Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage nv/c Zaaknummer: 8243950 RP VERZ 19-50758 Uitspraakdatum: 12 maart 2020 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoeker01] , wonende te [woonplaats01] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker01] , gemachtigde: mr. M.J. van Buren, tegen Stichting Hoger Onderwijs Nederland, gevestigd te ’s-Gravenhage, verwerende partij, hierna te noemen: Inholland, gemachtigde: mr. E.C.M. Roelvink. 1 Het procesverloop 1.1. [verzoeker01] heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 30 december 2019, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Daarnaast heeft [verzoeker01] verzocht om hem hierbij een transitievergoeding en billijke vergoeding toe te kennen. Inholland heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. Op 20 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Verschenen zijn [verzoeker01] in persoon, bijgestaan door mr. M.J. van Buren, alsmede de heer [naam01] en de heer [naam02] namens Inholland, bijgestaan door mr. E.C.M. Roelvink. Zowel mr. van Buren als mr. Roelvink heeft daarbij pleitaantekeningen overgelegd. Van het overige verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich – evenals de pleitaantekeningen –in het procesdossier bevinden. 2 De feiten 2.1. [verzoeker01] is geboren op [geboortedatum01] 1954 en sinds 1 augustus 1988 in dienst bij Inholland, laatstelijk in de functie van [functie01] tegen een salaris van € 4.451,38 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en eventuele verdere emolumenten. 2.2. Op de arbeidsovereenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het hoger beroepsonderwijs van toepassing. 2.3. [verzoeker01] is docent bij de opleiding [naam opleiding01] . Deze opleiding is onderdeel van het domein [naam domein01] . 2.4. Op 15 oktober 2018 ontvangt [verzoeker01] van de [functie02] van Inholland, [naam03] (hierna: [naam03] ), het volgende e-mailbericht: “ [naam04] ( [functie03] ) en ik willen graag morgen met jou in gesprek om het huidige reilen en zeilen binnen de ICT opleidingen [plaats01] te bespreken. De aanleiding is dat er geluiden van onvrede zijn bij zowel medewerkers als studenten. Kun je morgenochtend om 9:00 uur? (…)” 2.5. Op 16 oktober 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam03] , [naam04] en de door hen uitgenodigde personen. [verzoeker01] was die dag verhinderd en heeft uiteindelijk op 17 oktober 2018 met [naam03] en [naam04] gesproken. Bij brief van dezelfde datum heeft Inholland aan [verzoeker01] bericht: “Vandaag hebben [naam03] ( [functie02] ) en ondergetekende met jou een open gesprek willen voeren over het huidige reilen en zeilen binnen de ICT opleidingen [plaats01] naar aanleiding van de geluiden van onvrede en klachten van zowel teamleider, medewerkers als studenten. Helaas heb ik moeten constateren dat dit niet gelukt is. Steeds geef je aan dat je je niet herkent in de gesignaleerde knelpunten zoals: niet tijdig aanleveren van toetsen, niet tijdig aanleveren van cijfers, achterhaald onderwijs, uitentreuren discussiëren over de takenplaatjes, afvallen van collega’s etc.. Ik heb je laten weten dat er vanuit verschillende geledingen klachten over jou binnenkomen en dat ik het zorgelijk vind dat je blijft zeggen: “Dit gaat niet over mij”. Aangezien je in ons gesprek niet bent ingegaan op gestelde vragen, verzoek ik je nogmaals om de komende tijd na te denken over de bestaande problematiek en mogelijke oplossingsrichtingen. Op woensdag 31 oktober om 13:30 uur vindt een vervolggesprek plaats (…)” 2.6. Op 29 oktober 2018 stuurt [verzoeker01] een e-mailbericht aan [naam04] en [naam03] . Hierin schrijft hij onder meer: “(…) Op 17 oktober 2018 heeft op uw verzoek een gesprek plaatsgevonden (…) Het gesprek veranderde al gauw in het afvuren van opmerkingen over mijn persoonlijk functioneren, hetgeen geenszins aangekondigd was als onderwerp van gesprek en niet concreet werd onderbouwd. Mijn antwoorden heeft u niet in uw bevindingen opgenomen (…) Mocht u toch verder met mij over mijn functioneren willen praten, dan lijkt het mij verstandig vooraf met concrete punten (zie boven: welke klachten, door wie, wanneer) te komen, zodat ik mij hierop kan voorbereiden. (…)” 2.7. Het op 17 oktober 2018 aangekondigde vervolggesprek vindt uiteindelijk plaats op 11 december 2018. Voorafgaand aan dit gesprek zijn verslagen toegestuurd van gesprekken die Inholland heeft gevoerd met drie medewerkers over (onder andere) hun ervaringen met [verzoeker01] . 2.8. Kort na afloop van het gesprek stuurt [naam03] [verzoeker01] een e-mailbericht met de volgende inhoud: “Vooruitlopend op het gespreksverslag bevestig ik met deze e-mail dat wij vandaag in onderling overleg zijn overeengekomen dat je per direct gebruik maakt van een periode betaald verlof. In deze periode wordt je in de gelegenheid gesteld om te komen tot een schriftelijke reactie op de door ons (op 6 en 7 december j.l.) toegezonden stukken. Tevens is afgesproken dat je in deze periode niet communiceert met studenten. Studenten zullen per e-mail op de hoogte worden gebracht van jou afwezigheid. In deze e-mail wordt aangegeven dat je op ons verzoek gebruik maakt van een tijdelijke verlofperiode.” 2.9. Op 11 december 2018 is afgesproken dat het volgende gesprek tussen partijen zal plaatsvinden op 30 januari 2019. 2.10. Aan het einde van voornoemd gesprek heeft Inholland [verzoeker01] geschorst voor een periode van ten hoogste drie maanden. Bij brief van 31 januari 2019 heeft Inholland deze schorsing bevestigd. In deze brief staat, voor zover thans relevant: “(…) Door de teamleiders zijn onder meer de volgende ervaringen met u benoemd: Een afspraak tussen een student en u, waarbij u de student een voldoende zou hebben toegezegd voor een niet behaald vak; Discriminatoir gedrag jegens studenten met een niet-westerse migratieachtergrond; Stemmingmakerij voorafgaand aan de formele visitatie in het kader van de accreditatie en het ondermijnen van de accreditatie; Het door uw zoon uitschelden van een teamleider toen deze teamleider tijdens uw ziekteperiode contact met u opnam; Zonder toestemming op vakantie gaan tijdens ziekte; Uw mededeling dat u buiten bewustzijn was geraakt door een combinatie van een drukke dag, niet eten, alcohol gebruiken en joints roken; Veranderd gedrag na uw ziekteperiode; Het geven van lessen van onvoldoende kwaliteit en ontevredenheid van studenten daarover; Het wachten met bekend maken van cijfers van projecten tot na de Evasys evaluatie door studenten; Medewerkers uit uw team laten merken dat u het gemunt heeft op de teamleider; Het niet houden aan afspraken, zoals regelmatig te laat komen bij lessen en vergaderingen, zonder kennisgeving niet aanwezig zijn bij afspraken en cijfers te laat aanleveren; Het voortdurend benaderen van de teamleider met betrekking tot een in uw ogen onjuist takenplaatje en met betrekking tot het openbaar maken van de takenplaatjes. (…) Middels e-mails van uw gemachtigde, mr. S. Meijer, van 16 en 17 januari 2019 heeft u een uitvoerige schriftelijke reactie kenbaar gemaakt. U heeft aangegeven de interviewverslagen geregeld tendentieus, onvolledig, onwaar dan wel verdraaid te vinden. Daarnaast heeft u een toelichting gegeven met betrekking tot meerdere situaties die aan de orde gekomen zijn in de interviews met de teamleiders en heeft u