← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:2584

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 25 maart 2020 in de procedures van zaaknummer / rolnummer: C/09/428182 / HA ZA 12-1165 2 [eisende partij 1] , wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 3. [eisende partij 2], bij leven wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 4. [eisende partij 3], wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 5. [eisende partij 4], wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 12. [eisende partij 5], wonende te [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 18. de stichting STICHTING KOMITE UTANG KEHORMATAN BELANDA, gevestigd te Heemskerk, zaaknummer / rolnummer C/09/458254 / HA ZA 14-96: 2 [eisende partij 6] , wonende te [woonplaats 3] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 3. [eisende partij 7], wonende te [woonplaats 4] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 5. [eisende partij 8], wonende te [woonplaats 5] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 6. [eisende partij 9], wonende te [woonplaats 6] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 10. [eisende partij 10], wonende te [woonplaats 7] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 11. [eisende partij 11], wonende te [woonplaats 8] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 12. [eisende partij 12], wonende te [woonplaats 9] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 13. [eisende partij 13], wonende te [woonplaats 10] , [woonplaats 10] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 18. de stichting STICHTING KOMITE UTANG KEHORMATAN BELANDA, gevestigd te Heemskerk, zaaknummer/rolnummer C/09/467029 / HA ZA 14-653 [eisende partij 14] , wonende te [woonplaats 17] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, zaaknummer/rolnummer C/09/472892 / HA ZA 14-1020 1 [eisende partij 15] , 2. [eisende partij 16], beiden wonende te [woonplaats 11] , Indonesië, zaaknummer/rolnummer C/09/472901 / HA ZA 14-1021 2 [eisende partij 17] , wonende te [woonplaats 12] , Indonesië, 3. [eisende partij 18], wonende te [woonplaats 13] , Indonesië, 5. [eisende partij 19], wonende te [woonplaats 14] , Indonesië, 6. [eisende partij 20], wonende te [woonplaats 15] , Indonesië, 7. [eisende partij 21], wonende te [woonplaats 16] , Indonesië, eisers en eiseressen, advocaat: mr. A. Vossenberg te Amsterdam, tegen in alle procedures de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat: mr. K. Teuben te Den Haag. Gedaagde in alle zaken blijft aangeduid als ‘de Staat’. Eiser sub 18 in de procedures met zaak-/rolnummer C/09/428182 / HA ZA 12-1165 en C/09/458254 / HA ZA 14-96 blijkt aangeduid als ‘Stichting KUKB’ en de natuurlijke personen die als eisende partij optreden worden net als in de eerdere tussenvonnissen individueel aangeduid met (het laatste gedeelte van) hun eigen naam en tezamen als ‘de weduwen en kinderen’. Na het uitbrengen van de dagvaardingen is een aantal weduwen en kinderen overleden. Bij gebreke van een schorsing en artikel zijn zaak op grond van wetsartikel 225 lid 2 Rv voortgezet op hun naam. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedures blijkt uit: het tussenvonnis van 31 januari 2018 en de daarin genoemde stukken; de processen-verbaal van de getuigenverhoren op 3, 9, 17, 19, 24, 25 en 30 april 2018, 1 mei 2018, 25, 26 en 28 juni 2018, 2, 3, 5, 6 en 11 juli 2018, 18 en 23 oktober 2018 en 7 februari 2018; de conclusies na enquête van partijen; de aktes van partijen in de zaken [eisende partij 15] en [eisende partij 16] . 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling Inleiding 2.1. De weduwen en kinderen stellen dat hun echtgenoten en vaders in 1946-1947 zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes in Nederlands-Indië, het huidige Zuid-Sulawesi in Indonesië. Zij houden de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die zij daardoor stellen te hebben geleden. 2.2. Zoals is overwogen in de tussenvonnissen, is voor toewijzing van de vorderingen vereist dat in rechte komt vast te staan dat de weduwen en kinderen 1) weduwe of kind zijn van 2) een destijds door Nederlandse militairen onrechtmatig geëxecuteerde man. De weduwen en kinderen dragen de bewijslast van deze stellingen. In alle zaken twisten partijen over de door de weduwen en kinderen gestelde toedracht van het overlijden van hun echtgenoot of vader. Alle weduwen en kinderen zijn toegelaten dit te bewijzen. Daarnaast zijn [eisende partij 9] , [eisende partij 16] en [eisende partij 21] wier identiteit en/of de familierechtelijke band met de overleden man niet vaststaat, toegelaten tot het bewijs daarvan. De weduwen en kinderen hebben schriftelijk bewijs bijgebracht en bewijs door het horen van getuigen. Het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige R. Cribb 2.3. In het tussenvonnis van 27 januari 2016 heeft de rechtbank in de procedures met zaak-/rolnummers C/09/428182 / HA ZA 12-1165, C/09/458254 / HA ZA 14-96, en C/09/467029 / HA ZA 14-653 de historicus R. Cribb (hierna: Cribb) benoemd als deskundige, met het oog op beantwoording van – voor zover van belang – de volgende vragen: Zijn op de erebegraafplaats Tanete uitsluitend mannen (her)begraven die slachtoffer waren van onrechtmatige executies tijdens zuiveringsacties in 1946 en 1947 door militairen van het DST en/of andere KNIL-eenheden ? Kan dus worden uitgesloten – zo ja, op grond waarvan – dat op de erebegraafplaats van Tanete (ook) doden zijn (her)begraven die door andere omstandigheden om het leven zijn gekomen waarvoor de Staat niet aansprakelijk te houden is, zoals bijvoorbeeld slachtoffers van legitieme gevechtshandelingen ? Liggen in het ommuurde gedeelte van het ereveld op Suppa uitsluitend slachtoffers van het bloedbad in dat dorp op 28 januari 1947 ? Kan worden vastgesteld op de graven die buiten het ommuurde gedeelte van het ereveld van Suppa liggen van standrechtelijk geëxecuteerde personen zijn ? Kan op basis van de locatie van een graf op het ereveld Taccorong worden vastgesteld of de persoon in kwestie standrechtelijk is geëxecuteerd ? Blijkt uit de locatie van de graven van [A] en [B] op de begraafplaats Taccorong dat deze mannen standrechtelijk zijn geëxecuteerd ? Is bij het (her)begraven op deze drie erebegraafplaatsen ten aanzien van iedere overledene nagegaan of hij slachtoffer was van een onrechtmatige executie voordat hij daar werd (her)begraven ? Zo ja, hoe is dat gebeurd en door wie ? Is dit in enige administratie vastgelegd en kan daarvan een afschrift worden verkregen ? Kunt u vaststellen of op de erebegraafplaats in Tanete (her)begraven zijn de echtgenoten van partijen [eisende partij 6] , [eisende partij 8] , [eisende partij 12] en [eisende partij 7] , en zo ja, op basis van welke concrete gegevens (anders dan alleen de eigen partijverklaring) ? Wanneer, in opdracht van wie, door wie en op welke wijze is de ‘lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba ’ opgesteld? Zijn hierop uitsluitend slachtoffers van een onrechtmatige executie vermeld, en zo ja, op grond waarvan trekt u die conclusie ? Zo niet, kunt u vaststellen of de op deze lijst vermelde vader van partij [eisende partij 5] ( [C] ) slachtoffer was van een onrechtmatige executie, en zo ja, op basis van welke concrete gegevens (anders dan alleen de eigen partijverklaring) komt u tot die conclusie ? Op welke wijze zijn de vier in het geding gebrachte lijsten van de sociale dienst opgesteld ? Zijn hierop uitsluitend slachtoffers van een onrechtmatige executie vermeld, en zo ja, op grond waarvan trekt u die conclusie ? Zo niet, kunt u vaststellen of de op deze lijst vermelde echtgenoten en vaders van partijen in deze procedure – te weten op de eerste lijst: de echtgenoten van [eisende partij 14] ( [D ] ) en de vaders van [eisende partij 1] ( [E ] ) , [eisende partij 2] ( [F] ) en [eisende partij 4] ( [G] ), op de tweede lijst de (gestelde) echtgenoten van [eisende partij 6] ( [H] ), [eisende partij 8] ( [I ] ), [eisende partij 12] ( [J] ), [eisende partij 7] ( [K] ), [eisende partij 9] ( [A] ), [eisende partij 10] ( [B] ) en [eisende partij 11] ( [L] ) en de vader van [eisende partij 5] ( [C] ), op de derde lijst de (gestelde) echtgenoten van [eisende partij 9] ( [A] ) en [eisende partij 10] ( [B] ) en op de vierde lijst de echtgenoten van [eisende partij 6] ( [H] ), [eisende partij 8] ( [I ] ), [eisende partij 12] ( [J] ) en [eisende partij 7] ( [K] ) – slachtoffers waren van onrechtmatige executies, en zo ja, op basis van welke concrete gegevens (anders dan alleen de eigen partijverklaring) komt u tot die conclusie ? Kunt u vaststellen of op of rond 14 januari 1947 onrechtmatige executies hebben plaatsgehad in de plaats die tegenwoordig kampong Coka wordt genoemd en – zo ja – of de vader van [eisende partij 3] ( [M] ) daarbij om het leven is gekomen ? 2.4. In het tussenvonnis van 27 juli 2016 is de opdracht van Cribb uitgebreid met de volgende vragen (doorgenummerd ten opzichte van de onder 2.3 bedoelde vragen): in zaak C/09/472892 / HA ZA 14-1020: 9. Heeft begin 1947 na de zuiveringen in Makassar een standrechtelijke executie plaatsgehad bij de brug bij Katimbang, waarbij de echtgenoot van [eisende partij 15] , [N] , door Nederlandse militairen is doodgeschoten ? in zaak C/09/472901 / HA ZA 14-1021: 10. Blijkt uit de locatie van de graven van [O] , [P] , [Q] en [R] op de begraafplaats TMP Ganggawa Mario dat deze mannen door Nederlandse militairen standrechtelijk zijn geëxecuteerd en, zo ja, waarom, of zo nee, waarom niet ? 