REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/5627 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van De Bruine Boon B.V., te Leiden, verzoekster (gemachtigde: G.L.M. Teeuwen), tegen de burgemeester van Leiden, verweerder (gemachtigden: mr. J.G.C.B. van Ginneken en mr. M. Atkins). Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2020 heeft verweerder verzoeksters aanvraag van 27 mei 2020 tot het verlenen van een Drank- en Horecawetvergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf aan het adres Stationsweg 1 te Leiden, buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 28 juli 2020 heeft verweerder verzoeksters 2e aanvraag van 6 juli 2020, tot het verlenen van een Drank- en Horecawetvergunning eveneens buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 9 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder voormelde besluiten gewijzigd in die zin dat verzoeksters aanvragen nu (inhoudelijk) worden geweigerd. Verzoekster heeft bij schrijven van 16 oktober 2020 de gronden van het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening aangevuld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2020 middels video-conferentie. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is voor verzoekster verschenen [A] , bestuurder van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
- Verzoekster heeft met een verklaring van de boekhouder getracht te onderbouwen dat er sprake is van financiële nood. De boekhouder heeft de maandelijkse vaste lasten van verzoekster opgesomd, bestaande uit rente, huur en energie. Per 1 oktober 2020 komen daar nog personeelskosten bij. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat de aanvragen al van enige tijd geleden dateren en de vaste lasten al die tijd doorlopen.
- Verweerder heeft zich in de verweerschriften van 14 september 2020 en 12 november 2020 ten aanzien van het spoedeisend belang op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een financiële noodsituatie aangezien er sprake is van nauwe verwevenheid tussen verzoekster en de verkopende partij. Daarmee is verzoekster zelf in staat de dreigende situatie af te wenden door de koopsom niet langer af te lossen. Ter zitting heeft verweerder ook aangegeven dat op dit moment niet is gebleken dat er geen middelen zijn om de vaste lasten te voldoen. Voorts heeft verweerder overwogen dat het spoedeisend belang ontbreekt vanwege de thans nog van kracht zijnde Covid-maatregelen voor de horeca.
- De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Een financieel belang vormt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Vooralsnog is niet aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van verzoekster wordt bedreigd. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoekster met het opsommen van de vaste lasten nog niet inzichtelijk gemaakt heeft dat zij niet langer in staat is deze te voldoen. Overigens kan verzoekster financiële compensatie vorderen van verweerder indien het besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft.
- Tegen deze achtergrond ziet de voorzieningenrechter thans geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat niet is gebleken dat het primaire besluit evident onrechtmatig is.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november
- De griffier is verhinderd te tekenen De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.