RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/3948 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen [eiser] , met V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder, (gemachtigde: mr. J.H.M. Post, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst) Procesverloop Bij besluit van 29 april 2020 heeft verweerder bepaald dat eiser vanuit de opvangvoorziening in [plaatsnaam 1] wordt overgeplaatst naar de [naam locatie] in [plaatsnaam 2] ( [naam locatie] ). Direct na aankomst bij de [naam locatie] op 29 april 2020 heeft eiser het terrein aldaar verlaten en zich aan het toezicht van verweerder onttrokken. Op 11 mei 2020 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Partijen hebben afgezien van de behandeling van de zaak ter zitting. Zij hebben toestemming gegeven dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op woensdag 19 augustus 2020 gesloten Overwegingen
- De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser thans nog procesbelang heeft bij het onderhavige beroep, waarmee hij opkomt tegen de plaatsing in de [naam locatie] . De rechtbank is van oordeel dat dat niet langer het geval is.
- Naar aanleiding van het bestreden besluit is aan eiser door een daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst de maatregel van beperking van de vrijheid van beweging als bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. In het kader van deze maatregel is eiser verplicht met ingang van 29 april 2020 te verblijven op de [naam locatie] [plaatsnaam 2] .
- Uit het besluit van 6 mei 2020 blijkt dat de maatregel ex artikel 56, eerste lid, Vw met ingang van 29 april 2020 is opgeheven omdat eiser zelfstandig zonder toezicht is vertrokken. Op 3 juni 2020 heeft de rechtbank het beroep tegen de maatregel ex artikel 56, eerste lid, Vw niet-ontvankelijk verklaard.
- In het verweerschrift heeft verweerder melding gemaakt van het feit dat eiser direct na aankomst bij de [naam locatie] op 29 april 2020 het terrein aldaar heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken.
- De gemachtigde van eiser heeft per brief van 19 augustus 2020 bevestigd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Sindsdien heeft de gemachtigde van eiser geen contact meer met eiser gehad. De rechtbank overweegt dat onder deze omstandigheden eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep. Gelet op het voorgaande heeft eiser geen procesbelang en is het beroep van eiser niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. - de griffier is verhinderd de - de rechter is verhinderd uitspraak te ondertekenen - de uitspraak te ondertekenen- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. AWB 20/4096.