10. Is bij het (her)begraven op deze erebegraafplaats ten aanzien van iedere overledene nagegaan of hij slachtoffer was van een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen voordat hij werd (her)begraven ? En, zo ja, hoe en door wie en is dat in enige administratie vastgelegd en kan daarvan afschrift worden verkregen ? 10. Is de vermelding van de namen van de hiervoor genoemde mannen op de gedenkmuur van Ganggawa Mario relevant voor de beantwoording van de vraag of deze mannen standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen – en, zo ja, in welke zin ? 10. Wanneer, in opdracht van wie, door wie en op welke wijze is de slachtofferlijst Ganggawa Mario opgesteld ? Staan hierop uitsluitend slachtoffers van standrechtelijke executies door Nederlandse militairen en zo ja, op grond waarvan trekt u deze conclusie ? 10. Kunt u vaststellen of de echtgenoten van [eisende partij 17] ( [O] ) en [eisende partij 19] ( [P] ) zijn omgekomen bij de standrechtelijke executies door Nederlandse militairen die op 7 februari 1947 hebben plaatsgevonden in Bulo Wattang ? 2.5. Tijdens de comparitie van partijen op 27 oktober 2017 is het concept-rapport besproken met Cribb, die zich tijdens de zitting in zijn werkkamer in Australië bevond. Met instemming van partijen gebeurde dit via een skype-verbinding. Na deze comparitie heeft Cribb zijn eindrapport uitgebracht. 2.6. De weduwen en kinderen zetten uiteen dat zij de overtuiging hebben dat Cribb een kwalitatief gebrekkig onderzoek heeft verricht, zich onvoldoende op de feiten heeft georiënteerd en kansen om een waardevolle, inhoudelijke bijdrage aan deze zaken te leveren heeft laten liggen. Zij concluderen dat het onderzoek van Cribb weinig toevoegt aan het dossier. 2.7. De rechtbank onderschrijft deze conclusie van de weduwen en kinderen niet. Met hun opmerkingen over het niet of onvoldoende spreken met personen ter plaatse, gaan zij eraan voorbij dat de opdracht aan Cribb was om zijn onderzoek te verrichten aan de hand van historische en verifieerbare bronnen die objectief inzicht geven in de achtergronden van de onderzochte erebegraafplaatsen en de totstandkoming van de onderzochte lijsten. Verder had Cribb als door de rechtbank benoemde deskundige een grote mate van vrijheid bij de inrichting en uitvoering van zijn onderzoek. In zijn eindrapport en tijdens de comparitie van partijen heeft Cribb het door hem verrichte onderzoek en de daarbij door hem gemaakte keuzes toegelicht. De rechtbank laat de opmerkingen van de weduwen en kinderen verder voor wat ze zijn, nu zij niet verzoeken daaraan enige consequentie te verbinden. De rechtbank ziet daar ambtshalve ook geen aanleiding toe. Zij zal het rapport van Cribb betrekken in de bewijsbeoordeling. Algemene overwegingen over het bijgebrachte getuigenbewijs 2.8. Het horen van de getuigen, die zich op verschillende locaties in Indonesië bevonden, wordt beheerst door artikel 176 Rv: Indonesië is geen partij bij het Haags Bewijsverdrag 1970 of het Haags Rechtsvorderingsverdrag van 1954 of bij enig op dit punt relevant bilateraal verdrag met Nederland en de EU-Bewijsverordening is niet van toepassing. Nu artikel 176 Rv bepaalt dat de rechter de getuige op de daarin beschreven wijze kan horen, biedt deze bepaling naar het oordeel van de rechtbank ruimte voor het op andere wijze, door middel van ‘telehoren’, horen van een zich in het buitenland bevindende getuige. De getuigen zijn gehoord overeenkomstig de afspraken die de rechter-commissaris hierover met partijen heeft gemaakt tijdens de regiezitting van 12 februari 2018. Voor zover van belang houden deze afspraken het volgende in: tijdens de verhoren bevond de rechter-commissaris zich met de griffier, de advocaten van partijen, de tolk (Nederland/Bahasa Indonesia) en publiek zich in de zittingzaal in de rechtbank, de getuigen bevonden zich op de door partijen in onderling overleg geregelde locaties in Zuid-Sulawesi, Indonesië (Hotel Dalton te Makassar, de school Wisma Sang Surya te Bulukumba , een kantoor in Bonto Bangun, Resto Fly Over te Suppa , Hotel ‘M’ te Pinrang , het kantoor van het subdistrict te Kulo en een kantoor in Bulohole); de identiteit van de getuigen is vastgesteld door mevrouw [X] , die ook tijdens de verhoren aanwezig is geweest; de identiteit van de getuigen is vastgesteld door mevrouw [X] , de verhoren vonden plaats via een een beveiligde digitale vergaderruimte (een zogenaamde MCU) van de rechtspraak en – in voorkomend geval toen die verbinding niet werkte – via skype; voldaan is aan de formaliteiten van artikel 177, lid 1 en 2, Rv, waarbij door alle getuigen de belofte is afgelegd; de vragen aan de getuigen en hun antwoorden op die vragen zijn letterlijk in het Nederlands weergegeven in de processen-verbaal van verhoor; de vragen zijn in het Nederlands gesteld en door de in de zittingzaal aanwezige tolk vertaald naar Bahasa Indonesia. De getuigen die Bahasa Indonesia spraken, hebben in die taal hun verklaring afgelegd, die naar het Nederlands is vertaald door de in de zittingzaal aanwezige tolk; voor de getuigen die Makassar of Boeginees spraken, zijn de vragen door de in Indonesië aanwezige tolk vertaald van het Bahasa Indonesia naar Makassar of Boeginees, waarop de getuigen hun verklaring in het Makassar of Boeginees hebben afgelegd. Die verklaring is door de in Indonesië aanwezige tolk vertaald naar Bahasa Indonesia en vervolgens door de in de zittingzaal aanwezige tolk van Bahasa Indonesia naar het Nederlands; in de zittingzaal hebben door de advocaten van de weduwen en de kinderen ingeschakelde uit Indonesië afkomstige promovendi/studenten (de vertaling van) hetgeen gezegd werd in Makkassar en Boeginees gecontroleerd en in voorkomend geval daarover opmerkingen gemaakt, die in de processen-verbaal van verhoor zijn genoteerd; de getuigen hebben hun verklaring niet ondertekend; de verklaringen zijn niet gedicteerd en voorgelezen; van het verhoor zijn beeld- en geluidsopnamen gemaakt, die zijn verstrekt aan partijen. 2.9. De rechter-commissaris, die deel uitmaakt van de meervoudige kamer, die dit vonnis wijst, heeft de getuigen gehoord, waarna de in de zittingzaal aanwezige advocaten de getuigen hebben kunnen bevragen. Door het aldus horen van de getuigen is bewerkstelligd dat de rechtbank, overeenkomstig de in artikel 155 Rv vooropgestelde regel, de getuigen zelf heeft gehoord en is voorts recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. 2.10. Voor de waardering van het bewijs gelden de eerdere overwegingen daarover in de tussenvonnissen, waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst. De rechtbank voegt daar het volgende aan toe. 2.11. Met partijen is afgesproken dat aan de verklaringen van de getuigen de bewijswaarde zal worden toegekend van getuigenbewijs in de zin van artikel 163 Rv. Dat betekent dat de verklaringen van de weduwen en kinderen, die als partijgetuige zijn gehoord in hun eigen zaak, omtrent de door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel kunnen opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Het steunbewijs dient zodanig sterk te zijn en essentiële punten te betreffen dat het de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt. 2.12. De in artikel 163 Rv bedoelde eigen waarneming van een getuige is niet beperkt tot directe waarnemingen als ooggetuige; gegevens van horen zeggen zijn voor bewijs vatbaar. 2.13. Afgezien van de hiervoor weergegeven regel voor de bewijskracht van partijgetuigen verklaringen, vergt de toepasselijke vrije bewijsleer niet dat een bewijsmiddel wordt ondersteund door ander bewijs. De te bewijzen feiten kunnen dus worden gebaseerd op één bewijsmiddel, bijvoorbeeld de verklaring van een getuige. Vanwege de beperkte bewijskracht, kan dat niet een verklaring van een partijgetuige zijn. 2.14. Een aantal getuigen heeft een verklaring afgelegd die (sterk) afwijkt van een eerder in het geding gebrachte schriftelijke verklaring. In eerdere tussenvonnissen heeft de rechtbank in algemene zin overwogen dat veel schriftelijke verklaringen geen redenen van wetenschap bevatten en dat onduidelijk is hoe de schriftelijke verklaringen tot stand zijn gekomen. De rechtbank zal daarom de schriftelijke verklaringen niet voor het bewijs gebruiken. Zij zal alleen gebruik maken van de verklaringen van de getuigen. 2.15. De getuigenverklaringen zijn onder ede afgelegd op vragen van de rechtbank en partijen. Anders dan de Staat bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om getuigenverklaringen als onbetrouwbaar ter zijde te laten als zij afwijken van eerdere schriftelijke verklaringen. De onduidelijkheid over de wijze van totstandkoming van de schriftelijke verklaringen, staat eraan in de weg om op basis daarvan de getuigenverklaringen als onbetrouwbaar aan te merken. De rechtbank zal dus alle getuigenverklaringen betrekken in de bewijsbeoordeling, ook als zij afwijken van eerdere schriftelijke verklaringen van dezelfde persoon. 