RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 20/5320 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige in de zaak tussen [eiser], eiser, gemachtigde: mr. M.S. Yap, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. E. van Hoof. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 juni 2020 (het bestreden besluit). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november
- Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam] (hierna: referente). Overwegingen
- Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Op 3 januari 2019 heeft referente ten behoeve van eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 EVRM’. Bij besluit van 9 mei 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
- Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en dat hij op grond van artikel 17 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet in aanmerking komt voor vrijstelling. Verweerder stelt dat eiser en referente niet hebben aangetoond dat er sprake is van een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Er is dus geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
- Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Er is geen sprake van summiere verklaringen en onvoldoende bewijsstukken. Het had op de weg van verweerder gelegen om aan te geven wat er ontbreekt. Verder heeft verweerder de bewijsstukken op een verkeerde wijze geïnterpreteerd en gewogen. De gemeente verleent geen medewerking aan het inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP). Ten aanzien van het paspoort en de ongehuwdverklaring is sprake van vicieuze cirkel doordat het paspoort is ingenomen door de Nederlandse autoriteiten. Eiser is hierdoor niet in staat een nieuw paspoort en een ongehuwdverklaring te verkrijgen bij de Marokkaanse autoriteiten. De verklaringen van de huisarts en de maatschappelijk werker tonen wel degelijk aan dat er sprake is van afhankelijkheid in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tot slot is eiser van mening dat verweerder hem en referente had dienen te horen. De rechtbank overweegt als volgt.
- In geschil is of er tussen eiser en referente sprake is van een reële en in voldoende mate met een huwelijk gelijk te stellen relatie en een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 8 van het EVRM.
- Uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc volgt dat in ieder geval sprake is van familie- of gezinsleven tussen echtgenoten in een reëel huwelijk en tussen partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op één lijn te stellen relatie. Voor dat laatste is vereist dat in voldoende mate invulling wordt gegeven aan het familie- of gezinsleven.
- Vooropgesteld moet worden dat het aan eiser en referente is om de relatie aannemelijk te maken. Verweerder heeft in het besteden besluit terecht gesteld dat eiser en referente met hun verklaringen en foto’s niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een reële en in voldoende mate met een huwelijk op één lijn te stellen relatie onderhouden. Er is immers niet met stukken onderbouwd dat het voor eiser niet mogelijk is om zich in de BRP in te schrijven. Ook is niet met stukken onderbouwd dat pogingen zijn ondernomen om het paspoort van eiser terug te krijgen. Ditzelfde is het geval voor de ongehuwdverklaring, er is niet onderbouwd dat eiser hier niet over kan beschikken. Als gevolg hiervan kan niet worden aangenomen dat eiser bij referente woont en dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. Nu door eiser en referente wordt gesteld dat zij elkaar al lange tijd kennen had verweerder in redelijkheid mogen verwachten dat de relatie nader kon worden toegelicht. Verweerder hoefde geen genoegen te nemen met de summiere verklaringen. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de verklaring van de huisarts weliswaar blijkt dat referente afhankelijk is van mantelzorg, maar niet dat deze zorg door eiser zou moeten worden uitgevoerd. De verklaring van de maatschappelijk werker is niet als objectief aan te merken en ziet maar op een beperkte periode van de gestelde relatie. De verklaring van het participatiehuis en de overgelegde foto’s kunnen ook niet tot een ander oordeel leiden, omdat hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat wel sprake is van een reële en in voldoende mate met een huwelijk gelijk te stellen relatie.
- Nu niet gebleken is van een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiser en referente geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM kan worden aangenomen. Aan een belangenafweging wordt dan ook niet toegekomen.
- Van schending van de hoorplicht is de rechtbank niet gebleken. Gelet op hetgeen eiser in bezwaar tegen het primaire besluit heeft aangevoerd en gezien de inhoud van dat besluit, was op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat de bezwaren van eiser niet konden leiden tot een andersluidend besluit.
- Het beroep is ongegrond.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december
- Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vreemdelingencirculaire 2000.