RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL20.18975 en NL20.18977 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2], verzoekers, V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] (gemachtigde: mr. T. der Bedrosian), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.N. Lorier). Procesverloop Bij besluiten van 28 oktober 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder met toepassing van artikel 56 van de Vreemdelingenwet (Vw) aan eisers de verplichting opgelegd met ingang van 2 november 2020 te verblijven in de vrijheidsbeperkende locatie in de gemeente Westerwolde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft bij uitspraak van 31 oktober 2020 een voorlopige voorziening getroffen en bepaald dat eisers niet mogen worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Verzoekers hebben op 29 oktober 2020 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft op 2 november 2020 de op grond van artikel 56 van de Vw opgelegde maatregelen ingetrokken. Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers de beroepen op 6 november 2020 ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Overwegingen
- Eisers stellen dat zij de Iraakse nationaliteit hebben en dat zij zijn geboren op respectievelijk [1996] en [1998] .
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet voor een veroordeling van verweerder in de proceskostenvergoeding. Er is weliswaar beroep tegen de maatregelen ingesteld, maar niet is aangegeven wat de gronden van de beroepen zijn. De maatregelen zijn bovendien opgeheven nog vóór de tenuitvoerlegging ervan, toen op grond van de uitspraak van de ABRvS de rechtsplicht van betrokkenen om te vertrekken was komen te vervallen. De beroepen zijn vervolgens ingetrokken en door de gemachtigde van eisers is op geen enkel moment aangegeven op grond waarvan hij meent dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding.
- De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de op grond van artikel 56 Vw opgelegde maatregelen door verweerder zijn opgeheven, omdat de ABRvS een voorlopige voorziening heeft getroffen en heeft bepaald dat eisers niet mogen worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eisers in de beroepschriften geen gronden van beroep hebben aangevoerd. Omdat de maatregelen niet zijn opgeheven op gronden die verzoekers in beroep hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee niet tegemoetgekomen is in de zin van artikel 8:75a van de Awb en ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank wijst het verzoek af. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 17 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Mr. J.A. Schuman T.R. Vos Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.