2.16. Over het algemeen hebben de getuigen geen precisering gegeven van tijdstippen of een periode, uitgedrukt in concrete maanden en/of data. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat personen zoals deze getuigen, die destijds op het platteland in Zuid-Sulawesi woonden, niet hetzelfde besef van tijd hadden (en in veel gevallen nog steeds niet hebben) als mensen die in Nederland woonden en dat zij tijdstippen niet – zoals te doen gebruikelijk in Nederland – in termen van jaren en maanden aanduiden. Zij duiden tijdstippen veeleer aan met het seizoen (regentijd of de droge tijd) aanduiden en/of bepaalde stadia van het bebouwen en het bewerken van het land (bijvoorbeeld het inzaaien van rijst of het oogsten van mais). Dit gebeurt overigens in Nederland ook wel, als wordt geput uit de herinnering, zeker als een kwestie zich lang geleden heeft voorgedaan. 2.17. Het hiervoor besproken ontbrekend of afwijkend besef van tijd komt ook tot uiting in het gegeven dat een aantal getuigen niet wist hoe oud zij waren ten tijde van de gebeurtenissen waarover zij verklaarden of in het kader van de formaliteiten een leeftijd noemde, die niet strookte met de leeftijd die vermeld staat op hun identiteitsbewijs. De rechtbank ziet in de aantoonbare onjuistheden op dit punt geen grond om de getuigenverklaring reeds hierom als zodanig in twijfel te trekken. 2.18. De weduwen en kinderen hebben naar voren gebracht dat personen zoals zij en de gehoorde getuigen die de zuiveringsacties hebben meegemaakt, uit een ander tijdperk en een andere wereld komen. De moderne Westerse referentiekaders kunnen niet zonder meer op hen worden toegepast, aldus de weduwen en kinderen, die wijzen op het deskundigenbericht van professor Herman Slaats over de partijen in de zaak [… 1] c.s., over executies in Rawagede te Java in 1947. Daarin wordt gesproken van “geïsoleerde, kleine Javaanse dorpsgemeenschappen van ongeletterde boeren [...] De wereld van deze mensen strekte zich uit tot het eigen dorp en hooguit enkele omliggende dorpen.” De weduwen en kinderen betogen dat dit evenzeer (zo niet méér) waar is voor hen en de gehoorde getuigen, die uit het minder welvarende Zuid-Sulawesi komen. Zij wijzen erop dat hun wereld destijds bijzonder klein was en dat vandaag de dag nog steeds is. 2.19. De rechtbank heeft oog voor de niet ter discussie staande culturele verschillen, die zich uiten in andere tradities en levensstijl. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de waardering van de getuigenverklaringen. 2.20. De weduwen en kinderen verwijzen herhaald naar hetgeen uit historisch onderzoek, waaronder het proefschrift van R. Limpach, bekend is over de aard en omvang van het toegepaste geweld. De in de aangehaalde bronnen beschreven grootschalige omvang en het structurele karakter van de misdragingen van Nederlandse militairen in 1946-1949 staan niet ter discussie. Aan Indonesische zijde zijn echter ook slachtoffers gevallen als gevolg van legitieme gevechtshandelingen. De rechtbank acht het verder een feit van algemene bekendheid dat in de chaotische periode in 1947-1949 ook dodelijke slachtoffers zijn gevallen als gevolg van andere gewelddadige oorzaken dan misdragingen van Nederlandse militairen. Dit een en ander staat in de weg aan het, alleen op grond van de grootschalige omvang en het structurele karakter van de misdragingen van Nederlandse militairen, trekken van conclusies in gevallen waarin niet kan worden uitgesloten dat een man het slachtoffer is van legitieme gevechtshandelingen dan wel concrete aanknopingspunten dat de man door Nederlandse militairen is gedood ontbreken. Algemene bewijsthema’s 2.21. In de eerdere tussenvonnissen zijn erebegraafplaatsen en slachtofferlijsten als algemene bewijsthema’s geïdentificeerd en besproken. De weduwen en kinderen stelden dat op grond van het begraven zijn op een aantal erebegraafplaatsen en/of vermelding op de door hen in het geding gebrachte slachtofferlijsten, als vaststaand kon worden aangenomen dat de man in kwestie het slachtoffer was van een onrechtmatige executie door Nederlandse militairen. De rechtbank zal hierna deze algemene bewijsthema’s bespreken, eerst (

  1. a)de erebegraafplaatsen en dan (
  2. b)op de slachtofferlijsten. Daarna zal de rechtbank (
  3. c)de individuele bewijsposities van de weduwen en kinderen bespreken. Onder (
  4. d)komt aan de orde of en in hoeverre de vorderingen toewijsbaar zijn. (
  5. a)De erebegraafplaatsen 2.22. De bewijswaarde van het begraven zijn op (een bepaald deel van) de erevelden (a1) TMP Suppa , (a2) TMP Taccorong, (a3) TMP Tanete, (a4) TMP Ganggawa Mario en (a5) TMP Panaikang staat ter discussie. (a1) TMP Suppa 2.23. Vaststaat dat op 28 januari 1947 een massa-executie heeft plaatsgevonden in Suppa . [eisende partij 1] , [eisende partij 2] en [eisende partij 4] stellen dat hun vaders [E ] , [F] en [G] toen zijn doodgeschoten door Nederlandse militairen en daarna zijn begraven in of bij TMP Suppa . [eisende partij 13] en [eisende partij 14] stellen dat hun echtgenoten [S] en [D ] eveneens zijn doodgeschoten tijdens de massa-executie in Suppa op 28 januari 1947 en zijn begraven in of bij TMP Suppa . 2.24. TMP Suppa is een ommuurd gedeelte van een algemene begraafplaats, met daarin één groot massagraf, verdeeld over verschillende grafkuilen. In dat ommuurde gedeelte staan willekeurig geplaatste en verweerde stenen grafzuilen zonder vermelding van de namen van de daar begraven doden. Dat is te zien op deze foto die Cribb heeft gemaakt tijdens zijn bezoek aan deze erebegraafplaats. 2.25. Cribbs antwoord op vraag 4 luidt voor TMP Suppa : “De lijken van de slachtoffers bij Suppa zijn ogenschijnlijk nooit herbegraven. Hun oorspronkelijke teraardestelling in 1947 was een massabegraving van slachtoffers van een massacre in oorlogstijd. Het is niet te verwachten dat aparte administratie zou hebben plaatsgevonden.” 2.26. Cribbs antwoord op vraag 2 luidt: “Net als bij het ereveld Tanete is er geen aanwijzingen betreffende de omstandigheden waarin de overledene stierven. Er is een groot verschil tussen het ommuurde gedeelte van het ereveld op Suppa en het gedeelte buiten de muren. Binnen het ommuurde gedeelte van het ereveld staan een groot aantal grafstenen in drie rijen. De stenen zijn veel dichter bij elkaar dan gewoonlijk is in een Taman Makam Pahlawan. Op een klein aantal grafstenen staat een naam, kennelijk recentelijk opgeschreven. Sommige stenen zijn duidelijk onlangs hernieuwd, maar die zijn kleiner en bescheidener dan de graven buiten het ommuurde gedeelte, die ook namen hebben en vaak ook een sterfdatum dat aanzienlijk later is dan 1947. De wetenschappelijke literatuur over massagraven gaat voornamelijk over sporen van recentelijke begravingen en over het forensisch opgraven van bekende graven en levert dus weinig inzicht op de specifieke vragen die rijzen in dit geval. Volgens de lurah van Suppa zijn de lijken van de slachtoffers van de massacre bij Suppa hier naartoe gesleept (ongeveer 200 meters) om vervolgens begraven te zijn. Het is onwaarschijnlijk dat elke grafsteen precies over de stoffelijk overschot van de bedoelde slachtoffer staat, maar de plaats ziet uit als anders dan alle andere begraafplaatsen. Men kan redelijk veronderstellen dat hier inderdaad een massagraf is. Aangezien dat ruimte beschikbaar is onmiddellijk buiten het ommuurde gedeelte van het ereveld, het is hoogstwaarschijnlijk dat er uitsluitend slachtoffers van de massamoord van januari 1947 in het ommuurde gedeelte van het ereveld zijn. 2.27. Cribb concludeert: “Het is daarom waarschijnlijk maar niet bewezen dat de graven binnen het ommuurde gedeelte van het ereveld op Suppa zijn uitsluitend slachtoffers van het bloedbad in dat dorp op 28 januari 1947. Wél kan worden vastgesteld dat de gemarkeerde graven die buiten het ommuurde gedeelte van het ereveld van Suppa liggen van een latere periode zijn.” 2.28. Gelet op deze conclusies van Cribb, acht de Staat het voldoende zeker dat degenen die begraven zijn binnen het ommuurde gedeelte van TMP Suppa , slachtoffers waren van de massa-executie in Suppa op 28 januari 1947. Daarmee is er geen geschil meer over de bewijswaarde van het begraven zijn op TMP Suppa . Bij de beoordeling van de individuele bewijsposities zal de rechtbank vaststellen of de vaders respectievelijk echtgenoten van [eisende partij 1] , [eisende partij 2] , [eisende partij 4] , [eisende partij 13] en [eisende partij 14] daar begraven zijn. (a2) TMP Tanete en (a3) TMP Taccoring 2.29. Vaststaat dat Nederlandse militairen in de regio Bulukumba over een langere periode, van december 1946 tot en met april 1947, zuiveringsacties hebben uitgevoerd in verschillende dorpen. In veel gevallen zijn de daarbij doodgeschoten mannen ter plaatse begraven. In 1978 en 1979 hebben herbegrafenissen plaatsgevonden op TMP Tanete en TMP Taccorong, die allebei onderdeel zijn van algemene begraafplaatsen. 2.30. [eisende partij 6] , [eisende partij 7] , [eisende partij 8] , [eisende partij 11] en [eisende partij 12] stellen dat hun echtgenoten [H] , [K] , [I ] , [T] en [J] zijn herbegraven op TMP Tanete. [eisende partij 9] en [eisende partij 10] stellen dat hun echtgenoten [A] en [B] zijn herbegraven op TMP Taccorong. Zij stellen dat op deze erebegraafplaatsen alleen slachtoffers van onrechtmatige executies door Nederlandse militairen zijn begraven, zodat deze doodsoorzaak op grond van het aldaar begraven zijn kan worden vastgesteld. 