RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.14521 uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Op 24 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Overwegingen
- In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
- Eiser heeft verweerder op 24 juni 2020 in gebreke gesteld.
- In het verweerschrift van 4 augustus 2020 stelt verweerder zich op het standpunt dat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
- Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 is verweerder gehouden binnen zes maanden na ontvangst van de asielaanvraag een beslissing te nemen. Eiser heeft op 24 december 2019 zijn asielaanvraag ingediend. Dit betekent dat de beslistermijn eindigde op 24 juni
- Verweerder heeft de beslistermijn met zes maanden verlengd (WBV 2020/12, Stcrt. 2020, nr. 26964; hierna: de verlenging). Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3020), heeft geoordeeld is dit een rechtmatige verlenging. Eiser heeft verweerder op 24 juni 2020 in gebreke gesteld. Op het moment van de ingebrekestelling was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat deze ingebrekestelling prematuur was.
- Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.