Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 18-3187 (scheiding) / FA RK 18-8559 (verdeling) Zaaknummer: C/09/552447 (scheiding) / C/09/563637 (verdeling) Datum beschikking: 17 maart 2020 Kinderalimentatie, partneralimentatie, afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en opheffing van het conservatoir beslag Beschikking op het op 1 mei 2018 ingekomen verzoek van: [x] , de vrouw, gelet op een schriftelijke volmacht voor wat betreft de alimentatie mede optredend voor: [jong-meerderjarige 1 naam voluit] & [naam jong-meerderjarige 2, naam voluit] , de jong-meerderjarigen, hierna ook [naam jong-meerderjarige 1] en [naam jong-meerderjarige 2] , allen wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. C. Elsinga te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [Y] , de man, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. A.W. van Rijn te Katwijk. Procedure Bij beschikking van 30 april 2019 van deze rechtbank is: de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; bepaald dat de (destijds) minderjarigen: - [naam jong-meerderjarige 2, naam voluit] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , - [naam minderjarige 1, voluit] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , en - [naam minderjarige 2, voluit] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben; bepaald dat [naam jong-meerderjarige 2] en [minderjarige 1] één keer in de veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man zijn; bepaald dat [minderjarige 2] één keer in de veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de man is; bepaald dat [naam jong-meerderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op Vaderdag, de verjaardag van de man en drie weken tijdens de vakanties (waarvan twee weken tijdens de zomervakantie) bij de man zijn; bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voorlopig voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw zal betalen: - voor [naam jong-meerderjarige 2] een bedrag van € 322,- per maand, en - voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 385,- per maand per kind; bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voorlopig voor de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige [jong-meerderjarige 1 naam voluit] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , zal betalen een bedrag van € 385,- per maand; bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [postcode] [woonplaats] , [adres echtelijke woning] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt. De behandeling van de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, de partneralimentatie, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de opheffing van het conservatoir beslag is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de waarde van de ondernemingen en de waarde van de (echtelijke) woning op kosten van de man door onafhankelijke deskundigen te laten bepalen en in onderhandeling te treden over de definitieve alimentatiebedragen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De echtscheiding is op [datum inschrijving echtscheiding] 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook: het F9-formulier met bijlage van 24 september 2019 van de zijde van de vrouw; de brief van 27 september 2019 van de zijde van de man; het F9-formulier met bijlagen van 30 januari 2020 van de zijde van de vrouw; het F9-formulier met bijlagen van 30 januari 2020 van de zijde van de man; het F9-formulier met bijlagen van 31 januari 2020 van de zijde van de man; het F9-formulier met bijlagen van 31 januari 2020 van de zijde van de man. Op 11 februari 2020 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd. Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen: - het F9-formulier van 24 februari 2020 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een schriftelijke volmacht voor wat betreft de alimentatie voor de jong-meerderjarige [naam jong-meerderjarige 2] . Verzoek en verweer De nog openstaande verzoeken van de vrouw luiden: de man in zijn aanvullende verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn aanvullende verzoeken af te wijzen; vaststelling van kinderalimentatie van € 546,25 per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die de vrouw op grond van geldende wetten of andere regelingen voor die minderjarigen zal of kan worden verleend, alsmede vermeerderd met het wettelijk indexeringspercentage te rekenen vanaf de datum van indiening van het aanvullend verzoekschrift; vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 6.