2.31. In de tussenvonnissen heeft de rechtbank hen daarin niet gevolgd, omdat het onduidelijk en niet verifieerbaar was of en hoe bij het herbegraven van de doden op TMP Tanete en TMP Taccorong in 1978 en 1979 door de daarbij betrokken lokale Indonesische autoriteiten is gecontroleerd en vastgesteld of de overledene inderdaad slachtoffer was van een onrechtmatige executie tijdens de in de regio Bulukumba van december 1946 tot en met april 1947 uitgevoerde zuiveringacties, of dat daar (ook) doden begraven zijn die door omstandigheden om het leven zijn gekomen waarvoor de Staat niet aansprakelijk kan worden gehouden. De rechtbank achtte nader onderzoek nodig naar de vraag onder welke omstandigheden de mannen daar zijn herbegraven en onder welke omstandigheden zij destijds om het leven zijn gekomen. Zij heeft daarover vragen gesteld aan Cribb, die in algemene zin het volgende heeft opgemerkt over erebegraafplaatsen in Indonesië: “Van vele Indonesiërs die vielen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd is de begraafplaats nu onzeker of helemaal niet bekend, vanwege de verwarde omstandigheden van die tijd en vanwege vergetelijkheid sindsdien. In circa 1953 is Indonesia formeel begonnen met het stichten van erevelden. (…) In de daaropvolgende jaren zijn andere TMP’s gesticht in verschillende plaatsen, meestal op lokale of regionale initiatief en soms met een eigenaardig karakter, zoals de Taman Makam Pahlawan Kerja (Arbeiderserebegraafplaats) in Pekanbaru. In sommige gevallen zijn bestaande begraafplaatsen herdoopt als officiële TMP’s; in andere gevallen zijn nieuwe erevelden opgericht en zijn de stoffelijke resten van vrijheidsstrijders van andere plaatsen daar herbegraven. De criteria om in een TMP begraven te worden waren in die tijd nooit stipt vastgesteld. Men moest een rol hebben gespeeld in de verwezenlijking van Indonesia, zij het als onafhankelijkheidstrijd(st)er, als iemand die een bijdrage heeft gemaakt aan de welvaart van het volk, of als slachtoffer van een vijand van de Indonesische natie. In principe maakte het niets uit of men vielen in een veldslag, in een massacre, in een individuele moord, bij een ongeval, of uit natuurlijke oorzaken. Men kon plaats vinden in een TMP ook wanneer men overleden is lang na de onafhankelijkheidsstrijd. De vastberadenheid van de overledene in het belang van de natie en het doen van dienst zijn bepalend geweest, niet de specifieke doodsomstandigheden. (…) In 1981 heeft de opperbevelhebber van de Indonesische strijdkrachten stipter criteria vastgesteld voor teraardebestelling in een TMP. Men moet namelijk een onderscheiding (satya lencana) hebben gekregen of gevallen zijn in militair verband. Anders wordt men aangewezen naar de Taman Makam Bahagia (‘gelukkig begraaftuin’, voor militairen) of de Taman Pemakaman Umum (‘algemeen begraaftuin’, voor civielen). Iedereen echter die erkent is een rol te hebben gespeeld in de militaire onafhankelijkheidsstrijd tegen Nederland in 1945-1949, zij het formeel in het leger, of als lid of aanhanger van een militieeenheid, komt automatisch in aanmerking voor de Bintang Gerilya (guerrilla-ster) en daardoor voor teraardebestelling in een TMP. In 2008 heeft een woordvoerder van de Departement van Sociale Diensten dat civielen ook recht hebben in een TMP begraven te worden, mits zij aan de algemene voorwaarden voldoen. Tegelijkertijd heeft de Indonesische regering vastgesteld dat er in elk district (kabupaten) alleen een TMP mag zijn. Als gevolg hiervan heeft een algemene, maar niet volledige, verplaatsing van stoffelijke resten plaatsgevonden naar districts-TMP’s. Lokale erebegraafplaatsen zijn behouden waar families of de plaatselijke overheid een sterke wens hebben geuit om de begraafplaatsen niet te laten verplaatsen. Ik heb niemand kunnen vinden die een directe rol heeft gespeeld bij de herplaatsing van graven. Uit losse opmerkingen krijg ik de indruk dat de lijkresten soms niet te vinden waren en dat de herbegraving meer symbolisch was dan letterlijk.(…) Bij de meeste districtserevelden die ik bezocht heb staat er een bord met de namen van de mensen die daar begraven zijn. Het bord is wegwijzer voor bezoekers aan het ereveld en is meestal niet meer dan een lijst met aanwijzing van het gedeelte van de erebegraafplaats waar een bepaald graf te vinden is of van het grafnummer. Er was geen indicatie dat het borden die ik gezien heb in Zuid-Sulawesi objecten van verering waren, maar formeel heten zij tembok abadi (eeuwige muur)(…) Soms weerspiegeld het bord de volgorde van begravingen in de erebegraafplaats, maar er is nooit vermelding van de doodsomstandigheden. Af en toe wordt het woord gugur (‘gevallen’), dat meestal ‘gedood op het slagveld’ betekend, gebruikt, maar dat gebruik is onregelmatig en impliceert geen onderscheid tussen dood op het slagveld en onrechtmatige executie.(…)” 2.32. TMP Tanete is afgebeeld op deze door Cribb gemaakte foto. Cribb heeft daarbij opgemerkt dat deze erebegraafplaats nogal verwaarloosd is en: “Namen van overledenen zijn ruwweg geschreven op de grafstenen, maar er is geen aanwijzing omtrent hun doodsomstandigheden. De grafplaatsen zijn niet opeengepakt.” 2.33. TMP Taccorong is te zien op de volgende foto van Cribb, die bij een (niet hier afgebeelde) foto van de wegwijzer (figuur 3, rapport Cribb) opmerkt dat deze erebegraafplaats in 1977 is opgericht en dat daar stoffelijke overschotten van gewezen vrijheidsstrijders zijn herbegraven, zonder vermelding van oorspronkelijke locatie en zonder melding van doodsomstandigheden. 2.34. Cribbs antwoord op vraag 4 luidt – voor zover van belang voor TMP Tanete en TMP Taccorong: Het kantoortje op het districtsereveld Taccorong was onbemand bij mijn bezoek. Er bestond geen kantoortje op de plaatselijke erevelden van Suppa en Tanete. De Dinas Sosial (Maatschappelijke Dienst) in Bulukumba heeft verantwoordelijkheid voor het ereveld Taccorong. Ik heb het kantoor van de Dinas Sosial benaderd met een verzoek om documenten betreffende de oprichting en de administratie van het ereveld. Van de functionaris daar kreeg ik echter te horen dat er de relevante documenten niet bewaard zijn. Verantwoordelijkheid voor het plaatselijke ereveld in Tanete is onduidelijk. Ik word verwezen naar de Dinas Sosial in Bulukumba , maar die Dienst ontkende verantwoordelijkheid te hebben voor dat ereveld. Het kan dus niet worden vastgesteld dat bij het (her)begraven op deze drie erebegraafplaatsen ten aanzien van iedere overledene nagegaan of hij slachtoffer was van een onrechtmatige executie voordat hij daar werd (her)begraven. 2.35. Vraag 1 aan Cribb ziet op TMP Tanete. Cribb heeft daarop geantwoord: Bij de erebegraafplaats Tanete zijn er geen schriftelijke aanwijzingen betreffende de omstandigheden waarin de overledene stierven. De ligging van de graven – rij om rij, enigszins verspreid in een uitgebreid veld – geeft de indruk dat het hier om herbegravingen gaat. 2.36. In zijn antwoord op vraag 5, die ziet op het begraven zijn van de echtgenoten van partijen [eisende partij 6] , [eisende partij 8] , [eisende partij 12] en [eisende partij 7] op TMP Tanete, stelt Cribb: “Het kan dus niet worden uitgesloten dat op de erebegraafplaats van Tanete (ook) doden zijn begraven die door andere omstandigheden om het leven zijn gekomen waarvoor de Staat niet aansprakelijk te houden is, zoals bijvoorbeeld slachtoffers van legitieme gevechtshandelingen.” 2.37. Vraag 3 aan Cribb ziet op TMP Taccorong. Cribbs antwoord luidt: “Ik vind geen aanwijzing dat de locatie van een graf op het ereveld Taccorong bewijs levert betreffende de doodsomstandigheden van de overledene. Het ereveld eert revolutionaire strijders in het algemeen en geeft geen aparte aandacht aan mogelijke slachtoffers van onrechtmatige executies.” 2.38. Uit deze bevindingen en conclusies van Cribb volgt dat het heel wel mogelijk is dat slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen zijn begraven op TMP Tanete en TMP Taccorong, maar dat niet kan worden aangenomen dat dit geldt voor alle daar begraven mannen. 2.39. De weduwen en kinderen hebben getuigen doen horen over de herbegrafenissen op deze twee erebegraafplaatsen. Zij hadden [getuige 1] als getuige voorgebracht, omdat hij als ambtenaar betrokken zou zijn geweest bij herbegrafenissen op deze twee erebegraafplaatsen. Tijdens zijn verhoor bleek echter dat hij ambtenaar in sportzaken was geweest en niet in zijn ambtelijke hoedanigheid, maar als privépersoon bemoeienis heeft gehad met deze twee erebegraafplaatsen. Hij heeft onder meer het volgende verklaard: “11. Was u toen u ambtenaar was, toen u in functie was, was u toen betrokken bij het samenplaatsen van die mensen in Terang Terang en bij de herbegrafenissen in Taccorong? Ja, ik heb het met eigen ogen gezien. Ik heb gezien dat mijn vader daar werd begraven. (…) 13. Ik (…) heb begrepen uit de stukken dat u in functie, toen u werkte als ambtenaar, dat u toen een rol heeft gespeeld, dat u toen betrokken was, bij het begraven of het herbegraven van mensen op de erebegraafplaatsen Taccorong en Tanete. Dat wil ik graag weten, hoe dat zit. Ik was niet betrokken als ambtenaar destijds, maar als familielid. 