← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:1866

Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/817 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker, tegen het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder (gemachtigde: H.L. Barnhoorn). Overwegingen

  1. Op 7 oktober 2019 heeft verweerder verzoeker een invorderingsbeschikking (PZH-2019-709580192/DOS-2013-0008951) gestuurd, in verband met de last onder dwangsom die verzoeker bij besluit van 24 december 2013 was opgelegd vanwege het innemen van een ligplaats met een vaartuig in de [vaarweg] , ter hoogte van de [adres] in [plaats] . Verzoeker heeft een dwangsom van € 500,- (2x € 250,-) verbeurd, omdat op 19 september 2019 en 25 september 2019 door een toezichthouder is geconstateerd dat verzoeker de woonboot niet heeft verwijderd. Verzoeker heeft bij brief van 14 november 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
  2. In artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Hiervoor heeft verzoeker een nota ontvangen. Deze nota is op 30 januari 2020 met aangetekende verzending aan verzoeker verzonden en op 1 februari 2020 om 9:05 uur bij hem bezorgd. Dit blijkt uit de gegevens van het volgsysteem (track and trace) behorend bij de aan de nota gekoppelde code.
  3. In de nota staat dat het griffierecht van € 178,- uiterlijk twee weken na de datum op deze nota, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting, moet zijn bijgeschreven op de in de nota vermelde bankrekening van de rechtspraak. Verder staat in de nota dat als verzoeker het griffierecht niet op tijd betaalt, hij het risico loopt dat de voorzieningenrechter het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaart.
  4. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
  5. Verzoeker heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan dit verontschuldigbaar is.
  6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart
  8. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.