uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.17139 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Sahin), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Procesverloop In het besluit van 17 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.17140, plaatsgevonden op 6 oktober
- Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen
- Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiser daar eerder een asielaanvraag heeft ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.
- Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ten eerste voert eiser aan dat het risico op refoulement aanzienlijk hoog, omdat niet valt uit te sluiten dat Italië hem zal terugsturen naar Nigeria. Hij is in Italië uitgeprocedeerd en de Italiaanse autoriteiten hebben zijn asielaanvraag afgewezen. Ten tweede voert eiser aan dat hij in Italië geen adequate bescherming heeft gehad. Hij is daar mishandeld vanwege zijn seksuele geaardheid. Ten slotte voert eiser aan dat de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Italië te wensen overlaat. Hij verwijst hiervoor naar het SFH/OSAR rapport van 21 januari
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Italië heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het uitgangspunt is dat ten aanzien van de lidstaten kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent onder andere dat verweerder ervan uit mag gaan dat Italië zich aan de Verdragsverplichtingen en de verplichtingen uit de toepasselijke richtlijnen houdt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit niet klopt. Daarin is eiser niet geslaagd.
- Met het door eiser aangehaalde SFH/OSAR rapport heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er structurele gebreken zijn in Italië wat betreft de opvangvoorzieningen. Hoewel uit het aangehaalde rapport volgt dat het niet makkelijk is voor Dublinclaimanten in Italië, volgt hieruit niet dat het onmogelijk is om opvang te krijgen. Daar komt bij dat de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken het door eiser aangehaalde rapport ook heeft beoordeeld en hierin geen aanleiding zag om te concluderen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan
- Dat Italië zich schuldig zal maken aan (indirect) refoulement, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Met het claimakkoord heeft Italië namelijk gegarandeerd dat een toekomstige asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Het is dus niet aannemelijk dat eiser bij zijn aankomst in Italië zonder beoordeling van zijn asielaanvraag zal worden uitgezet naar Nigeria. Er zijn geen aanwijzingen dat Italië zich in dit verband niet houdt aan zijn internationale verplichtingen, waaronder het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
- Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen beschermen. Om aan te nemen wat eiser stelt, heeft de rechtbank onderbouwing nodig. Bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt dat de Italiaanse autoriteiten hebben geweigerd eiser te beschermen of zijn aangifte in behandeling te nemen. Ook heeft eiser geen algemene openbare bronnen overgelegd waaruit blijkt dat de Italiaanse autoriteiten naar aanleiding van een aangifte geen bescherming willen of kunnen bieden.
- Verweerder heeft daarom de asielaanvraag van eiser dan ook niet in behandeling hoeven nemen. De beroepsgronden slagen niet.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. 1 Zie hiervoor de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1850) en 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2128). De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 oktober 2020 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.