Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage CB/c Zaak-/rolnr.: 8715617 RP VERZ 20-50489 Uitspraakdatum: 18 december 2020 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [naam vereniging], gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekende partij, verder te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. P.F. van den Brink (Ten Holter Noordam advocaten), tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, verder te noemen: werknemer, gemachtigde: mevr. mr. M.M. Zwaan-Stroband (Delissen Martens advocaten). 1Het procesverloop 1.1. [verzoeker] heeft de kantonrechter bij verzoekschrift (met 18 producties), bij de griffie ingekomen op 19 augustus 2020, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen zonder toekenning van de transitievergoeding en zonder rekening te houden met de ontbindingstermijn te ontbinden. 1.2. Werknemer heeft op 30 oktober 2020 een verweerschrift (met 68 producties) ingediend bij de griffie van de rechtbank. 1.3. In de aanloop naar de mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft de gemachtigde van [verzoeker] bij brief van 13 november 2020 nog aanvullende producties 19 tot en met 23 overgelegd en heeft de gemachtigde van werknemer bij brief van 9 november 2020 nog een aanvullende productie 69 overgelegd en bij brief van 17 november 2020 aanvullende producties 70 tot en met 74. 1.4. Op 19 november 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Namens [verzoeker] zijn verschenen de heren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 2] alsmede de gemachtigde van [verzoeker] . Namens werknemer is zijn gemachtigde verschenen, vergezeld van mevr. [betrokkene 4] en mevr. [betrokkene 5] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [verzoeker] pleitnotities overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het procesdossier bevinden. 1.5. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor nader overleg tussen partijen. Na ontvangst van de brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 4 december 2020 is uitspraak op het verzoekschrift is bepaald op 18 december 2020. 2De feiten 2.1. Werknemer is geboren op [geboortedag] 1958 en hij is sinds 1 april 1985 in dienst bij de [verzoeker] in de functie van [functie] , laatstelijk tegen een salaris van € 3.288,39 bruto per maand, exclusief vakantiebijlage en emolumenten op basis van 38 uur per week. 2.2. [verzoeker] is een [vereniging] met ruim 1.700 leden met een monumentaal sociëteitsgebouw in [vestigingsplaats] , dat de thuisbasis vormt van [X] . 2.3. In zijn functie van [functie] heeft werknemer, onder verantwoording aan het bestuur van [verzoeker] , als taak het beheer van het meubilair van de sociëteit, het uitvoeren van reparaties aan het meubilair, het uitvoeren van (acuut) klein onderhoud en het beheer van de eigen werkruimte, apparatuur en gereedschappen. 2.4. [verzoeker] wordt als vereniging bestuurd door een bestuur, bestaande uit leden van de vereniging, dat jaarlijks wisselt. 2.5. Per 9 oktober 2019 heeft werknemer zich ziek gemeld en hij is thans nog steeds arbeidsongeschikt. 2.6. Werknemer is voor het eerst op 15 oktober 2019 op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest en hij is daarna nog verschillende keren op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest, voor het laatst op 18 september 2020. De arbeidsongeschiktheid van werknemer is een combinatie van medische klachten en een arbeidsconflict. Op 18 september 2020 oordeelde de bedrijfsarts dat werknemer nog niet in staat om zijn werkzaamheden of andere, aangepaste werkzaamheden te verrichten. 3Het verzoek 3.1. [verzoeker] verzoekt (I.) de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van primair: artikel 7:671b jo. artikel 7:669 lid 1 en 3 onder e BW, dan wel subsidiair: artikel 7:671b jo. artikel 7:669 lid 1 en 3 onder g BW, dan wel meer subsidiair: artikel 7:671b jo. artikel 7:669 lid 1 en 3 onder i BW, alsmede (II.) te bepalen dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen aanspraak maakt op een transitievergoeding ten laste van [verzoeker] , dan wel, indien de kantonrechter meent dat van ernstig verwijtbaar handelen door werknemer geen sprake is, aan hem ten hoogste een transitievergoeding van € 41.544,- bruto toe te kennen; en (III.) bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst: primair: geen rekening te houden met de opzegtermijn van werknemer en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door werknemer; dan wel subsidiair: rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking, alsmede werknemer te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] daaronder begrepen. 