Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Gouda zaaknr.: 8171362 EJ VERZ 19-85960 Beschikking van de kantonrechter d.d. 11 februari 2020 in de zaak van: de besloten vennootschap KLG Europe Rotterdam B.V., gevestigd te Rotterdam verzoekende partij, gemachtigde: mr. S.G.J. Habets, en [verweerder], wonende te [woonplaats] , verwerende partij, gemachtigde: mr. D. Schuurman. 1Het verloop van de procedures De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken, waaruit tevens het verloop van de procedure blijkt: - het verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 15 november 2019; - het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige tegenverzoeken; - de faxbrief met bijlage d.d. 9 januari 2020 van mr. Schuurman; - de brief met bijlagen d.d. 13 januari 2020 van mr. Habets; - de pleitaantekeningen van mr. Habets; - de pleitaantekeningen van mr. Schuurman; - de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 20 januari
(180)leden (verhuisbedrijven over de hele wereld) lange termijn zeevrachten in op vaste contracten en publiceert deze in een eigen rate finder op internet. OSA heeft geen werknemers in dienst en de financiële administratie is uitbesteed aan een administratiekantoor. KLG verzorgt de operationele en commerciële activiteiten van OSA. [verweerder] is commercieel directeur van OSA. OSA heeft vijf expediteurs die als havenagent optreden om voor lokale verhuisbedrijven boekingen te doen. KLG treedt als zodanig op voor de Nederlandse markt. Als gevolg van de overname van KLG door Sinotrans, zal KLG vanaf 29 februari 2020 geen lid meer zijn van OSA. Aangezien KLG jegens [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan KLG zich niet op het overeengekomen concurrentiebeding beroepen. [verweerder] heeft zich de afgelopen 20 jaar gespecialiseerd in de verhuis- en meubelindustrie en zonnepanelen. Hij is aldus aangewezen op de markt waarop ook KLG opereert. De door OSA met KLG gesloten overeenkomst eindigt per de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt. Er is aldus aanleiding om te bepalen dat het relatiebeding niet geldt voor de klanten, opdrachtgevers en agenten die OSA bij de indiensttreding van [verweerder] bij KLG heeft ingebracht. Dit betreft de relaties die zijn genoemd in het als productie 21 aan het verweerschrift gehechte overzicht. Bij KLG houden [werknemer 1] , [werknemer 2] en [werknemer 3] zich bezig met de operationele activiteiten voor OSA. Aan hun werkzaamheden komt een einde wanneer de arbeidsovereenkomst met [verweerder] eindigt. Het in de arbeidsovereenkomst met [verweerder] opgenomen ronselbeding behoort niet voor hem te gelden. [verweerder] heeft ten onrechte de hem ter beschikking gestelde bedrijfsauto op 7 november 2019 moeten inleveren. KLG dient deze auto voor de resterende duur van het dienstverband aan hem ter beschikking te stellen dan wel als compensatie voor vervangend vervoer aan [verweerder] te betalen een bedrag ad €1.500,= per vier weken. 2.5 De kantonrechter overweegt het volgende. 2.6 Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat, voor zover van belang, het volgende vast. [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1962, is op 18 mei 2016 in de functie van managing director KLG Europe Rotterdam bij haar in dienst getreden tegen een salaris ad € 10.225,= bruto per 4 weken exclusief vakantietoeslag. Deze overeenkomst duurt tot op heden voort. [verweerder] heeft in januari 2018 via de groepsapp van het Rotterdamse personeel van KLG, met kennelijk de intentie om vermakelijk te zijn, een video verspreid met een uiterst discriminerende en kwetsende boodschap, als gevolg waarvan één van de medewerkers van KLG zich, ondanks de excuses die [verweerder] hiervoor (onder meer) hem heeft gemaakt, genoodzaakt heeft gezien om zijn arbeidsovereenkomst met KLG te beëindigen, omdat hij zich vanwege dit incident niet langer in staat achtte om nog verder met [verweerder] samen te werken. Vast staat verder dat KLG [verweerder] op 7 november 2019 op non-actief heeft gesteld. Gelet op de als producties 9 en 10 aan het verzoekschrift gehechte e-mailberichten van [CEO] (CEO bij KLG) en hetgeen KLG aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, heeft zij dat kennelijk gedaan omdat zij van oordeel was dat [verweerder] moeizaam communiceert en samenwerkt met haar personeel, dat hij geen sturing geeft, dat hij zich niet als leider gedraagt en geen invulling geeft aan zijn voorbeeldfunctie binnen de onderneming, dat hij eigenzinnig is en niet is te coachen, dat hij ongepast gedrag vertoont, dat hij niet openstaat voor suggesties en kritiek en zonder zelfreflectie is, dat hij zijn geheimhoudingsverplichting heeft geschonden en dat hij de gezondheid van zijn medewerkers in gevaar heeft gebracht, terwijl hij zich, ondanks de hem gegeven waarschuwing en de hem geboden coaching, niet verbetert. KLG stelt dat zij, kennelijk na de schorsing van [verweerder] , voorts het volgende heeft vastgesteld. In 2017 heeft [verweerder] opdracht gegeven aan [aannemer] om elektrotechnische werkzaamheden uit te voeren in het kantoor en het warehouse van KLG te Rotterdam. In dezelfde periode heeft hij [aannemer] gevraagd om soortgelijke werkzaamheden uit te voeren in zijn woning te [woonplaats] . Op 29 november 2019 heeft [aannemer] een voorschotfactuur ad € 5.000,= exclusief btw verzonden aan KLG, welke factuur KLG heeft voldaan. Na de afronding van de werkzaamheden voor zowel KLG als [verweerder] privé heeft [verweerder] op 28 februari 2018 te 14.06 uur via zijn zakelijke e-mail de eindfacturen ontvangen voor zowel KLG als voor hem privé. Op de aan KLG gerichte eindfactuur was het betaalde voorschot ad € 5.000,= in mindering gebracht. KLG diende aldus nog te voldoen een bedrag ad € 20.174,
- [verweerder] had op de aan hem gerichte factuur te betalen een bedrag ad € 8.567,= exclusief btw. Naar aanleiding van deze facturen heeft [verweerder] contact opgenomen met [aannemer] . Hij heeft hem voorgesteld om het door KLG betaalde voorschot niet te verrekenen met de aan KLG gerichte factuur, maar om dat in mindering brengen op de aan hem gerichte factuur. [aannemer] heeft hieraan gevolg gegeven. Op dezelfde dag ontving [verweerder] te 14.31 uur de herziene facturen. De aan KLG gerichte factuur was met een bedrag ad € 5.000,= verhoogd en de aan [verweerder] gerichte factuur was met hetzelfde bedrag verlaagd. [verweerder] heeft de gewijzigde, aan KLG gerichte factuur voor akkoord geparafeerd en aan de afdeling Finance van KLG gestuurd met het verzoek om te betalen, hetgeen vervolgens is gebeurd. Gebleken is volgens KLG verder dat [verweerder] opdracht heeft gegeven tot de betaling van de gewijzigde eindfactuur terwijl hij wist of behoorde te weten dat hierop voor een bedrag ad € 3.995,98 exclusief btw materialen en werkzaamheden stonden vermeld die betrekking hadden niet op KLG, maar op zijn eigen woning. In zijn e-mailbericht d.d. 10 januari 2020 heeft [aannemer] hierover aan KLG geschreven dat [verweerder] hem (of zijn personeel) opdracht heeft gegeven om deze kosten op de meerwerklijst van KLG toe te voegen. Ter onderbouwing van deze feiten beroept KLG zich op de documenten die zij als de producties 23 tot en met 30 in het geding heeft gebracht. [verweerder] heeft de door KLG gestelde feiten betwist. Daartoe voert hij aan dat de door KLG gestelde feiten een strafbaar feit opleveren, waaraan zowel hij als [aannemer] zich zouden hebben schuldig gemaakt. Het bewijs van dat strafbare feit is niet geleverd met enkel de verklaring van [aannemer] . De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de hier aan de orde zijnde feiten hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarbij is van belang dat voor de door KLG gestelde feiten niet alleen steun is te vinden in het e-mailbericht d.d. 10 januari 2020 van [aannemer] (productie 30 van KLG) maar ook in de andere hierop betrekking hebbende bewijsstukken. De zojuist bedoelde, door KLG gestelde feiten worden daarom als vaststaand aangenomen. 2.7 Uit de zojuist met betrekking tot de facturen van [aannemer] vastgestelde feiten volgt dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van KLG in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Die overeenkomst zal daarom, nu niet is gebleken van een of meer opzegverboden als bedoeld in artikel 7:671b BW, worden ontbonden per (artikel 7:671b lid 8 sub b BW) 1 maart