14. Dus het idee dat ik had, dat u destijds als ambtenaar betrokken was, dat klopt dus niet? Ja, op die manier. 15. Wat u nu aan ons vertelt over die begraafplaatsen en wat u eerder ook op papier hebt gezet over die begraafplaatsen, dat hebt u dus als betrokken nabestaande gedaan? Ja. Als nabestaande. Als familie. (…) 17. Wat voor functie had u als ambtenaar, was de naam van de functie? Ik werkte als ambtenaar op het ministerie, afdeling sport. Ik had twee gebieden onder mij; Gantarran en Bulu Lohe. Dat was vroeger één gebied: Udjum Bulu. 18. U had dus in die functie niets te maken met begraafplaatsen? Nee, ik had daar niets mee te maken in mijn functie. Degenen die daarmee te maken hadden waren de districtscommandant en de veteranen. 19. En nog andere mensen? Ja, de lokale overheid van het subdistrict. 20. En verder? Nee, die waren er niet. Alleen als nabestaanden, zoals ik. 21. Wij hebben hier een dossier met allemaal stukken er in. Daar zit een verklaring van u in en ook een tekening van begraafplaats Tanete. Daar staan allemaal dingen in over zowel Tanete als Taccorong. Hoe komt u aan die wetenschap over die erebegraafplaatsen? Ik wist van die begraafplaats in Tanete eigenlijk pas af, ik was daar nooit geweest, pas nadat bekend werd dat er zaken geregeld gingen worden met betrekking tot die 40.000 dodelijke slachtoffers. 22. Wanneer bent u voor het eerst in Tanete geweest? Ongeveer in 2013. 23. U hebt een kaartje gemaakt van de begraafplaats waarop staat aangeduid waar bepaalde mensen begraven liggen. Hoe bent u aan die informatie gekomen? Van de kant van de nabestaanden, van de familie. 24. Hoe is dat dan gegaan? Hebben zij die graven aangewezen aan u? Ja, op die manier. 25. Hebt u nog bij andere mensen nagevraagd hoe het zit met de mensen die daar begraven zijn? Ja, met de mensen uit de omgeving. Met nabestaanden van de mensen, maar ook mensen uit de omgeving. 26. Hoe wisten zij wie waar begraven was? Men weet dat omdat elk jaar bij het Suikerfeest wordt er een bezoek gebracht aan de graven.” 2.40. Nu [getuige 1] alleen als privé persoon betrokken was bij TMP Tanete en TMP Taccorong en hij wat hij weet heeft gehoord van nabestaanden, van wie niet duidelijk is hoe zij aan hun wetenschap komen, betrekt de rechtbank zijn getuigenverklaring niet in het bewijs. De rechtbank gaat om dezelfde reden voorbij aan de door hem gemaakte tekeningen van deze begraafplaatsen, die de weduwen en kinderen in het geding hebben gebracht. 2.41. De weduwen en kinderen hebben verder [getuige 2] , de beheerder van TMP Taccorong, als getuige voorgebracht. Hij heeft verklaard dat hij ongeveer dertien jaar beheerder is van deze begraafplaats, waar de ‘40.000 slachtoffers’ op een afgescheiden deel van de begraafplaats liggen. Daar zijn 207 graven, waarvan 163 volgens de getuigenverklaring van [getuige 2] “slachtoffer van die 40.000 dodelijke slachtoffers”. Die 163 graven liggen naast elkaar. [getuige 2] heeft over deze graven verklaard: “Ja, er zijn er die geëxecuteerd zijn en er zijn er ook die in de strijd zijn overleden.” Uit zijn getuigenverklaring volgt dat aan het graf niet te zien is hoe de begravene is overleden; de 207 grafstenen zijn hetzelfde en [getuige 2] heeft verklaard: “Het is niet duidelijk wie is overleden in de strijd en wie is geëxecuteerd.” 2.42. Zoals hiervoor is overwogen, staat de in historische bronnen beschreven grootschalige omvang en het structurele karakter van de misdragingen van Nederlandse militairen in 1946-1949 niet ter discussie. Anders dan de weduwen en kinderen voorstaan, kan echter niet louter en alleen op grond daarvan worden aangenomen dat alle 163 door [getuige 2] bedoelde graven zijn van slachtoffers van dergelijke executies. 2.43. De slotsom luidt daarmee dat niet kan worden aangenomen dat alle graven in TMP Tanete en TMP Taccorong zijn van slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen. Het geschil over de vraag of de (gestelde) echtgenoten en vaders van [eisende partij 6] , [eisende partij 7] , [eisende partij 8] , [eisende partij 11] , [eisende partij 12] , [eisende partij 9] en [eisende partij 10] allemaal zijn begraven op deze erevelden kan daarom onbesproken blijven. De rechtbank zal het daarop betrekking hebbende bewijs niet beoordelen. (a4) TMP Ganggawa Mario 2.44. TMP Ganggawa Mario is een militair ereveld, waar militairen, strijders en ook recent overleden veteranen, zoals Usman Balo, een bekende vrijheidsstrijder die op 5 mei 2006 overleed, begraven zijn. Er zijn daar ook graven van politiemensen en onbekenden. De Staat voert aan dat het goed mogelijk is dat op deze erebegraafplaats slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven zijn, aangezien Nederlandse militairen vele standrechtelijke executies hebben uitgevoerd in de regio Sidenreng Rappang. De Staat betwist echter dat het enkele begraven zijn op deze erebegraafplaats voldoende is om aan te nemen dat deze persoon is omgekomen als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen. 2.45. Hier is een andere situatie aan de orde dan bij de hiervoor besproken erebegraafplaatsen, waar volgens de weduwen en kinderen uitsluitend slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven zijn. Bij deze erebegraafplaats gaat het om de locaties van de graven en/in samenhang met andere gegevens waaruit de doodsoorzaak van de begravene kan worden afgeleid, zoals vermelding op de gedenkmuur en/of op de hierna onder (
  6. b)te bespreken slachtofferlijst TMP Ganggawa Mario. 2.46. Vraag 10 aan Cribb gaat over TMP Ganggawa Mario. Cribb heeft hierop geantwoord: De locatie van de graven op de Erebegraafplaats Ganggawa Mario levert geen basis waarop een conclusie kan worden getrokken omtrent de manier van dood van de mensen die daar begraven zijn. De locatie sluit niet uit dat [O-1] / [O] , [P-1] / [P] , [Q-1] / [Q] en [R] standrechtelijk zijn geëxecuteerd, maar geeft geen aanleiding tot zo’n conclusie. De onbetrouwbaarheid van erebegraafplaatsen als historische bron wordt, mijns inziens, benadrukt door het feit dat het graf van [Q-1] op de Erebegraafplaats Ganggawa Mario duidelijk gemarkeerd is met een doodsjaar van 1967, wat niet klopt met andere bronnen. 2.47. Cribbs antwoord op vraag 11 luidt: “De namen van [Q-1] en [R-1] zijn te vinden als nummers [nummer 1] en [nummer 2] respectievelijk in een document afkomstig van de Dinas Sosial Kabupaten Sidenreng Rappan, ‘Daftar: Nama-nama Pahlawan yang dimakamkan di Taman Makam Pahlawan Mario Rappang Kab. Sidenreng Rappang’ (Lijst: Namen van helden begraven in de Erebegraafplaats Mario Rappang, District Sidenreng Rappang), gedateerd 10 April 1986. Er is geen melding van ‘ [O] ’ of ‘ [O-1] ’, maar wel van [O-2] (nr [nummer 3] ), [O-3] (nr [nummer 4] ) en [O-4] (nr [nummer 5] ). Er is geen melding van [P-1] . Naast de namen [Q-1] , [R-1] , [O-2] , [O-3] en [O-4] staat de aantekening ‘gugur’ [gevallen] en ‘Bertempur [of Pertempuran] melawan Belanda/Nica’, d.w.z. ‘in slag [slagveld] tegen Nederland. De lijst geeft geen reden te concluderen dat deze mannen standrechtelijk zijn geëxecuteerd. De Ganggawa Mario-lijst wordt hier bijgevoegd als Bijlage 3. N.B. De aantekening ‘sda’ in deze lijst betekent ‘sama dengan atas’ (hetzelfde als hierboven)” . 2.48. Cribb heeft op vraag 12, over de gedenkmuur bij TMP Ganggawa Mario, geantwoord: “Zoals uitgelegd boven, de gedenkmuren bij Indonesische erebegraafplaatsen zijn ogenschijnlijk bedoeld als aanwijzing van wie in een begraafplaats begraven is, en eventueel van de ligging van specifieke graven. De gedenkmuren geven als regel geen verdere informatie. Vermelding van een naam op een gedenkmuur betekend niets meer dan dat het graf van de desbetreffende man in die erebegraafplaats te vinden is.” 2.49. Gezien deze bevindingen en conclusies van Cribb kan niet worden aangenomen dat de op de TMP Ganggawa Mario begraven mannen en de mannen die zijn genoemd op de bijbehorende gedenkmuur slachtoffers zijn van misdragingen van Nederlandse militairen. Zoals Cribb vermeldt, is dat wel mogelijk. Dat zal uit andere bewijsmiddelen moeten volgen. (a5) TMP Panaikang 2.50. Op TMP Panaikang zijn niet louter slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven. Niet in geschil is dat zich onder de daar begraven personen wel dergelijke slachtoffers kunnen bevinden. 2.51. [eisende partij 16] stelde eerst dat haar gestelde echtgenoot [U] op deze erebegraafplaats begraven ligt in [blok I] , het blok is waarin standrechtelijk geëxecuteerden liggen. Uiteindelijk stelt [eisende partij 16] dat [U] is herbegraven in [blok II] van TMP Panaikang. De Staat voert hiertegen aan dat niet blijkt van een apart gedeelte van de begraafplaats waar uitsluitend slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen zouden liggen. 2.52. De rechtbank heeft het voorstel van [eisende partij 16] om Cribb onderzoek te laten doen naar de erebegraafplaats Panaikang en de betekenis van het daar in [blok I] begraven zijn, niet gehonoreerd, omdat de door haar gestelde huwelijksband met [U] niet vaststond. Wel is [eisende partij 16] toegelaten tot het bewijs van haar stelling over de betekenis van het begraven zijn op ( [blok I] van) TMP Panaikang. 