← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:15208

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21212 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier). Procesverloop Bij besluit van 9 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw J. Kaluza. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser stelt dat hij de Poolse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1982]. Het terugkeerbesluit
  3. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 15 juli 2020 niet meer geldt, aangezien hij daarna Nederland heeft verlaten en twee dagen in België heeft verbleven. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 september 2019.1
  4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij het Nederlandse grondgebied heeft verlaten. Hij
  5. ECLI:NL:RVS:2019:3262 heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit. De Afdelingsuitspraak die eiser aanhaalt, mist dan ook toepassing, omdat in die zaak het uitgangspunt was dat aan het besluit tot verwijdering was voldaan. Het terugkeerbesluit van 15 juli 2020 geldt nog steeds. De beroepsgrond slaagt niet. De bewaringsgronden
  6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden2 vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden3 vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
  7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist. Voortvarendheid
  8. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting door pas op 15 december 2020 een vertrekgesprek te voeren. Ook stelt eiser dat er al eerder dan 17 december 2020 een vlucht aangevraagd had kunnen worden.
  9. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting uit Nederland. Eiser is op 9 december 2020 in bewaring gesteld. De eerste vertrekhandeling is dus op de zevende dag na het opleggen van de maatregel gedaan. Dit is op grond van de Afdelingsrechtspraak4 nog voldoende voortvarend. Verder geeft verweerder ter zitting aan dat hij voor de vluchtaanvraag afhankelijk is van de vliegtuigmaatschappijen. Ook is de aanvraag ingediend met escorts en daardoor duurt het langer om een vlucht te boeken. De rechtbank acht deze uitleg voldoende ter verklaring dat er niet eerder een vlucht is aangevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
  10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2 Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). 3 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. 4 Zie in dit kader de Afdelingsuitspraak van 29 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK2270). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 december 2020 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.