- Het verzoek van [verweerder] , om KLG te veroordelen om hem de transitievergoeding te betalen, komt niet voor toewijzing in aanmerking nu de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] (artikel 7:673 lid 7 sub c BW). Feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat hem die vergoeding toch geheel of gedeeltelijk is toe te kennen (artikel 7:673 lid 8 BW) zijn niet (voldoende) gebleken. Nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van KLG, komt de door [verweerder] verzochte billijke vergoeding eveneens niet voor toewijzing in aanmerking. 2.8 KLG heeft [verweerder] , mede in aanmerking genomen de met betrekking tot de facturen van [aannemer] vastgestelde feiten, terecht op non-actief gesteld. Het feit dat de zojuist bedoelde feiten eerst aan KLG bekend zijn geworden nadat zij tot zijn op non-actiefstelling heeft besloten, doet dit niet anders zijn, nu ook deze feiten betrokken kunnen worden bij de beantwoording van de vraag of KLG [verweerder] op non-actief heeft mogen stellen. Dit leidt, in samenhang met het bepaalde in artikel 1.2 van Bijlage B (Aanvullende arbeidsvoorwaarden i.v.m. het ter beschikking stellen van een auto) bij de arbeidsovereenkomst tussen partijen, tot de conclusie dat KLG de door haar aan [verweerder] ter beschikking gestelde auto wegens zijn op non-actiefstelling heeft mogen innemen. Het verzoek van [verweerder] om KLG te veroordelen tot afgifte van de bedrijfsauto voor de resterende duur van het dienstverband en tot de betaling van € 1.500,= per vier weken vanaf 7 november 2019 tot de datum van afgifte van de auto, komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. 2.9 KLG heeft ter terechtzitting verklaart dat zij [verweerder] niet houdt aan het overeengekomen concurrentiebeding (artikel 13 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen). Bij het verzoek van [verweerder] , om vast te stellen dat de werkzaamheden voor OSA niet vallen onder het concurrentiebeding, heeft hij daarom geen belang meer. [verweerder] zal KLG immers aan de verklaring mogen houden. Het zelfde geldt met betrekking tot het verzoek van [verweerder] om het concurrentiebeding te vernietigen of te matigen. 2.10 Artikel 14 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen bepaalt dat het de werknemer is verboden om, zonder schriftelijke toestemming van de werkgever, gedurende 3 jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op enigerlei wijze, direct of indirect, contacten te onderhouden met en/of werkzaam te zijn voor de klanten van de werkgever. Als klanten gelden volgens dit beding die bedrijven die als zodanig in de administratie van een van de bedrijven behorend bij KLG Europe Group voorkomen. Tot de groep van bedrijven waarop het relatiebeding ziet, behoort onder meer OSA. Blijkens de door [verweerder] als productie 3 bij het verweerschrift in het geding gebrachte overeenkomst is KLG immers, vanaf omstreeks de indiensttreding van [verweerder] bij KLG, voor OSA de in die overeenkomst genoemde diensten gaan verrichten tegen de door OSA aan KLG te betalen vergoedingen. Het feit dat het [verweerder] zelf is geweest die OSA tot klant van KLG heeft gemaakt, doet dit niet anders zijn. Het feit dat het [verweerder] is toegestaan om gedurende de looptijd van zijn arbeidsovereenkomst werkzaam te zijn voor OSA, leidt evenmin tot die conclusie, omdat daarmee alleen is voorzien in de situatie waarin hij voor KLG werkzaam is, terwijl het hier aan de orde zijnde relatiebeding ziet op de periode waarin hij niet langer voor KLG werkzaam is. Voor zover