Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/591690 / JE RK 20-931 Datum uitspraak: 24 november 2020 Beschikking van de kinderrechter Afwijzing ondertoezichtstelling in de zaak naar aanleiding van het op 17 april 2020 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad), betreffende: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de man] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] , [de vrouw] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 2] , advocaat mr. I.G.M. van Gorkum, gevestigd te Den Haag. De kinderrechter merkt als informant aan: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Het procesverloop Bij beschikking d.d. 3 september 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek voor de duur van drie maanden aangehouden. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook: voornoemde beschikking d.d. 3 september 2020; het rapport van GZ- [psycholoog] d.d. 3 november
- Op 24 november 2020 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen: de vader; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de heer [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad; een toehoorder namens de gecertificeerde instelling. Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 3 september
- Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar. Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Er bestaan al lange tijd zorgen rondom de opvoedsituatie van [minderjarige] en de strijd tussen de ouders is van grote invloed op hem geweest. De communicatie tussen de ouders is de afgelopen periode onvoldoende van de grond gekomen en er zijn duidelijke signalen dat [minderjarige] klem en verloren dreigt te raken. In het rapport van de GZ-psycholoog wordt slechts beperkt ingegaan op de problemen die spelen. De Raad acht de hulpverlening in het gedwongen kader nog steeds noodzakelijk en handhaaft daarom het verzoek tot ondertoezichtstelling. De vader en de moeder hebben, mede bij monde van de advocaat, verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. Het rapport van de GZ-psycholoog heeft aangetoond dat er geen zorgelijke kind signalen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigen. Ook blijkt uit het rapport dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] als prettig wordt ervaren. De moeder heeft verklaard dat de communicatie met de vader is verbeterd en de spanningen tussen de ouders zijn afgenomen. De vader heeft verklaard dat hij vrijwillige hulpverlening krijgt om te werken aan zijn problematiek. De ouders verzoeken daarom het verzoek tot ondertoezichtstelling af te wijzen. Beoordeling De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter dat het goed gaat met [minderjarige] op school en uit het rapport van de GZ-psycholoog blijkt dat er op dit moment geen zorgelijke kind signalen worden gezien die de ontwikkeling van [minderjarige] belemmeren. De zorgen in het gezin zijn gelegen in de dynamiek tussen de ouders. Daarom gaat de vader tegenwoordig naar zijn eigen woning als er spanning in het gezin ontstaat. De kinderrechter acht de ouders, vooral de moeder, voldoende in staat om de belangen van [minderjarige] te waarborgen en de benodigde hulpverlening in het vrijwillige kader in te schakelen en te accepteren als dit nodig blijkt. De kinderrechter is daarom van oordeel dat [minderjarige] niet ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling en zal het verzoek tot ondertoezichtstelling afwijzen. Daarom zal als volgt worden beslist. Beslissing De kinderrechter: wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 december
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.