum niet is voorzien in een tussentijdse opzegmogelijkheid, opzegging van het addendum niet mogelijk was. Het antwoord op de vraag of Logicx heeft opgezegd of opgeschort kan evenwel in het midden blijven. Immers, de vraag die moet worden beantwoord is de vraag of Logicx in de periode tussen 12 juli 2016 tot 1 februari 2017 voor opdrachten van de politie in de [Regio 1] gebruik had moeten maken van de diensten van [de V.O.F.] . 4.5. Ook het antwoord op de vraag of sprake is van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW kan in het midden blijven. Het antwoord op deze vraag is immers alleen van belang als een tussentijdse opzegging van het addendum uit hoofde van artikel 7:408 lid 1 BW is toegestaan. Partijen zijn echter beiden de mening toegedaan dat artikel 7:408 lid 1 BW toepassing mist. Dat [de V.O.F.] stelt dat artikel 7:408 lid 1 BW niet van toepassing is op grond van artikel 7:400 lid 2 BW en Logicx stelt dat artikel 7:408 lid 1 BW niet aan de orde is omdat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht, is in dit verband irrelevant. uitleg laatste alinea artikel 6 van het addendum 4.6. Logicx stelt dat zij gelet op de laatste alinea van artikel 6 van het addendum gerechtigd was haar verplichting om voor de takel- en bergingswerkzaamheden ten behoeve van de politie in de [Regio 1] gebruik te maken van de diensten van [de V.O.F.] op te schorten. Volgens Logicx geeft de laatste alinea van artikel 6 van het addendum haar de mogelijkheid om bij enige twijfel aan de integriteit van [de V.O.F.] te stoppen met het verlenen van politieopdrachten aan [de V.O.F.] . [de V.O.F.] stelt daartegenover dat dit niet uit de laatste alinea van artikel 6 van het addendum volgt. 4.7. Voor de beantwoording van de vraag of Logicx op 12 juli 2016 mocht stoppen met het geven van opdrachten aan [de V.O.F.] is derhalve de uitleg van artikel 6 van het addendum van belang. Omdat partijen van mening verschillen over de uitleg van de laatste alinea van artikel 6 van het addendum, moet de rechtbank de laatste alinea van artikel 6 van het addendum uitleggen aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Overeenkomstig artikelen 3:33 en 3:35 BW komt het hierbij aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen partijen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Alle concrete omstandigheden van het geval zijn in dit verband van belang, zo nodig aangevuld met dat wat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen. Bij het bepalen van de meest voor de hand liggende uitleg, zijn de bewoordingen van het artikel in beginsel niet doorslaggevend. Wel kan een bepaalde uitleg op grond van de bewoordingen voor de hand liggen en aannemelijk zijn. Ook kan worden gekeken naar de gevolgen waartoe een bepaalde uitleg van een partij leidt en hoe aannemelijk het is dat partijen dit hebben bedoeld. De rechtbank zal aan de hand van dit criterium de betekenis van de laatste alinea van artikel 6 van het addendum bepalen. 4.8. De rechtbank is van oordeel dat de laatste alinea van artikel 6 van het addendum niet zo kan worden uitgelegd dat Logicx op 12 juli 2016 gerechtigd was haar verplichting jegens [de V.O.F.] om voor de werkzaamheden ten behoeve van de politie in de [Regio 1] exclusief gebruik te maken van de diensten van [de V.O.F.] op te schorten. De rechtbank geeft voor deze beslissing de volgende redenen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.