beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/591063 / HA RK 20-162 Beschikking van 18 december 2020 in de zaak van NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. te Den Haag, verzoekster, advocaten mr. P. Oskam en mr. H.P. Verdam te Amsterdam, tegen [verweerder] te [plaats] , Australië, verweerder, advocaat mr. S. Baggerman te Apeldoorn. Verzoekster zal hierna worden aangeduid met ‘NN’. Verweerder zal hierna worden aangeduid met ‘ [verweerder] ’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) van 6 april 2020, met producties; het verweerschrift deelgeschil ex artikel 1019 Rv tevens zelfstandig tegenverzoek van 8 juni 2020, met producties; - de mondelinge behandeling van het verzoek op 13 juli 2020, die vanwege de Coronamaatregelen heeft plaatsgevonden via ‘Skype for Business’. Hierbij zijn verschenen namens verzoekster de [heer 1] , bijgestaan door mr. H.P. Verdam voornoemd en namens verweerder de daartoe gemachtigde [heer 2] , bijgestaan door mr. S. Baggerman voornoemd. 1.2. Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek van [verweerder] tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek ex artikel 202 lid 1 Rv, ingekomen op de griffie van deze rechtbank op 3 april 2020, bekend onder zaaknummer C/09/590830 / HA ZA 20-155, in welke zaak deze rechtbank heden eveneens beschikking heeft gewezen. 1.3. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald. 2De feiten 2.1. [verweerder] is op 31 oktober 2008 betrokken geraakt bij een verkeersongeval waarvoor NN (voorheen Delta Lloyd) namens haar verzekerde aansprakelijkheid heeft erkend. Als gevolg van het ongeval heeft [verweerder] letsel opgelopen met blijvende pijnklachten en beperkingen tot gevolg. [verweerder] is afkomstig uit Australië en werkte ten tijde van het ongeval in Den Haag. Na het ongeval en de eerste ziekenhuisperiode is [verweerder] op 19 december 2008 teruggekeerd naar Australië. Hij heeft daar zijn revalidatie voortgezet. 2.2. In gezamenlijk overleg heeft een geneeskundige expertise plaatsgevonden, waarbij [verweerder] is onderzocht door orthopedisch chirurg [orthopedisch chirurg] (‘ [orthopedisch chirurg] ’) en neuroloog [neuroloog] (‘ [neuroloog] ’), beiden werkzaam bij het Neuro-Orthopaedisch Centrum te Bilhoven (‘het NOC’). NN heeft de kosten van dit onderzoek voor haar rekening genomen. 2.3. Op 20 februari 2012 hebben [orthopedisch chirurg] en [neuroloog] een concept van hun rapport aan de advocaat van [verweerder] gezonden om [verweerder] in de gelegenheid te stellen desgewenst gebruik te maken van zijn inzage-, correctie- en blokkeringsrecht. [verweerder] heeft met de inhoud van het conceptrapport ingestemd, op een paar correcties en kanttekeningen na, die door het NOC zijn gecorrigeerd of in voetnoten zijn verwerkt. 2.4. Op 29 maart 2012 is een definitief rapport verschenen (‘het NOC-rapport’). In het NOC-rapport is omschreven welke klachten en beperkingen [verweerder] ondervindt. 2.5. Partijen zijn in overleg getreden over de afwikkeling van de schade. 2.6. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd na afgifte van het NOC-rapport. Op 19 december 2014 heeft de advocaat van [verweerder] in dat verband twee brieven van de huisarts van [verweerder] , te weten dr. [de huisarts] (‘ [de huisarts] ’), aan NN doorgestuurd (gedateerd 1 november en 7 december 2014) en het volgende geschreven: “(…). Mijns inziens blijkt hieruit duidelijk de huidige medische situatie van cliënt. Ik meen dat het niet nodig is aanvullend medisch onderzoek te laten doen. Het beperkingenprofiel, zoals opgesteld door dr. [de huisarts] , rechtvaardigt mijns inziens een behoefte aan hulp en verzorging van 30 uur per week, zoals eerder door mij werd gevorderd. Mocht u van mening zijn dat dit niet het geval is, dan stel ik voor dat wij een expertise laten plaatsvinden door een verzekeringsarts gevolgd door arbeidsdeskundig onderzoek. (…).” 