3.2. Aan dit verzoek legt de [verzoeker] ten grondslag dat, nadat er in het verleden wel vaker sprake is geweest van incidenten tussen werknemer en het bestuur van [verzoeker] , werknemer op 24 september 2019 alle grenzen van het toelaatbare heeft overschreden door jegens een van de bestuursleden fysiek geweld te gebruiken en zich daarbij ook zeer bedreigend verbaal te uiten. Daarnaast stelt [verzoeker] dat de arbeidsverhouding met werknemer intussen zodanig verstoord is, dat van [verzoeker] niet langer gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Zouden deze beide ontslaggronden individueel geen voldragen ontslaggrond opleveren dan meent [verzoeker] dat sprake is van de combinatiegrond van artikel 7:669 lid 3 onder i BW, waardoor de arbeidsovereenkomst alsnog ontbonden zou moeten worden. 4Het verweer 4.1. Werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt in de eerste plaats dat zijn arbeidsongeschiktheid niet los gezien kan worden van het voorliggende ontbindingsverzoek. Daarnaast betwist werknemer dat sprake is van een voldragen ontslaggrond, ook niet in de zin van de combinatiegrond van artikel 7:669 lid 3 onder i BW. Als de arbeidsovereenkomst al ontbonden zou worden, dan is dat toe te rekenen aan ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , waardoor werknemer recht heeft, naast de transitievergoeding, op een billijke vergoeding van € 150.000,-. 4.2. Werknemer voert daartoe – samengevat – het volgende aan. In de eerste plaats heeft werknemer verschillende fysieke en mentale klachten, waardoor hij zich op 9 oktober 2019 ziek heeft gemeld. Ondanks verschillende behandelingen is werknemer nog steeds arbeidsongeschikt. De arbeidsongeschiktheid houdt verband met het ontbindingsverzoek, waardoor het opzegverbod tijdens ziekte aan de orde is. Vervolgens betwist werknemer dat sprake is van een voldragen ontslaggrond, ook niet als combinatiegrond in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder i. BW. 5De beoordeling 5.1. In deze procedure verzoekt [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van een voldragen ontbindingsgrond, inclusief de combinatiegrond van artikel 7:669 lid 3 onder i. BW. Werknemer voert er verweer tegen dat sprake is van een voldragen ontbindingsgrond, maar stelt daarbij ook dat hij al meer dan een jaar arbeidsongeschikt is en van mening is dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is. Omdat dit het meest vergaande verweer van werknemer is, zal de kantonrechter dat verweer als eerste behandelen. 5.2. Voor een werkgever geldt op grond van artikel 7:670 lid 1 BW een verbod om de arbeidsovereenkomst op te zeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaar heeft geduurd. 5.3 Recent heeft de bedrijfsarts bevestigd dat werknemer nog niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten. Vast staat dat de arbeidsongeschiktheid nog geen twee jaar heeft geduurd. 5.4 Uit artikel 7:671b lid 2 BW vloeit voort dat de kantonrechter een ontbindingsverzoek slechts kan inwilligen, indien geen opzegverboden in de zin van artikel 7:670 BW gelden. Zoals hiervoor is overwogen is sprake van een opzegverbod in de zin van artikel 7:670 BW. 5.5 In geval van een opzegverbod bepaalt artikel 7:671b lid 6 BW voorts: Indien de werkgever de ontbinding verzoekt (….) en een opzegverbod als bedoeld in artikel 670 (….) geldt, kan de kantonrechter, in afwijking van lid 2, het verzoek om ontbinding inwilligen, indien: a. het verzoek geen verband houdt met omstandigheden, waarop die opzegverboden betrekking hebben, of b. er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van werknemer behoort te eindigen. 5.6 Naar het oordeel van de kantonrechter is de uitzondering onder b. niet aan de orde. Op dit moment is werknemer onder medische behandeling en het belang van werknemer vereist niet dat de arbeidsovereenkomst nu eindigt. Werknemer kan tijdens zijn arbeidsongeschiktheid in dienst van werkgever verder aan zijn herstel werken. 5.7 Dus rest het antwoord op de vraag of het ontbindingsverzoek al dan niet verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. De kantonrechter zal dat thans beoordelen. 5.8 Pas bij heel nauwkeurige lezing van de cursieve woorden in de vorige rechtsoverweging valt op hoe weinig concreet deze bepaling feitelijk is. Want met welke omstandigheden dient rekening te worden gehouden en wat houdt ‘verband houden met’ in combinatie met ‘betrekking hebben op’ eigenlijk in? 5.9 Ook in de wetgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur zijn weinig aanknopingspunten te vinden. Het meest concreet is nog de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 3 mei 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:591), die in de punten 4.19 tot en met 4.34 tot op zekere hoogte ingaat op de reflexwerking van het ontslagverbod tijdens ziekte in ontbindingsverzoeken. Maar ook daar komt eigenlijk alleen het ook in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeeld van een verstoorde arbeidsverhouding met een lid van de ondernemingsraad naar voren. 5.10 Daarom zal de kantonrechter invulling geven aan de uitzonderingssituatie van artikel 7:671b lid 6 onder a BW in het licht van het voorliggende verzoek. 5.11 De in het verzoekschrift genoemde ontbindingsgronden zijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.