samengevat aangegeven dat de door de teamleiders beschreven ervaringen met u onjuist zijn. Op 30 januari 2019 heeft er in het kader van hoor en wederhoor een gesprek plaatsgevonden (…) Tijdens dit gesprek is uitvoerig gesproken over uw reacties op de door de teamleiders aangegeven ervaringen. Gebleken is dat de feiten en belevingen van de teamleiders enerzijds en van u anderzijds dusdanig uiteen liggen dat Inholland niet kan komen tot een helder standpunt (…) Inholland wil de signalen die zijn ontvangen met betrekking tot uw gedrag, houding en functioneren, zoals die in de interviews met de teamleiders kenbaar zijn gemaakt, nader onderzoeken, in verband met de ernst van de signalen en in verband met de voornoemde tegengestelde feiten en beleving. (…) Aan het einde van het gesprek is u daarom medegedeeld dat u met onmiddellijke ingang zult worden geschorst. Besluit tot schorsing Inholland zal nader onderzoek doen naar de aspecten die door de teamleiders in hun interviews zijn aangegeven in combinatie met uw reactie daarop. Gelet op de aard, inhoud en ernst van voornoemde aspecten, het uiteen liggen van de feiten en belevingen van de teamleiders enerzijds en van u anderzijds, alsmede gelet op het nadere onderzoek dat zal worden ingesteld, heb ik besloten om u op grond van artikel P-1 lid 4 cao hbo 2018-2020 met onmiddellijke ingang te schorsen voor ten hoogste drie maanden, aangezien het belang van Inholland dit vereist. (…)” 2.11. [verzoeker01] heeft bij brief van 6 februari 2019 verweer gevoerd tegen de schorsing. Bij brief van 15 februari 2019 heeft Inholland [verzoeker01] medegedeeld dat het besluit tot schorsing wordt gehandhaafd. 2.12. In de periode van 5 februari 2019 tot en met 13 maart 2019 heeft Inholland met diverse personen gesproken in het kader van haar nadere onderzoek. 2.13. Begin maart 2019 is contact geweest tussen partijen. Dit heeft onder andere geleid tot een e-mailbericht van (de gemachtigde van) [verzoeker01] aan (de gemachtigde van) Inholland op 11 maart 2019. Hierin staat onder meer: “(…) U stelde een gesprek voor tussen werkgever en werknemer. In dit gesprek zou de werkgever inzage verschaffen in de voorlopige onderzoeksresultaten. Als voorwaarde stelde de werkgever dat er tussentijds geen kort geding aanhangig mocht worden gemaakt. Ik heb u telefonisch laten weten dat cliënt zeker openstaat voor een gesprek met de werkgever teneinde ene oplossing te bereiken. Tegelijkertijd ziet hij geen aanleiding om afstand te doen van het recht om een kort geding te starten. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten. (…)” 2.14. Op 18 maart 2019 en 5 april 2019 heeft Inholland de gespreksverslagen van de in het kader van haar onderzoek gevoerde gesprekken (zie 2.12) aan [verzoeker01] toegezonden en is op 8 april 2019 een gesprek ingepland. 2.15. Op 27 maart 2019 heeft [verzoeker01] Inholland tegen 17 april 2019 gedagvaard in kort geding en wedertewerkstelling en rehabilitatie gevorderd. 2.16. Bij e-mailbericht van 12 april 2019 deelt Inholland aan [verzoeker01] mee dat de schorsing met ingang van 15 april 2019 wordt opgeheven en nodigt Inholland hem uit voor een gesprek op laatstgenoemde datum om de hervatting van werkzaamheden te bespreken. 