← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:12544

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.19886 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 16 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W. Blaauw, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw I. Kaczan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Allereerst voert eiser aan dat er een gebrek aan de ophouding kleeft, omdat aan eiser niet direct bij aankomst op de plaats van verhoor het formulier M122, houdende mededeling van toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw, is uitgereikt. Daarnaast ontbreekt het tijdstip van ophouding. Eiser stelt dat er ten onrechte geen belangenafweging in de maatregel heeft plaatsgevonden en er hierdoor sprake is van een motiveringsgebrek.
  3. Verweerder erkent dat het formulier M122 aanvankelijk niet was uitgereikt, maar stelt dat dit anderhalf uur later, voorafgaand aan het gehoor, wel is gedaan. Dit is ook toegelicht in de maatregel van bewaring. Daarnaast stelt verweerder dat het tijdstip van ophouding blijkt uit het formulier M105 ‘Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding’, namelijk om 18:15 uur.
  4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel een belangenafweging heeft gemaakt onder het kopje ‘Geen M122 bij overname uit strafrechtelijk traject’. Zelfs al zou het later uitreiken van het M122 formulier leiden tot een gebrek in de ophouding, dan voert eiser niet aan hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De bewaringsgronden
  5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden1 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
  6. Eiser betwist de zware gronden onder 3d, 3e en 3f en de lichte grond onder 4e. Ter zitting heeft verweerder de zware gronden onder 3e en 3f laten vallen. De overige bewaringsgronden handhaaft verweerder.
  7. De rechtbank stelt vast dat de onbetwiste gronden voldoende zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en deze gronden kunnen de maatregel dragen. De overige gronden van de bewaring behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
  8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  10. Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 07 december 2020 Documentcode: DSR13456259 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.