← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:15011

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.18522 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Ceylan), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F.F.M. van de Kamp). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.18523, plaatsgevonden op 10 november

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer J. Malik . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
  3. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. De echtgenote van eiser en zijn minderjarige dochter hebben ook in Nederland asiel aangevraagd. Deze aanvragen zijn ook niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De
  4. Verordening (EU) nr. 604/
  5. beroepsprocedure van de echtgenote van eiser en zijn dochter loopt nog.2 Eiser en zijn echtgenote verblijven in hetzelfde Asielzoekerscentrum (AZC) maar leven niet meer samen en zijn bezig met hun echtscheidingsprocedure. Wel is zijn echtgenote nu zwanger van hem en waarschijnlijk wordt het kind nog geboren tijdens hun huwelijk. Nu de echtgenote van eiser ergens in december is uitgerekend en niet mag reizen rondom de geboorte van het kind, bestaat de mogelijkheid dat het gezin gescheiden wordt overgedragen aan Spanje. Deze mogelijke scheiding van het gezin is in het strijd met de belangen van de dochter van eiser en het ongeboren kind. Daarnaast verwijst eiser nog naar een artikel van de Trouw van 25 oktober 2020 met de titel: ‘Spanje scheidt migrantenkinderen van hun ouders’. Uit dit artikel blijkt dat eiser en zijn kinderen mogelijk worden gescheiden totdat met een DNA-test is aangetoond dat eiser de echte vader is. Ook een kortdurende scheiding van vader en kind is schadelijk voor de ontwikkeling van zijn dochter, aldus eiser. Eiser doet in dit verband een beroep op artikel 6 van de Dublinverordening, artikel 8 het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en werkinstructie 2019/8 ‘Het belang van het kind in de Dublinprocedure’ (werkinstructie 2019/8).
  6. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de belangen van het kind hun weerslag hebben gevonden in de Dublinverordening. Ter zitting erkent verweerder dat eiser als vader van zowel zijn minderjarige dochter als het ongeboren kind. Daarnaast merkt verweerder op dat de probleemsituatie tussen eiser en zijn echtgenote niet maakt dat Spanje niet langer verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van eiser en zijn gezin. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte hetgeen is gesteld over de belangen van het kind niet bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Spanje is namelijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvragen van het gehele gezin. De door eiser aangevoerde punten over de zwangerschap van zijn echtgenote en de mogelijk gescheiden overdracht van het gezin doen niet af aan dit oordeel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat deze punten zien op het moment en de wijze van overdracht. Nu het in deze zaak gaat om het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, loopt de rechtbank nog niet op deze zaken vooruit. Ook verweerder heeft dat in zijn besluit niet hoeven doen. De rechtbank is van oordeel dat uit het artikel van de Trouw van 25 oktober 2020 valt op te maken dat de Spaanse autoriteiten alleen bij twijfel aan het vaderschap een DNA-test zullen afnemen. Ook ziet het artikel op asielzoekers die via de buitengrenzen Spanje willen inreizen en is dus niet van toepassing op Dublinclaimanten. Verweerder heeft zich daarom ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat uit het artikel niet blijkt dat op voorhand moet worden aangenomen dat het gezin in Spanje gescheiden zal worden en daarom sprake zal zijn van een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De beroepsgrond slaagt niet.
  7. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser is homoseksueel en binnen zijn familie wordt zijn levenswijze niet geaccepteerd. In Spanje woont veel familie van eiser en hij zal bij overdracht aan Spanje dan ook slecht worden behandeld door hen. Een aantal van zijn familieleden werkt bij de politie, dus hij kan ook geen bescherming inroepen bij de Spaanse autoriteiten. Tot slot doet eiser nog een beroep op de heersende pandemie en de gevolgen daarvan. Gelet daarop is het niet verantwoord om eiser over te dragen naar Spanje. 2 NL20.18498 en NL20.
  8. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft de door hem naar voren gebrachte problemen met zijn familie niet nader onderbouwd. In dit kader geldt dat indien eiser meent dat hij in Spanje problemen zal ondervinden, voor hem de mogelijkheid bestaat om zich te wenden tot de (hogere) autoriteiten aldaar. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat of bij voorbaat kansloos is. Over de heersende pandemie stelt verweerder terecht dat dit ziet op de feitelijke overdracht en niet kan afdoen aan de vaststelling van Spanje als verantwoordelijke lidstaat. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Spanje getuigt van onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt niet.
  9. Het beroep is ongegrond.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 13 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Mr. V.E. van der Does A. Vranken Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.