← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:14466

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15519 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Post). Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.15520, plaatsgevonden op 2 september

  1. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Overwegingen
  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard. Verweerder stelt daarom dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid in artikel 17 van de Dublinverordening om de behandeling van het asielverzoek desondanks aan zich te trekken.
  3. Eiser voert in beroep aan dat er in Duitsland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De rechtshulp in Duitsland is niet adequaat en de Duitse hoor- en beslismedewerkers zijn niet competent. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport van april 2019, het rapport van Heinrich Böll Stiftung van juni 2019 en het Germany Country Report van februari
  4. Eiser voert verder aan dat Duitsland geen systeem van kosteloze rechtsbijstand kent. Hierdoor zou eiser ook niet kunnen klagen bij de Duitse autoriteiten. Ook is er geen rechtshulp beschikbaar in de aanvraagfase waardoor de advisering van asielzoekers wordt overgelaten aan de medewerkers van het BAMF, welke niet onafhankelijk en voldoende zijn opgeleid. Eiser zou door al deze tekortkomingen in een situatie terechtkomen dat hij strijd met artikel 4 van het Handvest en het réfoulementverbod zal worden teruggestuurd naar Mongolië. De rechtbank oordeelt als volgt.
  5. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd.
  6. Met het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd dat zij eisers asielverzoek inhoudelijk zullen behandelen. Dat asielzoekers in Duitsland niet automatisch worden voorzien van kosteloze rechtsbijstand betekent niet zonder meer dat de Duitse asielprocedure op dit punt in strijd is met de Procedurerichtlijn. Uit artikel 19 en verder van de Procedurerichtlijn volgt niet dat iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures, zowel in eerste aanleg als in beroepsprocedures. Ook biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Het door Duitsland gehanteerde systeem is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn.
  7. Voor zover eiser stelt dat hem ten onrechte kosteloze rechtsbijstand is of zal worden onthouden, moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland. Dat klagen hierover bij de Duitse autoriteiten bij voorbaat zinloos is, omdat aan eiser geen kosteloze rechtsbijstand wordt verstrekt, volgt de rechtbank niet.
  8. Ook de door eiser overgelegde rapporten geven geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder niet langer uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de rapporten volgt immers niet dat asielzoekers in Duitsland niet objectief worden geadviseerd en voorgelicht over de asielprocedure. Dat asielzoekers in Duitsland niet door onafhankelijke deskundigen, maar door medewerkers van de Duitse IND over de asielprocedure worden geadviseerd, betekent niet dat daarom de voorlichting niet juist is. Bovendien duiden de verschillen in toewijzingspercentages niet per definitie op gebrekkige besluitvorming. Uit de rapporten volgt dat de Duitse rechters kritisch kijken naar de besluitvorming en daar consequenties aan verbinden. Hieruit volgt dus niet dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen die ertoe leiden dat eiser in Duitsland een reëel risico loopt op een verboden behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.
  9. Het beroep is ongegrond.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Zohrabian, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  11. Verordening (EU) nr. 604/
  12. Asylum Information Database. Ein funktionierendes Asylverfahrenssystem, schafft Vertrauen, juni
  13. German Country Report: Reception Policies, Practices and Responses, februari
  14. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Richtlijn (EU) nr. 2013/32.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.