← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:12563

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL20.18534 (beroep) en NL20.18535 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: [naam] ), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 november

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is een tolk Arabisch-Syrisch verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en besluitvorming
  2. Eiser heeft op 22 augustus 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
  3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Slowakije een verzoek om terugname gedaan. Slowakije heeft dit verzoek aanvaard. Gronden eiser
  4. Eiser voert aan dat in Slowakije de detentie- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn. Hij heeft verklaard dat hij 29 uur langer zonder eten en drinken is vastgehouden op het vliegveld van [plaatsnaam] . Tijdens de geboeide reis kreeg hij evenmin eten of drinken. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar verschillende uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM overweegt in deze uitspraken dat indien gedetineerden niet van voldoende voedsel worden voorzien, dit in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft verder geen concreet bewijs en doet daarom een beroep op overmacht. Van hem kan in de omstandigheden waarin hij verkeerde niet verlangd worden om nader bewijs te vergaren. Verder voert eiser aan dat de hygiënische omstandigheden in de opvangkampen zeer slecht waren. De kakkerlakken liepen over hem heen. Eiser heeft hiervan een mp4 bestand ingebracht. Eiser wijst op het rapport van het United Nations human Rights Committee. Voorts betoogt eiser dat hij bij overdracht risico loopt op onterechte detentie. Uit de landeninformatie blijkt dat asielzoekers in Slowakije structureel worden gedetineerd. Eiser wijst op het arrest Muminov, waaruit volgt dat – indien verweerder geen tegenbewijs levert – mag worden uitgegaan van de juistheid van de door eiser overgelegde landeninformatie. Tot slot betoogt eiser dat de mogelijkheid om in Slowakije te klagen over de omstandigheden illusoir is vanwege de taalbarrière en het gebrek aan rechtsbijstand. Oordeel rechtbank
  5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat Slowakije op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser.
  6. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen ervan mag uitgaan dat Slowakije zijn verdragsverplichtingen en de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijnen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Slowakije sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
  7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser met de aangehaalde bronnen niet aannemelijk heeft gemaakt dat Slowakije zich niet aan de verdragsverplichtingen of richtlijnen houdt. Uit de door eiser ingebrachte landeninformatie blijkt immers niet dat de asielprocedure aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen heeft. Hieruit volgt evenmin dat vreemdelingen structureel toegang tot rechtsbijstand wordt onthouden.
  8. De uitspraken van het EHRM waarnaar eiser verwijst, kunnen hem niet baten. De uitspraken gaan namelijk niet over Slowakije en het betreffen daarnaast individuele beoordelingen. Het samenstel van factoren en de casuïstiek die aan die onderliggende zaken ten grondslag ligt leent zich niet voor een vergelijking met deze zaak zoals eiser dat wenst te zien.
  9. Hoewel uit de verklaringen van eiser kan worden afgeleid dat sprake is van moeilijke omstandigheden in Slowakije, volgt uit de verklaringen niet dat ernstige, op feiten berustende, gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Slowakije een reëel risico op onmenselijke en vernederende behandelingen zal lopen bij zijn overdracht of als gevolg daarvan. Hierbij is mede van belang dat eiser heeft verklaard dat hij al dan niet intentioneel een asielverzoek in Slowakije heeft kunnen indienen, een gehoor met de autoriteiten aldaar heeft gehad en eveneens opvang heeft gehad. De gestelde omstandigheden dat hij (vanwege Corona) in een gesloten opvangkamp heeft verbleven, vanuit waar hij werd overgeplaatst en dat hij het gehoor met de autoriteiten moest bijwonen, omdat hij anders in het kamp opgesloten bleef zitten, doen hieraan niet af. Uit deze enkele verklaringen volgt niet dat Slowakije in strijd met de richtlijnen en de internationale afspraken heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
  10. Uit de verklaringen van eiser dat de kakkerlakken in het opvangkamp over zijn gezicht liepen en het ingebrachte mp4-bestand waarop kakkerlakken op een muur te zien zijn, kan slechts worden gedestilleerd dat op een bepaald ogenblik (mogelijk) in een specifiek opvangkamp het hygiëneniveau ernstig te wensen overliet. Hieruit kan echter niet worden geconcludeerd dat de omstandigheden structureel van een dusdanig onaanvaardbaar en ondermaats niveau waren dat eiser in Slowakije het slachtoffer is geworden van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en/of artikel 4 Handvest. Niet is gebleken immers dat, indien deze situatie zich heeft voorgedaan, in welke mate en voor welke duur eiser aan deze situatie is blootgesteld en welk effect dit mentaal dan wel fysiek op hem heeft gehad. Voorts valt niet uit te sluiten dat de autoriteiten van Slowakije mogelijk reeds hun verantwoordelijkheid hebben genomen om de gestelde situatie weg te nemen. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij een paar dagen in het opvangkamp heeft verbleven en daarna is vertrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
  11. Dat eiser bij overdracht risico loopt op onterechte detentie en dat dit zou volgen uit het rapport [naam] volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft dit met de enkele algemene verwijzing naar dit rapport onvoldoende concreet gemaakt.
  12. Voor zover eiser meent dat de autoriteiten van Slowakije zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen, heeft voorts te gelden dat eiser zich hiertoe dient te beklagen bij de daartoe aangewezen (hogere)autoriteiten in Slowakije. Niet is gebleken dat de (hogere) autoriteiten van Slowakije hem niet zouden kunnen of willen helpen of dat dit bij voorbaat kansloos is.
  13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat de ingebrachte stukken en verklaringen onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat de toepassing van de asielprocedure en de detentie- en leefomstandigheden in Slowakije in de praktijk van dien aard zijn dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat Slowakije de internationale verplichtingen niet nakomt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat van eiser geen concrete informatie kan worden verlangd. Hoe lastig ook, het blijft aan eiser om de door hem naar voren gebrachte schending van artikel 3 EVRM en/of artikel 4 Handvest aannemelijk te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  14. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Slowakije de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  15. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat bij deze uitspraak op het beroep wordt beslist.
  16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep in de zaak NL20.18534 ongegrond; De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak NL20.18535 af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Super, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/
  17. EHRM 7 december 2017, 8138/16 (S.F. e.a. t. Bulgarije), EHRM 6 november 2007, 8207/06(Stepuleac t. Moldavië) en EHRM 24 maart 2016, 56660/12 (Korneykovt. Oekraïne). Rapport UN Committee on the Elimination of Racial Discrimination (CERD), Concluding Observations on the Combined Eleventh and Twelfth Periodic Reports of Slovakia, CERD/C/SVK/CO/11-12 van 12 januari 2018 en een rapport UN Human Rights Committee, Concluding Obvservations to the Fourth Report on Slovakia CCPR/C/SVK/CO/4 van 22 november
  18. Het rapport van Global Detention Projects
  19. EHRM 11 december 2008, 42502/06 (Muminov t. Rusland). US Department of State

(2019), ‘Country report on human rights practices 2019’. Zoals vastgelegd in de Definitierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU), de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU), het Vluchtelingenverdrag (Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951) en het EVRM.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.