2.53. [getuige 15] , de beheerder van TMP Panaikang, is als getuige gehoord over de lijst van personen die op daar zijn begraven en over de stelling van [eisende partij 16] dat aan de hand van de locatie op TMP Panaikang kan worden achterhaald hoe die persoon om het leven is gekomen. Hij heeft onder meer verklaard: "35. Hoe weet u dan dat er mensen in 1947 en in 1962 zijn begraven, wie heeft dat aan u verteld? De nabestaanden hebben aan mij verteld over wat er was gebeurd in de jaren 1947 en 1962. (…) 36. Is er voordat de stoffelijk resten werden verplaatst door de erebegraafplaats zelf of door de regering of een andere instantie onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak van deze mensen die in [blok I] en [blok II] zijn begraven? Nooit. 37. Ik wil controleren of ik het goed begrijp. Het is dus zo dat mensen daar begraven zijn op basis van informatie van de nabestaanden en verder niets. Klopt dat? Ja. ( ... ) 65. Hoe weet u wat u net vertelde aan ons over 1947 en 1962, wat u net vertelde over het begraven? Ze zijn allemaal gebaseerd op de informatie van de nabestaanden.” 2.54. Op basis van deze getuigenverklaring kan niet worden aangenomen dat iedereen die in [blok I] en/of [blok II] is begraven op TMP Panaikang is gedood als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen. Nu onduidelijk is hoe de nabestaanden aan de door hen verstrekte informatie komen en deze informatie kennelijk niet op enige wijze is geverifieerd, kan aan het begraven zijn in [blok I] en/of [blok II] van TMP Panaikang geen bewijswaarde worden ontleend. Slotsom erebegraafplaatsen 2.55. Als vaststaat dat een man is begraven in het ommuurde deel van TMP Suppa , staat daarmee vast dat deze man het slachtoffer is van de massaexecutie in Suppa op 28 januari 1947. Aan het begraven zijn op (een bepaald deel van) de andere hiervoor besproken erebegraafplaatsen komt geen bewijswaarde toe. (
  7. b)De slachtofferlijsten 2.56. Het tweede algemene bewijsthema dat in de tussenvonnissen aan de orde is geweest is de bewijswaarde van de door de weduwen en kinderen in het geding gebrachte slachtofferlijsten, die volgens hen (alleen) slachtoffers van onrechtmatige executies door Nederlandse militairen vermelden. Het gaat om (b1) de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba , (b2) de slachtofferlijsten van de sociale dienst in van Bulukumba (B1-B3), (b3) de lijsten van de sociale dienst van Pinrang (P1 en P2), (b4) de Tanete-lijst en (b5) de slachtofferlijst Ganggawa Mario. 2.57. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de naamsvermelding op een of meer van deze slachtofferlijsten betekent dat de genoemde man het slachtoffer is van misdragingen van Nederlandse militairen. De slachtofferlijsten kunnen mogelijk wel een rol spelen bij het door de weduwen en kinderen te leveren bewijs dat hun echtgenoten en vaders zijn omgekomen als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen. De aan de slachtofferlijsten toe te kennen bewijswaarde hangt af van de bronnen waarop deze lijsten zijn gebaseerd en of deze lijsten ook overigens op een voldoende betrouwbare en verifieerbare manier tot stand zijn gekomen. De hierna volgende beoordeling van de bewijswaarde van de slachtofferlijsten vindt steeds plaats in de zaken van de weduwen en kinderen, waarvan de naam van hun echtgenoot of vader op de desbetreffende lijst is vermeld. (b1) de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba 2.58. Cribbs antwoord op vraag 6 over deze slachtofferlijst luidt – voor zover van belang: Ik heb zowel een aantal ambtenaren bij de Dinas Sosial in Bulukumba als het voormalige hoofd van de Legiun Veteran Republik Indonesia gevraagd over omstandigheden waaronder de lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba opgesteld is, maar het antwoord was altijd frustrerend vaag. Mijn conclusie is dat de lijst niet ineens is opgesteld maar dat hij geleidelijk vorm heeft gekregen door toevoegen (en eventueel weghalen) van namen. In 1994 is verschenen de notulen van een seminar over de geschiedenis van Bulukumba in de revolutiejaren, waarin opgenomen is een lijst van slachtoffers waarvan geschreven wordt, dat het in 1954 door de plaatselijk administratie van Bulukumba . Ik vind dat er geen reden is deze bewering te twijfelen, alhoewel het niet zeker is dat er geen wijzigingen in de lijst gebracht zijn in het overmaken naar de publicatie van 1994. The lijst is betiteld ‘Daftar Nama Korban 40.000 Perjuangan Kemerdekaan Bulukumba ’ (Namenlijst Slachtoffers 40.000 Slachtoffers in Bulukumba ). Bij elke naam wordt een civiele beroep vermeld. Om deze reden acht ik het waarschijnlijk dat deze lijst uitsluitend slachtoffers van onregelmatige executies meldt, en niet leden van leger or militie (die misschien op het slagveld gedood zijn). (…) 2.59. Cribb merkt voorts op: "Het moet niet worden verondersteld dat de lijsten 100% betrouwbaar zijn, want zij zijn opgemaakt enige tijd na de naoorlogse gebeurtenissen. 2.60. De conclusies van Cribb hebben voor de Staat aanleiding gevormd om tot uitgangspunt te nemen dat een vermelding op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba in beginsel betekent dat iemand is omgekomen bij een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen. Omdat uit de aard der zaak volgt dit soort lijsten nooit 100% betrouwbaar zijn, moet volgens de Staat een uitzondering worden gemaakt op dit uitgangspunt als er reële twijfel bestaat dat iemand is omgekomen bij een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen in de regio Bulukumba in 1946-1947. Daarmee is in zoverre geen geschil meer over de bewijswaarde van deze slachtofferlijst. De rechtbank zal van dit uitgangspunt uitgaan bij de beoordeling van de individuele bewijsposities van de weduwen en kinderen van wie de echtgenoten en vaders vermeld staan op deze lijst. (b2) de slachtofferlijsten van de sociale dienst van Bulukumba (B1-B3) 2.61. Op deze slachtofferlijsten staan namen die ook voorkomen op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba . Gelet op het hiervoor gegeven oordeel over die slachtofferlijst, is de vraag over de bewijswaarde van slachtofferlijsten van de sociale dienst in Bulukumba (B1-B3) toegespitst op de vraag hoe de namen die niet voorkomen op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba op deze slachtofferlijsten terecht zijn gekomen. 2.62. De rechtbank heeft eerder overwogen dat onvoldoende inzicht bestaat in de vraag op welke concrete en verifieerbare bronnen deze slachtofferlijsten zijn gebaseerd, terwijl er elementen zijn die vragen oproepen, zoals (
  8. i)het gegeven dat de slachtofferlijsten reactief worden opgesteld, aangezien vermelding op de slachtofferlijsten geschiedt na eigen aanmelding, (
  9. ii)het feit dat verificatie van de aanmeldingen in hoge mate is gebaseerd op mondelinge verklaringen en (iii) het steeds groter wordend aantal namen op de verschillende versies van de slachtofferlijsten, soms met aantallen die het aantal begraven slachtoffers respectievelijk de aantallen vermeld in historische bronnen overtreffen en (
  10. iv)het feit dat de slachtofferlijsten van de sociale dienst deels zijn gebaseerd op andere slachtofferlijsten. 2.63. Vraag 7 aan Cribb heeft betrekking op de slachtofferlijsten van de sociale dienst in Bulukumba (B1-B3). Cribbs antwoord luidt – voor zover hier van belang: “Ik heb verondersteld dat deze vraag beantwoord moet zijn op basis van schriftelijk bewijs, niet op basis van verklaringen van mensen die betrokken zijn in het samenstellen van de lijst. In principe is het niet onwaarschijnlijk dat sommige namen te vinden zijn op deze lijsten alleen op basis van de bewering van mensen die betrokken zijn bij de rechtszaak. Daarom heb ik geprobeerd zo ver mogelijk oudere lijsten uit te zoeken, zij het van publicaties of van officiële archieven. De drie lijsten – van respectievelijk 1954, 1974 en 1986 – bijgevoegd als Bijlagen 1, 2 en 3, zijn de voornaamste resultaat van dit onderzoek. Het moet niet worden verondersteld dat die lijsten 100% betrouwbaar zijn, want zij zijn opgemaakt enige tijd na de naoorlogse gebeurtenissen.” 2.64. De weduwen en kinderen hebben [getuige 3] als getuige doen horen over het opstellen van de slachtofferlijsten van de sociale dienst in Bulukumba (B1-B3). Hij heeft verklaard dat hij vanaf 2011 slachtofferlijsten is gaan opstellen en dat hij deze drie slachtofferlijsten heeft gebaseerd op de Lijst van 214 Slachtoffers van Bulukumba , de gegevens op de stenen gedenkplaat op TMP Taccorong en op de verhalen van de kinderen van de slachtoffers. 2.65. De Staat merkt met juistheid op dat hieruit volgt dat de namen die niet op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba zijn opgenomen, maar wel op de lijsten van de Sociale Dienst, enkel zijn gebaseerd op de informatie op de gedenkplaten van de erebegraafplaatsen en op de verhalen van de kinderen van de slachtoffers. 2.66. [getuige 3] heeft verklaard dat hij gesprekken voerde met kleinere groepen nabestaanden en getuigen en op de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomsten met kinderen van geëxecuteerden en dat hij niet precies meer weet met wie hij allemaal heeft gesproken, maar het er volgens hem wel "veel" waren. De informatie die hij zo heeft vergaard, heeft hij vervolgens in deze drie slachtofferlijsten verwerkt. 