Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/2008 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde mr. E.T.P. Scheers), tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Overwegingen
- Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. 2 De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft immers op 24 februari 2020 al een uitspraak (met zaaknummer SGR 20/211) gedaan inzake het besluit van 11 december
- Daarbij is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Bij die uitspraak is een voorlopig oordeel gegeven over het besluit van verweerder om het Nederlanderschap van verzoeker met terugwerkende kracht in te trekken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat - zo volgt uit artikel 8:85 van de Awb - de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BY5481).
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat kan worden uitgegaan van spoedeisend belang. Verzoeker verblijft nu in België en hij kan als gevolg van de intrekking van het Nederlanderschap niet vrij reizen en dreigt binnenkort uitgezet te worden naar Togo.
- De voorzieningenrechter ziet evenwel in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de eerdere afwijzende beslissing van de voorzieningenrechter van 24 februari
- Het gegeven dat verzoeker nu schriftelijk is gehoord in bezwaar is geen nieuw feit of omstandigheid, dat maakt dat een toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening thans wel in de rede ligt. Evenmin kan het standpunt van verzoeker dat het zeer bijzonder is dat de voorzieningenrechter zich bij de eerdere uitspraak heeft uitgelaten over zeer complexe problematiek tot het oordeel leiden dat nu een toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Dit geldt evenzeer voor de twijfel van verzoeker of de belangen voldoende zijn afgewogen en of er sprake is van inbreuk op het privéleven van verzoeker. De voorzieningenrechter heeft zich bij de eerdere uitspraak over de belangen uitgelaten en niet is gebleken dat er sprake is van ernstige onvolkomenheden in die uitspraak. Daarbij is de stelling van verzoeker niet onderbouwd dat op de zitting bij de vorige voorlopige voorziening, anders dan is vermeld in het proces-verbaal, niet is aangegeven dat hij de Togolese nationaliteit kan herkrijgen.
- Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening al dan niet in de vorm van een ordemaatregel. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier, op 18 maart
- griffier voorzieningenrechter Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting, maar zal de uitspraak zo snel mogelijk worden gepubliceerd op rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.