2.17. Op 16 april 2019 stuurt [naam03] een verslag aan [verzoeker01] van het gesprek dat de dag ervoor heeft plaatsgevonden. Hierin staat onder meer: “(…) [verzoeker01] geeft aan dat rehabilitatie nodig is (…) [verzoeker01] wil met de medewerkers in gesprek over de inhoud van de interviewverslagen. (…) De verbeteringen ten aanzien van het functioneren van [verzoeker01] zullen worden vertaald naar een verbeterplan. (…)” 2.18. Op 25 april 2019 heeft weer een gesprek plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte verslag staat, voor zover thans van belang: “(…) [naam03] : Komt terug op eerder gestelde vraag namelijk wat er volgens [verzoeker01] nodig is om zijn werkzaamheden te hervatten. Zij vat samen wat [verzoeker01] hierover heeft gezegd: “klopt het dat een gesprek met geïnterviewden een voorwaarde is om te komen tot werkhervatting?” [verzoeker01] : Geeft aan dat dit niet het geval is. [naam03] : Herhaalt de vraag wat er volgens [verzoeker01] nodig is om werkzaamheden te hervatten? [verzoeker01] : Laat weten dat hij rectificatie / rehabilitatie eist. [naam03] : Laat weten dat [verzoeker01] deze eis bij de rechter heeft neergelegd en dat deze hierover op 1 mei a.s. uitspraak zal doen. Het is volgens haar niet zinvol hier in dit gesprek nader op in te gaan. (…)” 2.19. Bij vonnis van 1 mei 2019 heeft de kantonrechter de vordering tot wedertewerkstelling afgewezen, omdat de schorsing vlak voor het kort geding door Inholland was opgeheven. Daarnaast is de vordering tot rehabilitatie afgewezen omdat zonder nadere bewijslevering, waar een kort geding procedure zich niet voor leent, niet kon worden vastgesteld of [verzoeker01] terecht geschorst is geweest. 2.20. Bij e-mailbericht van 8 mei 2019 heeft [naam03] het verslag van het gesprek op 25 april 2019 aan [verzoeker01] toegezonden. In dit e-mailbericht schrijft [naam03] : “(…) In dit verslag heb ik niet opgenomen wat er na afloop heeft plaatsgevonden namelijk dat ik je heb aangesproken op het onnodig lang in het gebouw blijven. Met deze e-mail wil ik nogmaals benadrukken dat de schorsing weliswaar is opgeheven maar dat er nog geen afstemming is over de door jou uit te voeren werkzaamheden en het verbeterplan. Dit zijn wel voorwaarden om te komen tot een zorgvuldige hervatting van werkzaamheden. Het is daarom ongepast en ongewenst dat je na onze afspraak rond blijft hangen in school om koffie te drinken en te praten met collega’s. Hierdoor ontstaat er een onduidelijke situatie voor zowel medewerkers als studenten. Gister zijn wij op geïnformeerd dat je, zonder dat hier werkafspraken aan ten grondslag liggen, communiceert met studenten en medewerkers. Zoals ook tijdens het gesprek 25 april jl. nog is aangegeven is het maken van kwaliteitsafspraken een voorwaarden om te komen tot werkhervatting. Het is niet toegestaan om zonder duidelijke verbeterafspraken en een door de teamleider opgedragen taak, op eigen houtje werkzaamheden op te pakken. Wij sommeren je hier direct mee te stoppen.” 2.21. Op dezelfde dag heeft [verzoeker01] gereageerd en aan [naam03] medegedeeld dat hij ervan uit is gegaan dat met de opheffing van de schorsing ook alle beperkingen waren opgeheven. Daarnaast geeft [verzoeker01] aan graag weer aan het werk te willen en vraagt hij hoe het tijdpad eruit ziet. 2.22. Vervolgens wordt [verzoeker01] op 16 mei 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 28 mei 2019 met onder meer [naam05] ( [functie04] , hierna: [naam05] ). In de gespreksuitnodiging staat voorts: “Hierna zal door ons een conclusie worden geformuleerd welke uiterlijk 31 mei zal worden toegezonden.” 2.23. Na het gesprek op 28 mei 2019 is nog schriftelijk contact geweest tussen partijen en op 27 juni 2019 heeft weer een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere [verzoeker01] en [naam05] . 2.24. Uiteindelijk heeft Inholland BING opdracht gegeven om onderzoek te verrichten. Doelstelling van het onderzoek is ‘de relevante feiten en omstandigheden in kaart te brengen met betrekking tot de signalen over vermeend grensoverschrijdend gedrag en de houding van betrokkene en deze af te zetten tegen relevante wet- en regelgeving (waaronder interne afspraken en procedures), teneinde u in de gelegenheid te stellen op basis van de uitkomsten van het onderzoek een besluit te nemen over de situatie rondom betrokkene’ . 