2.7. Het Nederlands Rekencentrum Letselschade (‘NRL’) heeft op verzoek van partijen een letselschadeberekening opgesteld en heeft daarbij drie scenario’s uitgewerkt. Op 2 april 2015 heeft het NRL een conceptrapport afgegeven. 2.8. Partijen zijn overeengekomen de heer [arbeidsdeskundige] (‘ [arbeidsdeskundige] ’), werkzaam als arbeidsdeskundige bij Arbeidsdeskundig Bureau Radar B.V. (‘Radar’), in te schakelen. De advocaat van [verweerder] heeft [arbeidsdeskundige] bij brief van 18 december 2015 opdracht gegeven onderzoek te doen naar de behoefte van [verweerder] aan huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid en verzorging, uit te drukken in een aantal uren. Zowel het NOC-rapport met beperkingenlijst als de beperkingenlijst van [de huisarts] zijn aan de brief toegevoegd. [arbeidsdeskundige] zal zijn onderzoek uitvoeren via Skype. 2.9. Op 3 mei 2016 heeft [arbeidsdeskundige] zijn conceptrapport aan partijen voorgelegd en geschreven dat hij vooralsnog geen antwoord kan geven op de gestelde vragen. [arbeidsdeskundige] licht dit toe als volgt: “(…). 6. Beschouwing 6.1. Algemeen Op basis van de verkregen onderzoeksgegevens zijn wij van mening dat betrokkene ernstig beperkt is, (…). Zijn letsel is fors en divers. Hij ervaart dit zelf ook en geeft hierover uitgebreide informatie die in dit rapport is opgenomen. Hij heeft naast fysieke klachten, cognitieve klachten en beperkingen en betrokkene geeft aan depressief te zijn. Aan ons is gevraagd zijn behoefte vast te stellen op het gebied van zelfwerkzaamheid, huishoudelijke arbeid en verzorging. Partijen hebben echter geen overeenstemming over de belastbaarheid van betrokkene. Dit is de reden dat wij 2 beoordelingen moeten doen, gebaseerd op verschillende uitgangspunten voor wat betreft de belastbaarheid van betrokkene. Wij hebben echter problemen met de vertaalslag van de door de heer [de huisarts] verwoorde beperkingen naar functionaliteiten. Op basis van zijn beschrijving van het letsel en de beperkingen van betrokkene kunnen wij geen beoordeling uitvoeren. Ons voorstel is daarom dat verzekeringsgeneeskundige mr. [verzekeringsgeneeskundige 1] , verbonden aan ons kantoor, de vastgelegde informatie van de heer [de huisarts] vertaalt in een zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML). Daarmee ontstaat informatie die wij als arbeidsdeskundige kunnen en mogen gebruiken om de hulpbehoefte te beoordelen. In verband met eenduidigheid stellen wij voor om op basis van het expertiserapport van het NOC de heer [verzekeringsgeneeskundige 1] ook een FML te laten opstellen. Hierdoor ontstaat namelijk een tweede document met daarin dezelfde ‘taal’, waardoor de verschillende uitgangspunten wat betreft de belastbaarheid van betrokkene expliciet worden. Een FML doet bovendien recht aan de vraag van partijen om de beperkingen te kwantificeren waarop de hulpbehoefte is gebaseerd. (…).”. 2.10. Bij brief van 21 september 2016 heeft NN gereageerd op een verzoek van [verweerder] om een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te laten uitvoeren in Nederland. NN heeft zich op het standpunt gesteld dat het NOC-rapport de basis is voor de beoordeling van de beperkingen en de schade. Haar medisch adviseur ziet in de informatie van [de huisarts] geen medische onderbouwing van een verergering van het klinische beeld sinds de NOC-expertise, met uitzondering van darm- en longproblemen. NN beschrijft dat de arbeidsdeskundige van Radar de behoefte aan huishoudelijke hulp, het verlies aan zelfwerkzaamheid en de verzorging van [verweerder] heeft onderzocht en dat zij zich kan vinden in het voorstel van [arbeidsdeskundige] om verzekeringsgeneeskundige [verzekeringsgeneeskundige 1] in te schakelen, maar dat [verweerder] dit heeft afgewezen. NN heeft geen vertrouwen meer in een minnelijke regeling, meent over voldoende informatie te beschikken om tot een schadeberekening te kunnen komen en gaat over tot eenzijdige afwikkeling op basis van het derde NRL-scenario (2.7). NN gaat derhalve uit van 20 uur per week en stelt zich op het standpunt dat met de betaling van een bedrag van € 670.000 alle door [verweerder] geleden en nog te lijden schade, derhalve ook toekomstige schade, is gedekt. Na aftrek van bevoorschotting zal nog een bedrag van € 267.500 aan [verweerder] worden overgemaakt, aldus NN. 2.11. De medisch adviseur van [verweerder] , [medisch adviseur 1] (‘ [medisch adviseur 1] ’) heeft op 25 oktober 2016 het volgende geschreven: “Ik heb u in 2014 naar aanleiding van het dossier een functionele mogelijkheden lijst gestuurd. Uiteraard beperkt door het feit dat ik cliënt niet zelf kon onderzoeken en cliënt klaarblijkelijk achteruitgegaan is in zijn gezondheidstoestand, waarover medische informatie nog ontbreekt. (…). Mijns inziens is het goed als cliënt zelf zoveel mogelijk actuele informatie opvraagt bij zijn behandelaars in Australië en deze vervolgens opstuurt ter onderbouwing van de achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. (…).” 2.12. In december 2016 heeft [verweerder] een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek ingediend bij deze rechtbank, waartegen NN verweer heeft gevoerd. 2.13. Partijen hebben ter zitting van 23 mei 2017 overeenstemming bereikt over de benoeming van verzekeringsgeneeskundige dr. [verzekeringsgeneeskundige 2] (‘ [verzekeringsgeneeskundige 2] ’). 2.14. Bij brief van 31 augustus 2017 heeft de advocaat van [verweerder] aan [verzekeringsgeneeskundige 2] verzocht om een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te verrichten, waarbij de beperkingen van [verweerder] moesten worden verwerkt in een belastbaarheids- en beperkingenprofiel ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek. De advocaat heeft geschreven dat gezien de uitvoerige al beschikbare gegevens in beginsel geen beletsel bestaat tegen een gesprek via Skype, maar dat [verweerder] bereid is naar Nederland af te reizen indien dit noodzakelijk blijkt. [verzekeringsgeneeskundige 2] is verzocht eventuele verschillen tussen het NOC-rapport en de recente medische informatie te noteren en deze zo nodig in een tweede FML weer te geven, waardoor dan twee aparte FML’s ontstaan. 2.15. [verzekeringsgeneeskundige 2] heeft een conceptrapport opgesteld en heeft partijen op 13 februari 2018 in de gelegenheid gesteld te reageren op de inhoud hiervan. 2.16. Bij brief van 7 maart 2018 heeft de advocaat van [verweerder] als volgt gereageerd op voornoemd conceptrapport: “(…). In uw rapportage suggereert u dat de posttraumatische stressstoornis van cliënt niet gerelateerd is aan het ongeval. (…). Mijn medisch adviseur stelt voor dat cliënt eerst in Australië een psychiater bezoekt in verband met het stellen van een diagnose. Indien deze diagnose inderdaad luidt dat sprake is van psychische klachten gerelateerd aan het ongeval, dan stelt mijn medisch adviseur voor om een psychiatrische expertise te laten plaatsvinden. Vervolgens kan aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsvinden. 2.17. Op 26 april 2018 heeft [verzekeringsgeneeskundige 2] haar definitieve rapport uitgebracht (‘de verzekeringsgeneeskundige rapportage’). Zij heeft daarin onder meer vermeld: “(…). Inhoudelijke beoordeling van de reacties Van de zijde van Delta Lloyd werd in de brief van 10 april 2018 aangegeven dat geen reden werd gezien om niet tot een definitieve rapportage te komen, waarbij de suggestie werd gedaan dat ik zo nodig de mededeling kon opnemen dat partijen nog in overleg zijn over de noodzaak van een separate beoordeling van de psychische klachten. Ik kan mij goed in dit voorstel vinden. Zoals medisch adviseur [medisch adviseur 1] aangeeft is een skypegesprek niet de aangewezen weg om tot een goede psychiatrische diagnostiek te komen, waaraan ik nog toe kan voegen dat psychiatrische diagnostiek ook niet de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts betreft. Mijn bevindingen en conclusies op psychiatrisch