RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.6084 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.C. de Jong), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 23 januari 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft op 20 februari 2020 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen
- Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 februari 2020 (in de zaak NL20.1978) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
- Eiser voert primair aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkte aan zijn verwijdering. Eiser stelt zich hierover op het standpunt dat verweerder tussen 6 februari en 12 februari niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. 3.
- In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkte aan zijn verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de consul op 6 februari 2020 heeft aangegeven dat hij bereid is een laissez-passer af te geven als eiser zich inschrijft bij IOM en via IOM terug zal keren. Er is, met een weekend ertussen, 5 dagen later navraag gedaan bij het IOM, maar op dat moment (11 februari 2020) had IOM nog niets definitiefs van de consul vernomen. IOM heeft vervolgens, op verzoek van verweerder, de volgende dag een vlucht voor eiser geboekt op 20 februari
- De rechtbank acht dit alles niet onvoldoende voortvarend. Subsidiair heeft eiser verwezen naar artikel 59, derde lid, Vw. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Voor toepassing hiervan is namelijk vereist dat de gelegenheid bestaat om Nederland te verlaten. Voor eiser bestond op 12 februari 2020 niet de gelegenheid om Nederland te verlaten. Er was die dag weliswaar een ticket voor eiser geboekt, maar met dit ticket kon eiser niet eerder dan op 20 februari 2020 Nederland verlaten. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.