Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 19/6569 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2020 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. T. Kocabas), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 21 februari 2014 tot en met 20 februari 2019 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 5.278. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 september 2019 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en J. Trzcinska als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] . Overwegingen Feiten 1. Eiser staat in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) vanaf 26 maart 2012 ingeschreven op het adres [adres] te [plaats] . Op 21 februari 2019 omstreeks 16:25 uur is geconstateerd dat eiser op dat moment in Nederland gebruik maakte van de weg met een Skoda Octavia voorzien van het Poolse kenteken [kenteken] (de auto). 2. Met dagtekening 24 april 2019 heeft verweerder aan eiser een vooraankondiging gestuurd waarin hij aangeeft voornemens te zijn een naheffingsaanslag MRB en een verzuimboete op te leggen. Met dagtekening 7 juni 2019 heeft verweerder over de periode van 21 februari 2014 tot en met 20 februari 2019 een naheffingsaanslag MRB opgelegd naar een te betalen bedrag van € 6.948. Bij gelijktijdige beschikking heeft verweerder een verzuimboete van € 5.278 aan eiser opgelegd. Geschil 3. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. 4. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag en de boete ten onrechte aan hem zijn opgelegd. De auto is wel van hem maar staat hem niet in Nederland ter beschikking. De in Polen woonachtige partner en familie van eiser maken gebruik van de auto. In februari 2019 was de partner van eiser met de auto naar Nederland gekomen om hem te bezoeken. Op het moment van de constatering maakte eiser eenmalig gebruik van de auto. Voorts dient de boete te vervallen wegens afwezigheid van alle schuld. Verder stelt eiser dat verweerder in strijd handelt met het evenredigheidsbeginsel. 5. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken. Beoordeling van het geschil Naheffingsaanslag 6. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet MRB) wordt ter zake van het houden van een personenauto MRB geheven. 7. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet MRB wordt een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorvoertuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. 8. Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de belasting worden nageheven. Voor de toepassing van dit lid wordt een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven. 9. Verweerder heeft de naheffingsaanslag op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB aan eiser opgelegd. Voor de beoordeling van de naheffingsaanslag moeten diverse stappen worden doorlopen, zoals beschreven in het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483 (het arrest van de HR). 10. Hier doet zich de situatie voor dat geconstateerd is dat een als ingezetene van Nederland ingeschreven persoon gebruik van de weg in Nederland heeft gemaakt met een auto met buitenlands kenteken zonder dat daarvoor Nederlandse MRB is betaald. Op grond van de Wet MRB is het opleggen van de naheffingsaanslag MRB daarvoor als uitgangspunt terecht. 11. Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder een juiste berekeningsperiode als uitgangspunt heeft genomen. Verweerder heeft de naheffingsaanslag berekend over de periode 21 februari 2014 tot en met 20 februari 2019. Deze periode is als uitgangspunt niet te lang. De naheffingsaanslag mag namelijk in beginsel worden berekend over de periode die (op zijn vroegst) aanvangt op de dag waarop eiser is ingeschreven als ingezetene in de BRP en die eindigt de dag voorafgaand de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd (artikel 34 in combinatie met artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB). 12. Ten slotte dient te worden beoordeeld of eiser is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De berekeningsperiode houdt in de kern een soort van bewijsvermoeden in met betrekking tot de periode waarin eiser houder was van de auto in Nederland in de zin van de Wet MRB. Eiser heeft de mogelijkheid tegenbewijs te leveren. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de berekeningsperiode zijn hoofdverblijf in Nederland had. Er zijn dan twee tegenbewijsmogelijkheden. Eiser heeft de mogelijkheid om aannemelijk te maken (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.