terrein zijn met name oriënterend bedoeld. Oriënterend zag ik geen psychiatrische ziekte waarbij ik er goede nota van nam dat dit de situatie betreft onder gebruik van antidepressieve medicatie. Mijn opmerking dat de PTSS niet het ongeval betreft kwam voort uit het anamnetisch gegeven dat de nachtmerries over gebeurtenissen in het werk gaan, niet over het ongeval. Ik heb hier mijn aantekeningen nog eens gecontroleerd, die ik tijdens de skypesessie maakte, en kan mij de gesprekspassage ook nog goed herinneren omdat ik aanvankelijk dacht dat de nachtmerries over het ongeval gingen maar op dat punt door verzekerde werd gecorrigeerd. Verzekerde vertelde, overigens zonder dat wij er nader op in gingen, in zijn werk vreselijke dingen te hebben meegemaakt. Hoewel ik dit natuurlijk niet zeker kan weten heb ik niet de indruk dit verkeerd te hebben begrepen. Overigens gaf verzekerde wel aan door het ongeval psychisch wel kwetsbaarder te zijn geworden waardoor die PTSS (over de andere voorvallen) de kop op kon steken. Ik nam aandachtig kennis van de (ongedateerde) reactie van betrokkene op de rapportage. Voor zover de reactie het psychiatrische terrein betreft gaf ik zojuist mijn visie. Op de overige terreinen lees ik geen nieuwe gegevens die leiden tot een wijziging in de beoordeling. Ook reactie van medisch adviseur [medisch adviseur 1] gaf mij op deze terreinen geen argumenten die tot wijziging leiden en de medisch adviseur van Delta Lloyd kon zich sowieso in de rapportage vinden. Op de niet-psychische terreinen zie ik dus geen aanleiding tot wijziging van mijn eerdere overwegingen en conclusies. Conclusie Zoals gezegd is een skypesessie door een verzekeringsarts niet de aangewezen weg om tot diepgaande psychiatrische diagnostiek te komen. Nu op de overige terreinen van de zijde van de beide medisch adviseurs en van de zijde van betrokkene zelf, geen argumenten worden gegeven die tot een gewijzigde visie leiden, breng ik thans de definitieve rapportage uit met de opmerking dat tussen partijen overleg gaande is over een separate beoordeling van de psychische toestand.” 2.18. Bij brief van 25 mei 2018 heeft de advocaat van [verweerder] gereageerd op een bericht van NN van 10 april 2018, waarin zij heeft gemeld bereid te zijn te overleggen over een psychiatrisch onderzoek, maar dat zij dan eerst meer informatie en documentatie wil ontvangen, omdat zij geen inzicht heeft in de psychische klachten van [verweerder] . De advocaat van [verweerder] bestrijdt dat NN geen inzicht heeft in de psychiatrische problematiek. Hij wijst erop dat NN beschikt over medische informatie van neuropsycholoog [neuropsycholoog] , bij wie [verweerder] vanaf mei 2009 tot september 2010 onder behandeling heeft gestaan, en dat het bestaan van psychische klachten in het NOC-rapport is vermeld. De advocaat schrijft dat [verweerder] op 11 juli 2014 een eenmalig gesprek heeft gehad bij psychiater [psychiater] , maar dat hierover geen medische informatie beschikbaar is. [verweerder] heeft van 22 juli 2014 tot 30 november 2014 onder behandeling gestaan van psycholoog [psycholoog 1] . Medische informatie over die behandeling is niet beschikbaar, maar wordt verwacht. Op 28 mei 2018 zal [verweerder] starten met een behandeling bij psychiater [psycholoog 2] (‘ [psycholoog 2] ’), met wie zes afspraken zijn gepland. In dat verband verzoekt [verweerder] NN een aanvullend voorschot van € 1.500 te betalen. NN zal zodra mogelijk in het bezit worden gesteld van informatie van [psycholoog 2] , aldus de advocaat. 2.19. NN heeft het door [verweerder] verzochte aanvullende voorschot verstrekt. 2.20. Op 22 oktober 2018 is een rapport van psychiater [psycholoog 2] beschikbaar gekomen. 2.21. Bij e-mailbericht van 11 maart 2019 heeft NN de reactie van haar medisch adviseur (de heer [medisch adviseur 2] ) aan de advocaat van [verweerder] gestuurd. [medisch adviseur 2] acht het rapport van [psycholoog 2] niet geschikt als basis voor een regeling van de schade. Indien [verweerder] zich hierin niet kan vinden, is volgens [medisch adviseur 2] een psychiatrische expertise nodig, doch niet eerder dan dat de ontbrekende gegevens zijn aangeleverd. 