RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/4299 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2020 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Chamkh). Procesverloop Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Bij besluit van 7 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Eiseres heeft de Poolse nationaliteit en is, naar eigen zeggen, in 2007 naar Nederland gekomen met het doel hier te werken. Zij is op 29 december 2015 door de politie geregistreerd als vreemdeling. De politie heeft eiseres op 8 december 2018 gehoord over het eindigen van haar rechtmatig verblijf en naar aanleiding hiervan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voorgesteld om vast te stellen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. 2. Verweerder heeft bij het primaire besluit vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf na drie maanden zoals gesteld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat eiseres per 1 maart 2014 geregistreerd staat als niet-ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP), zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om in eigen onderhoud te voorzien, zij geen ziektekostenverzekering heeft en zij geen arbeid in loondienst verricht noch dat zij kan worden aangemerkt als werkzoekende met een reële kans op werk. Ook is de uitkomst van de door verweerder verrichte belangenafweging in het nadeel van eiseres uitgevallen en is volgens verweerder de vaststelling dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. 3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte onderzoek heeft gedaan of zij voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Volgens eiseres mag uitsluitend onderzoek worden gedaan als er een gegrond vermoeden van misbruik bestaat, waarbij zij verwijst naar hetgeen onder 2.6 (Behoud van het verblijfsrecht) gesteld is in de Werkinstructie SUA, WI 2018/4 Het recht van de Europese Unie (Werkinstructie). In de situatie van eiseres is geen sprake van misbruik, omdat zij geen onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel. Daarnaast betoogt eiseres dat verweerder heeft nagelaten te motiveren op grond van welk uitgewerkt beleid rechtmatig verblijf beëindigd kan worden, waarbij overlast een grond is voor deze beëindiging. De door verweerder verrichte belangenafweging is bovendien onduidelijk, omdat nergens uit blijkt op wat voor manier deze belangenafweging wordt toegepast. Eiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid dan wel onvoldoende is gemotiveerd, waardoor deze in redelijkheid niet genomen had kunnen worden. Bij brief van 6 januari 2020 heeft eiseres de gronden van beroep aangevuld. Eiseres betoogt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder heeft onderzocht of eiseres ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de status van werknemer had. Indien verweerder destijds onderzoek had gedaan naar het arbeidsverleden van eiseres in Suwinet, zou volgens eiseres zijn gebleken dat zij de status van werknemer had en aan de vereisten van de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) voldeed. Eiseres verwijst daarbij naar twee bijlagen waaruit zou blijken dat zij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de status van werknemer had en ook in de periode daarna. Gelet op het voorgaande stelt eiseres dat verweerder daarom evenmin van het horen had mogen afzien. 4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 6. De rechtbank overweegt als volgt. 6.1. De rechtbank stelt vast dat in de Werkinstructie onder 5.5 (Toetsing van het rechtmatig verblijf) staat dat verweerder het verblijfsrecht van Unieburgers toetst in specifieke situaties onder meer naar aanleiding van signalen. Indicaties die kunnen leiden tot een toets of aan de voorwaarden wordt voldaan zijn bijvoorbeeld een melding van de Gemeentelijke Sociale Dienst van een bijstandsaanvraag, crimineel gedrag, overlast of een schijnrelatie. In de Werkinstructie wordt daarbij verwezen naar de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Vb 2000 (besluit van 8 juli 2014, Staatsblad 2014, nr. 268) waarin wordt bevestigd dat onder andere crimineel gedrag en overlast indicaties zijn die kunnen leiden tot een toets of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf wordt voldaan. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres meermalen in Nederland met de politie in aanraking is geweest, onder andere wegens gepleegde diefstallen en het plegen van overlast. Hierdoor is de twijfel ontstaan of eiseres in haar eigen onderhoud kan voorzien, waardoor de politie aanleiding heeft gezien om de situatie van eiseres te onderzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het voorgaande op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van voldoende aanwijzingen van redelijke twijfel als bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, van het Vb 2000 om een onderzoek te starten of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. De stelling van eiseres dat zij geen onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel vormt, doet hier niet aan af. 6.2. De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3585) af dat indien een burger van de Unie geen verblijfsrecht kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, deze persoon in beginsel onderworpen kan worden aan een verwijderingsmaatregel, ook als deze persoon geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel. Anders dan gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangevoerd, ziet de rechtbank in de verschillen tussen artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.12 van het Vb 2000 geen grond om tot een ander oordeel te komen. Uit het onder 6.1. genoemde onderzoek is gebleken dat eiseres niet aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande terecht vastgesteld dat eiseres geen verblijfsrecht heeft, ondanks dat zij geen beroep op het socialebijstandsstelsel zou hebben gedaan. Verweerder heeft vervolgens, conform de uitspraak van de Afdeling, in zijn besluitvorming een belangenafweging verricht door het belang van eiseres om in Nederland te mogen verblijven af te wegen tegen het belang van de Nederlandse staat. Naar de rechtbank begrijpt, bestaat dit laatstgenoemde belang erin dat de door eiseres gepleegde strafbare feiten en veroorzaakte maatschappelijke overlast, die mede het gevolg zijn van het feit dat eiseres niet in haar eigen onderhoud kan voorzien en die maken dat het verblijf van eiseres in Nederland een belasting vormt voor de publieke middelen, moeten worden voorkomen. Verweerder heeft daarbij deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Het feit dat verweerder geen beleid heeft opgesteld waarin de belangen zijn genoemd waaraan verweerder in soortgelijke gevallen toetst, leidt niet tot een andere conclusie. 6.3. Ten aanzien van de gronden die eerst in de brief van 6 januari 2020 zijn aangevoerd overweegt de rechtbank dat deze – los van het feit dat zij te laat naar voren zijn gebracht – niet slagen, nu het op de weg van eiseres had gelegen om reeds in bezwaar naar voren te brengen dat zij, zoals zij stelt, de status van werknemer had. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op schending van de hoorplicht evenmin. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan. 6.4. Nu eiseres niet nader heeft onderbouwd in hoeverre verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen volstaan met zijn motivering zoals opgenomen in het bestreden besluit. 6.5. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, stand houdt. 7. Het beroep is ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2020. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. BIJLAGE Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) Artikel 6 1. Burgers van de Unie hebben het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. […] Artikel 7 1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.