2.25. Op 3 december 2019 heeft BING haar conceptrapport uitgebracht en – na reactie van partijen – op 20 december 2019 het definitieve rapport. 2.26. In de conclusie van het BING rapport, staat onder meer: “(…) Wij constateren dat het interne onderzoek zich al snel heeft gefocust op betrokkene zonder duidelijke onderbouwing en expliciet gemaakte klachten. Naar het oordeel van BING is onvoldoende zorgvuldigheid betracht in de communicatie naar betrokkene over de precieze aanleiding en doelstelling van het onderzoek alsook ten aanzien van de gehanteerde procedure. In de schorsingsbrief van 31 januari 2019 staat een opsomming van twaalf klachten die dor teamleiders jegens betrokkene zouden zijn geuit. Deze klachten lopen uiteen van het niet nakomen van afspraken tot discriminatoir gedrag tot het geven van lessen van onvoldoende kwaliteit; de feitelijke onderbouwing van de klachten ontbreekt c.q. blijkt hieruit niet. (…) Volgens de clustermanager a.i. richten de sterkste verwijten jegens betrokkene zich op de veiligheid, het kwetsen en onheus bejegenen van collega’s en studenten. (…) Andere geïnterviewden hebben weliswaar minder sterke kwalificaties gebruikt, maar schetsen tevens een beeld van een collega die de grenzen van een ander opzoekt en die zich niet conformeert aan de geldende afspraken en regels. (…) Feit is dat er verwijten bestaan over het handelen van betrokkene, dat als discriminatoir wordt bestempeld. De genoemde voorbeelden lijken met name betrekking te hebben op één specifiek voorbeeld. Het incident heeft zich al langer geleden voorgedaan en hierover is met name verklaard vanuit tweede of derde hand dan wel door een anonieme getuige. Er is bovendien geen formele klacht. (…) Met de aantijgingen wordt gesuggereerd dat het gebruik van alcohol en wiet invloed heeft op het functioneren van betrokkene, maar dat wordt op geen enkele manier concreet naar voren gebracht. Onder genoemde omstandigheden ontbreekt een toereikende grondslag om betrokkene een verwijt te maken ten aanzien van vermeend grensoverschrijdend gedrag. (…) Volgens BING is voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vaak te laat was met het aanleveren van toetsen. Dat het onderwijsproces hierdoor niet zou zijn geraakt doet niet af aan het feit dat betrokkene interne afspraken onvoldoende naleeft en hierop aangesproken mag worden. Over het laat aanleveren van toetsen is echter ook verklaard dat betrokkene daarin niet de enige was. (…) Een belangrijke constatering is dat er sinds 2015/2016 geen beoordelingsgesprek en/of functioneringsgesprek meer is gevoerd met betrokkene. (…) De voorbeelden over bejegening door betrokkene zijn niet feitelijk onderbouwd en dateren in een aantal gevallen van lang geleden. (…)” 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker01] verzoekt de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c lid BW te ontbinden met ingang van 1 maart 2020, onder veroordeling van Inholland tot betaling van de transitievergoeding van € 81.000,- alsmede een billijke vergoeding van € 80.000,-, vermeerderd met rente en proceskosten. 3.2. Aan zijn verzoek legt [verzoeker01] – kort samengevat – ten grondslag dat Inholland niet als goed werkgever heeft gehandeld, waardoor de arbeidsrelatie duurzaam verstoord is geraakt. Het handelen van Inholland valt bovendien als ernstig verwijtbaar te kwalificeren, onder andere omdat Inholland
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.