3Het geschil 3.1. Het verzoek op grond van artikel 1019w Rv strekt ertoe: voor recht te verklaren dat [verweerder] gebonden is aan het rapport van het NOC van 29 maart 2012 alsmede de door dr. [verzekeringsgeneeskundige 2] opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportage van 26 april 2018 en de daarbij behorende FML en; [verweerder] te gelasten mee te werken aan een (gezamenlijk) arbeidsdeskundig onderzoek, op afstand, door de heer [arbeidsdeskundige] van Radar, op basis van voornoemde rapporten en de vraagstelling zoals opgenomen in productie 14 bij het verzoekschrift. 3.2. NN legt aan haar verzoek ten grondslag dat partijen gebonden zijn aan de uitkomst van het NOC-rapport en de door [verzekeringsgeneeskundige 2] opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportage (met bijbehorende FML), omdat de deskundigen door partijen gezamenlijk buiten rechte zijn ingeschakeld en geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen de totstandkoming of de inhoud van de rapportages. Omdat het NOC-rapport en de verzekeringsgeneeskundige rapportage met bijbehorende FML als uitgangspunt dienen voor de verdere schadeafwikkeling, ligt het in de rede om – net als in 2016 door partijen is beoogd - een arbeidsdeskundige in te schakelen die [verweerder] ’s behoefte aan huishoudelijke hulp en verzorging kan vaststellen. Dat bleek in 2016 niet mogelijk wegens het ontbreken van overeenstemming over de belastbaarheid en vanwege problemen met de vertaalslag van de door [de huisarts] verwoorde beperkingen naar functionaliteiten. Met de door [verzekeringsgeneeskundige 2] opgestelde FML zal een arbeidsdeskundige nu echter wel in staat zijn de hulpbehoefte van [verweerder] te beoordelen. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] heeft eerder immers al aangegeven dat hij na het opstellen van een FML door een verzekeringsgeneeskundige verder kan. Hij schreef: “Daarmee [lees: met een FML] ontstaat informatie die wij als arbeidsdeskundige kunnen en mogen gebruiken om de hulpbehoefte te beoordelen” (2.9). Deze handelwijze, die in lijn is met het oorspronkelijke plan van partijen, zal duidelijkheid verschaffen over de omvang van het aantal benodigde uren aan huishoudelijke hulp en verzorging en zal daarmee voortgang kunnen brengen in de afwikkeling van de zaak. Voor het vaststellen van de hulpbehoefte is geen aanvullend psychiatrisch onderzoek nodig, zoals [verweerder] heeft verzocht (1.2). Er is onvoldoende informatie voorhanden om te concluderen dat nader psychiatrisch onderzoek noodzakelijk is en bovendien valt niet te verwachten dat een dergelijke expertise partijen vooruit zal helpen en een dergelijke expertise de schaderegeling wel onnodig zou vertragen en bemoeilijken. NN begrijpt dat eventuele psychische klachten voor [verweerder] bezwarend zijn, maar meent dat dergelijke klachten de uitkomst van zijn hulpbehoefte niet of nauwelijks zullen beïnvloeden. In het beperkingenprofiel van het NOC en de door [verzekeringsgeneeskundige 2] opgestelde FML wordt immers al rekening gehouden met zeer vergaande beperkingen die maken dat [verweerder] zijn werkzaamheden en vrijwel al zijn dagelijkse activiteiten niet meer zelf kan verrichten. Bovendien zijn de gestelde psychische klachten al in voldoende mate verdisconteerd in de door [verzekeringsgeneeskundige 2] opgestelde FML. NN wil zich richten op het bereiken van voortgang over de behoefte aan huishoudelijke hulp en verzorging en de daarmee samenhangende discussie over de medische stand van zaken. 3.3. [verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek van NN. Daarnaast heeft hij een zelfstandig tegenverzoek ingediend, dat ertoe strekt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.