2.67. Deze getuigenverklaring neemt de door de rechtbank gemaakte kanttekeningen over deze drie slachtofferlijsten niet weg. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de namen op de slachtofferlijsten van de sociale dienst van Bulukumba (B1-B3) die niet ook voorkomen op de Lijst van 2014 slachtoffers van Bulukumba , niet gebaseerd op voldoende concrete en verifieerbare bronnen. Niet kan dus op basis van deze drie slachtofferlijsten tot uitgangspunt worden genomen dat deze mannen slachtoffers zijn van executies door Nederlandse militairen. (b3) de lijsten van de sociale dienst van Pinrang (P1 en P2) 2.68. [Y] , die in opdracht van de Staat onderzoek heeft gedaan naar de achtergronden en de totstandkoming van deze slachtofferlijsten, heeft gesproken met de heer [xx] van de sociale dienst te Pinrang . De rechtbank heeft de Staat eerder bevolen de gespreksnotities van [Y] van het gesprek met [xx] in het geding te brengen. 2.69. Uit de door de Staat in het geding gebrachte gespreksnotities volgt dat de gegevens op deze slachtofferlijsten afkomstig zijn van nabestaanden en uit interviews met leden van de gemeenschap. De weduwen en kinderen merken hier met juistheid op dat het proces van totstandkoming van deze slachtofferlijsten vergelijkbaar is met het hiervoor besproken proces van totstandkoming van de slachtofferlijsten van de sociale dienst van Bulukumba . Bij gebreke aan concreet inzicht in degenen met wie is gesproken en wat die personen op grond waarvan hebben verklaard, zijn deze slachtofferlijsten naar het oordeel van de rechtbank niet gebaseerd op voldoende concrete en verifieerbare bronnen. De rechtbank zal daar verder geen acht op slaan. (b4) de Tanete-lijst 2.70. [getuige 3] heeft als getuige verklaard dat hij deze lijst tussen 2011 en 2013 heeft opgesteld aan de hand van de namen die op de grafstenen van TMP Tanete stonden. De weduwen en kinderen stellen dat deze lijst voor hen leidend is voor de vraag wie er op TMP Tanete is (her)begraven. 2.71. Nu deze lijst is gebaseerd op de namen op de grafstenen op TMP Tanete, kan het geschil over de bewijswaarde van deze slachtofferlijst verder onbesproken blijven. Zoals hiervoor is overwogen, kan niet worden aangenomen dat op TMP Tanete alleen maar slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven zijn. (b5) de slachtofferlijst Ganggawa Mario 2.72. Volgens de weduwen moet deze slachtofferlijst in samenhang worden bezien met de gedenkmuur, die aan de orde is gekomen in het hiervoor weergegeven antwoord van Cribb op vraag 12. Vraag 13 aan Cribb heeft meer specifiek betrekking op deze slachtofferlijst. Cribb heeft daarop het volgende geantwoord: “De bovengenomde lijst,‘Daftar: Nama-nama Pahlawan yang dimakamkan di Taman Makam Pahlawan Mario Rappang Kab. Sidenreng Rappang’ is geparafeerd door [Hoofd Departement] , toen Hoofd van de Departement van Sociale Zaken van de kabupaten Sidenreng Rappang. Verdere informatie over Dhr [Hoofd Departement] heb ik niet kunnen vinden. Deze vraag schijnt niet te beantwoorden op basis van schriftelijke bronnen. Zoals boven uitgelegd is het waarschijnlijk dat de slachtofferlijst Ganggawa Mario niet ineens is opgesteld, maar dat het resultaat is van toevoegen en weghalen van namen aan en van een oorspronkelijke lijst.” 2.73. Niet ter discussie staat dat onduidelijk is wat de onderliggende bronnen zijn voor de op 10 april 1986 door de Sociale Dienst opgestelde slachtofferlijst. Wel is in algemene zin duidelijk dat Sociale Diensten in Indonesië bij het opstellen van slachtofferlijsten samenwerkten met andere organisaties, zoals het Veteranenlegioen (LVRI), en in latere jaren onderzoek hebben gedaan naar de ’40.000 slachtoffers’. Deze door de weduwen en kinderen aangehaalde algemene omstandigheden nemen echter niet weg dat er geen concrete gegevens zijn over de bronnen en/of het onderzoek dat aan deze slachtofferlijst ten grondslag is gelegd. Dat geldt ook voor de opmerking van Cribb, waarnaar de weduwen en kinderen verwijzen, dat – in algemene zin – oudere slachtofferlijsten in zijn visie betrouwbaarder zijn dan meer recent opgestelde slachtofferlijsten. 2.74. Dat betekent dat voldoende concrete en verifieerbare informatie over de bronnen en de wijze van totstandkoming van deze slachtofferlijst ontbreekt. Aan vermelding van een man op de slachtofferlijst Ganggawa Mario, kan daarom geen bewijswaarde worden toegekend. Slotsom slachtofferlijsten 2.75. Als de naam van een man is vermeld op de Lijst van 240 slachtoffers van Bulukumba , geldt als uitgangspunt dat deze man slachtoffer is van misdragingen van Nederlandse militairen in de regio Bulukumba in 1946-1947. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering als er reële twijfel bestaat dat iemand is omgekomen als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen in de regio Bulukumba in 1946-1947. Aan vermelding op de andere hiervoor besproken slachtofferlijsten komt geen bewijswaarde toe. (
  11. c)Bespreking individuele bewijsposities 2.76. De rechtbank komt nu toe aan bespreking van de individuele bewijsposities van de weduwen en kinderen. Gezien de eerdere overwegingen daarover, laat de rechtbank de eerder door de weduwen en kinderen in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen buiten beschouwing. De rechtbank betrekt in de bewijsbeoordeling alleen het bijgebrachte getuigenbewijs, de hiervoor vastgestelde bewijswaarde van het begraven zijn van een man binnen het ommuurde deel van TMP Suppa en vermelding op de Lijst van 240 slachtoffers van Bulukumba en de in de conclusies na enquête bijgebrachte schriftelijke bewijsmiddelen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] 2.77. In zijn conclusie na enquête heeft de Staat te kennen gegeven het – vanwege de door [eisende partij 1] en [eisende partij 2] overgelegde foto’s van een grafzuil respectievelijk een gedenksteen – voldoende aannemelijk te vinden dat hun vaders binnen het ommuurde gedeelte van TMP Suppa liggen begraven en dat zij zijn omgekomen als gevolg van een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen. Daarmee is dit niet langer in geschil en staat in rechte vast dat de vaders van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] door Nederlandse militairen zijn doodgeschoten tijdens de massaexecutie in Suppa op 28 januari 1947. Wat dit betekent voor de toewijsbaarheid van hun vorderingen wordt hierna onder (
  12. d)besproken. [eisende partij 3] 2.78. stelt uiteindelijk dat haar vader [M] tijdens executies op of rond 25 januari 1947 in de plaats die tegenwoordig kampong Coka heet, is gedood door Nederlandse militairen. Zij had eerder gesteld dat haar vader was begraven op TMP Suppa na te zijn doodgeschoten tijdens de massa-executie van 28 januari 1947. Daarbij stelde zij dat zij samen met haar moeder getuige was van de standrechtelijke executie van haar vader en voerde zij aan dat [eisende partij 1] haar aanwezigheid bij die standrechtelijke executie zou hebben bevestigd. Na het eerste tussenvonnis heeft [eisende partij 3] de aan haar vorderingen ten grondslag gelegde feiten gewijzigd en gesteld dat haar vader ongeveer twee weken eerder in een plaats die tegenwoordig kampong Coka heet is omgekomen bij een ander bloedbad. 2.79. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 26 januari 2016 overwogen dat [eisende partij 3] deze nieuwe stelling op geen enkele manier had onderbouwd: volstaan werd met de stelling dat op basis van triangulation kan worden onderzocht of de vader van [eisende partij 3] inderdaad bij een standrechtelijke executie om het leven is gekomen. Bij die stand van zaken zag de rechtbank geen enkel aanknopingspunt om deze stelling als vaststaand te kunnen aanvaarden. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien om Cribb te vragen om te onderzoeken of, zoals [eisende partij 3] toen stelde, op of rond 14 januari 1947 onrechtmatige executies hebben plaatsgehad in de plaats die tegenwoordig kampong Coka wordt genoemd en of kan worden vastgesteld of haar vader, [M] , daarbij om het leven is gekomen. 2.80. In haar conclusie na enquête heeft [eisende partij 3] naar aanleiding van de getuigenverklaring van [eisende partij 1] geconcludeerd dat de gestelde standrechtelijke executie van haar vader niet op of omstreeks 14 januari 1947 zou hebben plaatsgevonden, maar op 25 januari 1947. 