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, vermeerderd met het wettelijk indexeringspercentage, te rekenen vanaf de datum van indiening van het aanvullend verzoekschrift; vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, zoals opgenomen in punt 33 tot en met 49 van het aanvullend verzoekschrift; opheffing van het conservatoir beslag op de echtelijke woning; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De thans nog openstaande zelfstandige verzoeken van de man luiden: de (aanvullende) verzoeken van de vrouw af te wijzen; vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en uitvoering te geven aan de huwelijkse voorwaarden, waarbij de bedrijven en de aandelen hiervan, de auto en de motorboot, de andere boot en de inboedelgoederen van de man blijven dan wel (subsidiair) aan de man worden toebedeeld, en de echtelijke woning te [postcode] [woonplaats] aan [adres echtelijke woning] aan de man wordt toebedeeld, dan wel (meer subsidiair) dat de woning wordt verkocht en de daarbij behorende schulden, waaronder in ieder geval de hypotheken en de kosten van de makelaar, worden afgelost/betaald, en de daarna overblijvende overwaarde aan de man wordt toebedeeld, dan wel (nog meer subsidiair) dat de overwaarde/onderwaarde wordt gedeeld tussen partijen en ook de waarde/opbrengst van de polis wordt gedeeld; veroordeling van de vrouw om binnen veertien dagen na de beslissing mee te werken (primair) aan levering van de woning te [postcode] [woonplaats] aan [adres echtelijke woning] aan de man, dan wel (subsidiair) verkoop van de woning aan een derde door het aanwijzen van een makelaar en zich te houden aan de door de makelaar geadviseerde vraagprijs, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw in gebreke blijft aan het ten deze gegeven bevel te voldoen; veroordeling van de vrouw om binnen veertien dagen na beschikking (dan wel een andere door de rechtbank te bepalen termijn) een bedrag van € 77.905,- (inzake schenking ouders) dan wel subsidiair een ander bedrag tegen kwijting aan de man te betalen; veroordeling van de vrouw om binnen veertien dagen na beschikking (dan wel binnen een andere door de rechtbank te bepalen termijn) een bedrag van € 75.000,- (inzake door de vrouw veroorzaakte schulden aan [naam bedrijf 1] , dan wel vermogen dat is onttrokken van de zijde van de man), dan wel subsidiair een ander bedrag tegen kwijting aan de man te betalen; de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2019 (primair) op € 50,- per kind per maand te bepalen, dan wel (subsidiair) op € 124,- per kind per maand te bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Kinderalimentatie & alimentatie jong-meerderjarigen Behoefte kinderen en jong-meerderjarigen De rechtbank hanteert bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage en een bijdrage voor de jong-meerderjarigen de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport). De vrouw heeft gesteld dat voor de behoefte van de kinderen en de jong-meerderjarigen moet worden uitgegaan van een Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) tijdens het huwelijk van partijen van € 8.884,- per maand in 2018. Volgens de vrouw moet de behoefte dus worden berekend aan de hand van het maximale gezinsinkomen volgens de behoeftetabel van € 6.000,- per maand. Uit de tabel volgt dat de behoefte van de kinderen in 2018 € 2.185,- per maand was. Nu de man deze behoefte van de kinderen niet of althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat de rechtbank uit van een behoefte van de vier (destijds) minderjarige kinderen van € 2.185,- per maand. Geïndexeerd naar 2020 is de behoefte van de vier kinderen tezamen € 2.284,- per maand, zijnde een behoefte van € 571,- per kind/jong-meerderjarige per maand. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat ten aanzien van [naam jong-meerderjarige 2] en [naam jong-meerderjarige 1] sprake is van behoefte verhogende kosten. De behoefte van [naam jong-meerderjarige 2] moet worden verhoogde met € 100,- per maand voor zijn vervoer naar [school] . De behoefte van [naam jong-meerderjarige 1] moet worden verhoogd met € 120,- per maand, zijnde de kosten van de premie van zijn zorgverzekering. Nu deze kosten door de man niet zijn betwist, verhoogt de rechtbank de behoeftes van [naam jong-meerderjarige 2] en [naam jong-meerderjarige 1] met deze kosten. Uit het voorgaande volgt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een behoefte hebben van € 571,- per maand. De behoefte van [naam jong-meerderjarige 2] bedraagt € 671,- per maand en de behoefte van [naam jong-meerderjarige 1] bedraagt € 691,- per maand. Draagkracht vrouw De vrouw heeft gesteld dat zij een minimum draagkracht heeft van € 50,- per maand, gelet op haar huidige inkomen van maximaal € 10.000,- bruto per jaar. Nu de man deze draagkracht niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, volgt de rechtbank de bedragen zoals deze zijn genoemd in de overgelegde draagkrachtberekening van de vrouw. De rechtbank gaat uit van een loon volgens jaaropgaaf van € 9.801,- bruto. Rekening houdend met het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget voor de twee nog minderjarige kinderen, de algemene heffingskorting, combinatiekorting en de arbeidskorting volgt uit de berekening van de rechtbank een NBI van de vrouw van € 1.254,- per maand. Conform de draagkrachttabel heeft de vrouw een minimum draagkracht van € 50,- per maand. Draagkracht man De man heeft gesteld dat hij zijn ondernemingen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] heeft verkocht. Hij werkt nu in loondienst