juist is dat OSA de als productie 19 aan het verweerschrift gehechte overeenkomst met KLG heeft gesloten – zoals [verweerder] stelt en KLG gemotiveerd heeft betwist – en OSA die overeenkomst op grond van artikel 8 heeft mogen opzeggen tegen 29 februari 2020, leidt ook dat niet tot een andere conclusie, omdat daarmee de als productie 3 aan het verweerschrift gehechte overeenkomst niet is beëindigd, terwijl evenmin is gebleken dat die overeenkomst is opgezegd. Het verzoek van [verweerder] om vast te stellen dat de werkzaamheden voor OSA niet vallen onder het relatiebeding, komt op grond van het vorenstaande niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om dit beding te vernietigen, komt evenmin voor toewijzing in aanmerking, ook niet voor zover het gaat om klanten die [verweerder] bij zijn indiensttreding bij KLG heeft ingebracht, omdat het evident is dat KLG bij het relatiebeding, vanwege haar concurrentiepositie, belang heeft en [verweerder] , nu KLG hem niet houdt aan het concurrentiebeding, daardoor niet onbillijk wordt benadeeld. De periode waarvoor het relatiebeding geldt, is echter te ruim. De bij dat beding betrokken belangen moeten geacht worden voldoende te zijn beschermd indien deze periode wordt beperkt tot twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst van [verweerder] eindigt. 2.11 Aangezien KLG [verweerder] niet houdt aan het concurrentiebeding en het relatiebeding zal worden gematigd zoals zojuist is aangegeven, komt het verzoek van [verweerder] , om hem voor de duur van drie jaar een vergoeding toe te kennen ad € 12.695,99 bruto per maand, niet voor toewijzing in aanmerking. [verweerder] moet, gelet op zijn ervaring in staat worden geacht werk te vinden of te genereren. 2.12 Artikel 16 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen bepaalt dat het de werknemer gedurende 2 jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst niet is toegestaan om (kort samengevat) bij KLG in dienst zijnde personen in dienst te nemen. Aangezien het evident is dat KLG een redelijk belang heeft bij het behoud van haar personeel, komt het verzoek van [verweerder] om dit beding te vernietigen, niet voor toewijzing in aanmerking. 2.13 KLG dient bij het einde van het dienstverband een correcte eindafrekening op te stellen. Tussen partijen is niet in discussie dat bij de opstelling van de eindafrekening rekening is te houden met een verlofsaldo van 49 dagen per 31 december 2019 en dat dit saldo met 2,54 dagen moet worden verhoogd voor elke maand dat de arbeidsovereenkomst na 31 december 2019 voortduurt. Met de waarde van de bedrijfsauto is bij het opstellen van de eindafrekening geen rekening te houden. Aanleiding te veronderstellen dat KLG geen juiste eindafrekening zal opstellen, is er niet. Bij het verzoek, strekkende tot de veroordeling van KLG om daartoe over te gaan, heeft [verweerder] daarom geen belang. Dit verzoek wordt daarom afgewezen. 2.14 [verweerder] is de partij die bij deze beschikking in het ongelijk wordt gesteld. Hij wordt om die reden veroordeeld in de kosten van de procedures. 3De beslissing De kantonrechter: Op het verzoek van KLG: ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen en bepaalt dat deze eindigt per 1 maart 2020; veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, welke kosten tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 1.081,00, waarin begrepen een bedrag ad € 960,= voor salaris gemachtigde; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Op de verzoeken van [verweerder] : bepaalt dat het in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen opgenomen relatiebeding geldt voor de duur van twee jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt; veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, welke kosten tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 960,= voor salaris gemachtigde; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mr. M. Nijenhuis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.