Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/842186-20 Datum uitspraak: 7 december 2020 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 15 juni 2020, 7 september 2020 (allen pro forma) en 23 november 2020 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van der Harg, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. van Dam, naar voren hebben gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: [medeverdachte 1] op of omstreeks 01 januari 2020 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een (onderdeel/gedeelte van) een - in/op een overdekte garage/parkeerplaatsen en/of onder een appartementencomplex geparkeerd staande - (personen)auto (merk: Fiat, kenteken: [kenteken] ), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die auto en/of zeven andere auto's en/of een of meer andere vervoermiddelen en/of een gedeelte van het plafond van die garage en/of een gedeelte van het bovenliggende appartementencomplex en/of andere goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan - gemeen gevaar voor de overige in/op die garage/parkeerplaats geparkeerd staande auto's en/of andere vervoermiddelen en/of dat appartementencomplex en/of andere goederen in die garage/parkeerplaats en/of dat appartementencomplex, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of - levensgevaar voor de zich in dat appartementencomplex bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of - gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in dat appartementencomplex bevindende personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was bij en/of tot het plegen van welk vorenomschreven misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 01 januari 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met zijn mededader(s), althans alleen, die [medeverdachte 1] de toegang tot dat appartementencomplex en/of die garage/parkeerplaats te verschaffen; 3Vrijspraak 3.1 Inleiding Op 1 januari 2020 is een Fiat Punto in brand gestoken. Deze Fiat Punto bevond zich onder een flat aan [adres 2] in Den Haag. Door de brandstichting van de Fiat Punto zijn verschillende andere voertuigen in brand geraakt. Er is een rookkolom ontstaan, waardoor bewoners van de flat halsoverkop hun appartement moesten verlaten. Sommige bewoners konden door de rookontwikkeling niet zelf de woning verlaten, maar moesten door de brandweer daaruit worden gered. Door de brand is, naast de voertuigen, de flat beschadigd geraakt, was er brand- en rookschade in enkele appartementen en zijn verschillende bewoners in een ziekenhuis behandeld aan hun luchtwegen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de brand heeft gesticht. Om bij de Fiat Punto te komen diende hij in de afgesloten parkeerplaats onder de flat te komen. De verdachte woont in de flat waar de garage bij hoort. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft de verdachte gebeld en hem gevraagd naar buiten te komen. De verdachte heeft [medeverdachte 1] vervolgens toegang tot de parkeerplaats c.q. garage verschaft. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend kan bewezen worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de brandstichting van de Fiat Punto. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnota, zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Op specifieke standpunten van de verdediging zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is nodig dat bewezen kan worden dat de verdachte opzet had op het misdrijf zelf én op zijn behulpzaamheid daarbij. De verdachte heeft bekend dat hij de deur van de garage heeft geopend voor [medeverdachte 1] . De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte ten tijde van openen van de deur wist dat [medeverdachte 1] het opzet had om de Fiat Punto in de brand te steken. De verdachte heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 2] is gebeld om naar buiten te komen. Hij trof hem buiten, samen met [medeverdachte 1] . Zij vroegen hem de deur van de garage open te maken. De verdachte dacht dat beide medeverdachten in de garage wilden chillen. Hij verklaarde dat hij niet wist wat er ging gebeuren en dat hij naar huis is gegaan nadat hij de deur had geopend. De rechtbank is van oordeel dat enkel het bovenstaande onvoldoende is om (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het misdrijf, de brandstichting van de Fiat Punto, te bewijzen. Het dossier bevat geen informatie waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist of kon weten dat [medeverdachte 1] , nadat de verdachte de deur van de garage voor hem geopend had, de Fiat Punto in brand zou steken. Hoewel [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard rekening gehouden te hebben met de mogelijkheid dat [medeverdachte 1] brand zou stichten (‘iets met een vuurtje’) kan niet eenduidig afgeleid worden of de verdachte ten tijde van het openen van de deur dit wist. Immers onduidelijk is wanneer [medeverdachte 1] “Ik ga zijn auto pakken.” zou hebben gezegd en of de verdachte daarbij aanwezig was. Er kan daarom niet bewezen worden dat de verdachte ten tijde van het openen van de deur opzet had op het behulpzaam zijn bij de brandstichting van de Fiat Punto. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde. 4De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel 4.1 De vorderingen De volgende personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van: [benadeelde 1] : € 7.375,87,-, bestaande uit € 5.375,87 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. [benadeelde 2] : € 7.478,-, bestaande uit € 5.478,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. [benadeelde 3] : € 150,-, bestaande uit materiële schade. [benadeelde 4] : € 12.569,17, bestaande uit € 9.569,17 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. [benadeelde 5] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade. [benadeelde 6] : € 3.500,- bestaande uit immateriële schade. [benadeelde 7]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.