en heeft een inkomen van € 2.913,38 bruto per maand. Omdat de man op dit moment ziek is, is het echter de vraag of zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst wordt verlengd, aldus de man. De vrouw heeft gesteld dat aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De man heeft niet voldaan aan zijn stelplicht om aan te tonen dat hij genoodzaakt was om zijn ondernemingen van de hand te doen. Volgens de informatie die de vrouw heeft ingewonnen bij een accountant, moet de man in staat worden geacht om jaarlijks € 85.000,- bruto uit zijn ondernemingen te halen. Voor de draagkracht van de man moet dus van dit inkomen worden uitgegaan, aldus de vrouw. De rechtbank overweegt dat het zich kan voordoen dat de onderhoudsplichtige, in het onderhavige geval de man, door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht. Bij zelf teweeg gebracht inkomensverlies kan die inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht van de man geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. Dit hangt in de eerste plaats af van de vraag of de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en dit ook van hem gevergd kan worden. Met andere woorden, de vraag die allereerst dient te worden beantwoord is of het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is. Daarbij merkt de rechtbank op dat het in dit verband gaat om de vraag of de man redelijkerwijs in staat kan worden geacht het (oorspronkelijk) inkomen opnieuw te verwerven. Pas indien die vraag ontkennend wordt beantwoord en de rechtbank tot het oordeel komt dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar is, moet de vraag worden beantwoord of dit niet voor herstelvatbare inkomensverlies verwijtbaar is. Het is aan de man om in dit verband te stellen en waar nodig – bij betwisting door de vrouw – te bewijzen dat zijn inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. Nu de man heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met zijn inkomen uit loondienst en daarmee, naar de rechtbank begrijpt, ook beoogt te stellen dat zijn inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is, dient de man zijn stelling vervolgens te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dit nagelaten. De man heeft in de eerste plaats niet onderbouwd dat zijn ondernemingen zodanig verlies leden dat hij met die ondernemingen heeft moeten stoppen. Daarnaast heeft de man nagelaten inzage te geven op welke wijze de overdracht van zijn aandelen in de ondernemingen heeft plaatsgevonden. Gelet op de stellingen van de vrouw dat de man geen enkele noodzaak had de ondernemingen van de hand te doen en – zoals zij ter ziting naar voren heeft gebracht – het nog maar de vraag is of de man daadwerkelijk geen inkomen meer genereert uit zijn ondernemingen, had het op de weg van de man gelegen zijn stellingen te onderbouwen. Bij gebrek aan onderbouwende stukken is het de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de man de activiteiten binnen [naam bedrijf 1] heeft moeten overdragen, waarom de aandelen van [naam bedrijf 2] voor € 1,- zijn verkocht en hoe deze verkoop is verlopen. Op geen enkele wijze is komen vast te staan dat het stoppen met deze ondernemingen voor de man noodzakelijk was. De man heeft zijn stellingen aldus onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat er aan de zijde van de man daadwerkelijk sprake is van inkomensverlies, en evenmin dat het door de man gestelde inkomensverlies niet herstelbaar is. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man, dat bovendien voor herstel vatbaar is. De rechtbank zal daarom uitgaan van een fictief inkomen van € 85.000,- bruto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat de man dit bedrag als inkomen uit zijn ondernemingen kan genereren. Ter onderbouwing vaan haar stelling heeft zij een verklaring van haar accountant overgelegd. De man heeft voornoemd bedrag niet, althans onvoldoende onderbouwd. Dit brengt met zich dat de door de vrouw overgelegde verklaring van de accountant voor de rechtbank het enige aanknopingspunt is voor het bepalen van het fictieve inkomen van de man, uitgaande van de situatie waarin hij inkomen uit zijn ondernemingen had kunnen genereren. Wat de (accountant van) de vrouw over de hoogte van het te genereren inkomen heeft gesteld komt de rechtbank bovendien niet onaannemelijk voor, zodat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man zal uitgaan van het hiervoor vermelde fictieve inkomen. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting volgt uit de berekening van de rechtbank een NBI van de man van € 4.339,- per maand. De man heeft gesteld dat bij het berekenen van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met aflossing op verschillende schulden van in totaal € 400,- per maand. Volgens de man zijn deze schulden tijdens het huwelijk ontstaan. De vrouw heeft gesteld dat met deze schulden geen rekening moet worden gehouden nu dit schulden van de onderneming zijn. De rechtbank is van oordeel dat de door de man gestelde schulden onvoldoende met stukken zijn onderbouwd en dat daarnaast niet is gebleken dat de man daadwerkelijk op deze schulden aflost. De rechtbank houdt bij het berekenen van de draagkracht van de man dus geen rekening met een maandelijkse aflossing op schulden. De vrouw heeft gesteld dat bij het berekenen van de draagkracht van de man geen rekening moet worden gehouden met de forfaitaire woonlasten. De man woont bij zijn moeder en hij heeft dus geen woonlasten, aldus de vrouw. De man heeft gesteld dat hij slechts tijdelijk bij zijn moeder woont en dat hij op zoek wil gaan naar een eigen woning. De rechtbank overweegt dat is gebleken dat de man tijdelijk bij zijn moeder woont. De rechtbank is echter van oordeel dat ook de man in staat moet worden gesteld om een eigen woning te hebben. Gelet hierop houdt de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de man dus wel rekening met de forfaitaire woonlasten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in lijn met het Tremarapport van 2020, de draagkracht van de man vaststellen aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 975)]. Bij een NBI van € 4.339,- resulteert dit in een draagkracht van de man van (afgerond) € 1.443,- per maand. Zorgkorting De vrouw heeft gesteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact met de man hebben. Volgens de vrouw moet dus niet worden uitgegaan van een zorgkorting. Nu dit niet door de man is betwist, gaat de rechtbank niet uit van een zorgkorting. Conclusie De draagkracht van de vrouw is € 50,- per maand. De draagkracht van de man is € 1.443,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van de ouders is dus € 1.493,- per maand. Zij hebben onvoldoende draagkracht om in de volledige behoefte van de kinderen en jong-meerderjarigen te voorzien van in totaal € 2.504,- per maand (€ 571 + € 571 + € 671 + € 691). Nu de ouders onvoldoende draagkracht hebben om in de volledige behoefte van de kinderen en jong-meerderjarigen te voorzien en er geen rekening wordt gehouden met zorgkorting, dient de man zijn volledige draagkracht in te zetten voor de kinderalimentatie en alimentatie voor de jong-meerderjarigen. Derhalve komt van de totale behoefte van de kinderen en de jong-meerderjarigen een gedeelte van € 1.443,- per maand voor rekening van de man. De rechtbank zal voor iedere minderjarige en jong-meerderjarigen een gelijk bedrag vaststellen. Dit betekent dat de man € 360,- per maand per minderjarig kind dient te betalen, alsmede € 360,- per maand per jong-meerderjarige (€ 1.443 gedeeld door vier). Ingangsdatum Nu de man reeds een bedrag aan kinderalimentatie en alimentatie voor de jong-meerderjarigen betaalt, acht de rechtbank het redelijk de ingangsdatum te bepalen op 17 maart 2020, zijnde de datum van de beschikking. Aanhechten draagkrachtberekening alimentatie De rechtbank heeft ten behoeve van de kinderalimentatie berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Partneralimentatie Het is de rechtbank bij het berekenen van de kinderalimentatie en de alimentatie voor de jong-meerderjarigen gebleken dat partijen samen onvoldoende draagkracht hebben om in de volledige behoefte van de kinderen en de jong-meerderjarigen te voorzien. Hieruit volgt dat de man eveneens onvoldoende draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te betalen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie daarom af. Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de echtgenoten met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Daarnaast is opgenomen: ‘De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen (…) na aftrek van hetgeen daarvan is besteed als kosten van de gemeenschappelijke huishouding overblijft, onderling te verrekenen (…).’ Ook is opgenomen: ‘Op de door de echtgenoten tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zal bij echtscheiding (…) het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing zijn.’ Peildatum De rechtbank stelt vast dat als peildatum 1 mei 2018, zijnde de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, heeft te gelden. Bestanddelen Door de vrouw en de man zijn in deze procedure de volgende te verdelen, dan wel te verrekenen bestanddelen naar voren gebracht: woning te [postcode] [woonplaats] aan [adres echtelijke woning] en de hierop rustende hypotheek bij [naam hypotheekverstrekker] met nummers [hypotheeknr. 1] en [hypotheeknr. 2] en de hypotheek bij [naam bedrijf 1] ; kapitaalpolissen bij [verzekeringsmaatschappij] met nummer [polisnr.] ; aandelen in [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] ; spaargeld van de kinderen; inboedel; boot Zodiac en boot Rancraft met trailer; auto BMW met kenteken [kenteken] . De rechtbank merkt op dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen vast staat dat de hypotheek bij [naam hypotheekverstrekker] , de hypotheek bij [naam bedrijf 1] en de kapitaalpolissen bij [verzekeringsmaatschappij] op naam van beide partijen staan, zodat ten aanzien van deze bestanddelen sprake is van eenvoudige gemeenschappen tussen partijen. Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.