2.81. In haar conclusie na enquête licht [eisende partij 3] haar sterk wisselende standpunten over de feiten toe door te stellen dat zij jarenlang in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat haar vader standrechtelijk was geëxecuteerd in Suppa op 28 januari 1947. Ze verhuisde volgens haar toelichting na die datum met haar moeder naar Suppa en heeft van kinds af aan geweten dat haar vader door het Nederlandse leger standrechtelijk was geëxecuteerd. Ouderen vertelden haar dat dit was gebeurd, maar er werd niet expliciet bij verteld waar dat was gebeurd. [eisende partij 3] , die ook van kinds af aan hoorde over de standrechtelijke executies in Suppa , is er vervolgens steeds van uitgegaan dat ook haar vader bij dat bloedbad was doodgeschoten. Volgens haar toelichting is [eisende partij 3] met het oog op deze rechtszaak – en kennelijk nadat de Staat namens haar aansprakelijk was gesteld en gedagvaard in deze procedure – nader onderzoek gaan doen naar de doodsomstandigheden van haar vader. Dat bracht haar bij [V] (hierna: [V] ), die op dat moment de oudste persoon was in Karangang, waar [Q] vandaan kwam. Vervolgens hoorde zij van [V] dat haar vader voorafgaand aan het bloedbad in Suppa was verraden en in de dagen ervoor in het nabijgelegen Coka was geëxecuteerd door het Nederlandse leger. Vervolgens zijn ook andere getuigen getraceerd die bevestigden dat het inderdaad zo was gegaan. De advocaten van [eisende partij 3] hebben nog opgemerkt dat eerder namens [eisende partij 3] is gesteld dat zij met haar ouders in Coka woonde in 1947. Dat is volgens hen een onjuiste veronderstelling geweest van de contactpersonen van [eisende partij 3] . Omdat [Q] in Coka was doodgeschoten ging men er ten onrechte van uit dat hij daar ook woonde. Uit het dossier van [eisende partij 3] blijkt echter duidelijk dat het gezin ten tijde van de dood van [Q] in Karangang woonden, aldus (de advocaten van) [eisende partij 3] . 2.82. [eisende partij 3] heeft als partijgetuige het volgende verklaard: “1. (…) Ik wil graag met u praten over het overlijden van uw vader. [M] . Hoe is hij overleden? Op een gegeven moment werd hem bevolen om naar buiten te komen, het huis uit te komen. Dat heeft hij gedaan. Het huis werd vervolgens in brand gestoken. Waar hij naartoe is gebracht, wat er is gebeurd, tot nu toe is dat onduidelijk. 2. Was u daarbij, toen dit werd bevolen aan uw vader? Ja. Ik was erbij toen mijn vader bevolen werd om naar buiten te komen. Toen zijn we allemaal naar buiten gegaan. 3. Door wie werd uw vader bevolen naar buiten te komen? Dat weet ik niet. Ik weet niet wie hem bevolen heeft naar buiten te komen. Ik was toen nog klein. 4. Hoe oud was u toen ongeveer? Ongeveer drie jaar. 5. Weet u wat er gebeurde nadat uw vader het huis uit ging? Mijn vader werd daarna meegenomen. 6. Wie nam hem mee? Ik weet niet wie. (…) 8. Weet u waar uw vader is overleden? Volgens de mensen in het dorp Coka. 9. Volgens welke mensen? Een man genaamd [V] . Hij heeft verteld dat mijn vader omgekomen is in kampong Coka. 10. Wanneer heeft hij dat verteld? Het is mij verteld toen wij dit gingen regelen. Want vroeger waren wij bang om hierover te praten. 11. Wat bedoelt u met: “toen wij dit gingen regelen”? Het regelen met Nederland. 12. Wanneer heeft [V] dit aan u verteld? Dus hoe lang geleden? Al lang geleden. Ik ben vergeten wanneer. 13. Wat heeft hij precies aan u verteld? [V] heeft tegen mij verteld dat mijn vader is doodgeschoten door de Nederlanders. En dat hij daarna begraven is in Karangang op een rijstveld. 14. Hoe wist [V] dat? [V] weet dat, omdat hij was ook meegenomen. Maar onderweg werd hij naar huis teruggestuurd, omdat hij nog klein was. 15. Hoe weet [V] dan wat er is gebeurd nadat hij werd teruggestuurd? [V] was toen nog klein toen hij naar huis gestuurd werd en daarna is er niet over gepraat, omdat de mensen bang waren. 16. Hoe weet [V] wat er in Coka is gebeurd met uw vader? [V] weet dat van horen zeggen van mensen die dat vertelden, stiekem eigenlijk, want men durfde er niet over te praten dus het werd stiekem verteld. 17. Wie waren dat die het stiekem vertelden aan [V] ? Dat heeft [V] niet aan mij verteld. 18. In eerste instantie is in deze procedure gezegd dat uw vader is doodgeschoten tijdens de grote executie in Suppa . Weet u hoe dat komt, dat dat in eerste instantie zo is gezegd? Ik wist eerst niet dat hij was doodgeschoten in kampong Coka. 19. Betekent dit antwoord dat u geeft dat u eerder dacht dat uw vader in Suppa was doodgeschoten? Is dat wat u hiermee zegt? Ja, dat klopt. Ik heb aanvankelijk gedacht dat hij is doodgeschoten in Suppa . 20. Hoe kwam dat, dat u dat aanvankelijk dacht? Dat komt omdat ik wist dat Suppa een executieplaats was. 21. Had iemand dat ook aan u verteld? Ja, de ouderen hebben mij verteld dat mijn vader is doodgeschoten. 22. Hoe is dan bij u het idee ontstaan dat uw vader in Suppa is doodgeschoten? Omdat de ouderen, veel mensen hebben gezegd dat mijn vader ook is doodgeschoten. 23. Zeiden die ouderen ook waar hij was doodgeschoten? De ouderen hebben mij alleen gezegd dat mijn vader is doodgeschoten. Zij hebben mij niet verteld waar hij was doodgeschoten. 24. Ter controle of ik het goed heb begrepen. Begrijp ik het goed dat u van de ouderen had gehoord dat uw vader was doodgeschoten. Dat u wist dat er veel mensen waren doodgeschoten in Suppa en dat u toen zelf in eerste instantie dacht dat uw vader één van die mensen was die in Suppa was doodgeschoten? Ja, van kleins af aan wist ik over die executies, het doodschieten, in Suppa . En dat de mannen die in Suppa zijn doodgeschoten. 25. Hoe bent u in contact gekomen met [V] ? [V] is familie van mij van vaders kant. 26. Hoe kwam het dat u na jarenlang er niet over praten met hem ging praten over de dood van uw vader? Ik heb, met [V] ben ik hierover gaan praten over waar mijn vader is doodgeschoten nadat deze dingen met Nederland geregeld gingen worden. 27. Dus u bent toen navraag gaan doen bij hem, begrijp ik dat goed? Dat klopt. Ik heb toen goed navraag gedaan om naar wat er gebeurd is en dat heb ik aan [V] gevraagd. 28. Waarom ging u dat aan hem vragen? Omdat wij op dat moment bezig waren met het regelen met Nederland. Om dit te regelen met Nederland. 29. En waarom ging u dan met hem praten toen u de dingen met Nederland aan het regelen was? Omdat op dat moment [V] de oudste persoon was in Karangang. 30. En waarom ging u daar navraag doen, in Karangang? Omdat mijn vader afkomstig is uit kampong Karangang. 31. Hebt u ook bij andere mensen navraag gedaan? Ik heb bij niemand anders navraag gedaan, behalve bij [V] , want telkens als ik hierover praat heb ik erg hartzeer. Opmerking rechter: mevrouw is geëmotioneerd. (…) 38. Wat heeft hij u nog meer verteld over het overlijden van uw vader? [V] heeft verteld dat mijn vader is doodgeschoten en dat hij op die plek is begraven. 39. U zei aan het begin dat uw vader in kampong Coka is doodgeschoten en dat [V] dat aan u had verteld. Ik heb met [V] hierover gesproken en ik wilde gewoon echt goed weten wat er gebeurd was toen dit geregeld ging worden met Nederland zodat ik echt goed wist, ik wil dat alles halal, dus rein is wat er wordt verteld en wat er wordt geregeld. Ik wilde echt goed weten hoe het nu zat. (…) 57. Even ter controle of ik het goed begrijp hoe het is gegaan. U hebt verklaard dat u lang hebt gedacht dat uw vader in [woonplaats 1] begraven was en u hebt dat tegen het dorpshoofd gezegd en toen heeft het dorpshoofd opgeschreven dat dat zo was. Is dat zo gegaan? Dat komt omdat er werd gezegd dat al degenen die zijn doodgeschoten begraven waren in de heldenbegraafplaats Suppa . (…) 82. Kampong Coka, de plaats waar uw vader is overleden, heette dat vroeger kampong Coka, toen dat gebeurde? Ja. Het heet van oudsher Coka tot nu toe en ook op het moment van het overlijden van mijn vader heette het ook Coka. 83. Dus als ik het goed begrijp: het heette toen Coka en nu nog steeds. Ja. 84. Ik vraag dat aan u omdat tijdens de procedure discussie is geweest over de plaats en ook is gezegd dat de plaats nu misschien anders heet. Kunt u zich daar iets bij voorstellen? Is het denkbaar dat kampong Coka ook onder een andere naam bekend is? Volgens mij niet, maar ik ken de naam kampong Coka ook eigenlijk maar vanaf het moment dat dit geregeld wordt. (…) 86. U heeft ons net ook verteld dat u toen drie jaar oud was. Is alles wat u daarover vertelt gebaseerd op wat [V] u heeft verteld? Alles wat ik daarover verteld heb is mij verteld door [V] . Dat hij doodgeschoten is, dat het huis in brand gestoken is. 87. Want u was er wel bij, maar u was nog heel heel erg klein. Begrijp ik het dus goed dat u niet een eigen herinnering hebt? Wat ik weet is alleen dat hij meegenomen is, doodgeschoten is, dat het huis in brand gestoken is. Verder weet ik het niet. (…) 96. Bent u er ooit achter gekomen waarom uw vader werd meegenomen? Dat weet ik niet. Er heeft nooit iemand mij verteld waarom hij werd meegenomen.” 2.83. Zoals uit de hiervoor geciteerde delen van haar getuigenverklaring blijkt, is [eisende partij 3] uitgebreid bevraagd over wat zij weet over het overlijden van haar vader. Zij was destijds drie jaar oud en heeft daar geen eigen herinnering aan. Wat zij weet is volgens haar getuigenverklaring gebaseerd op wat [V] haar heeft verteld, nadat zij de vordering in deze procedure had ingesteld. Daarvóór had zij echter volgens haar getuigenverklaring van mensen in Suppa gehoord dat haar vader was doodgeschoten tijdens de massa-executie daar en dat hij was begraven in het ommuurde deel van TMP Suppa . Zoals hiervoor is overwogen, heeft zij zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat zij samen met haar moeder getuige was van de standrechtelijke executie van haar vader bij de massa-executie in Suppa op 28 januari 1947. 2.84. Verder is, afgezien van de door [eisende partij 3] gestelde hoedanigheid van de oudste persoon in Karangang, niet duidelijk wie [V] is en waar hij zijn wetenschap over het overlijden van [M] op baseert. Dat volgt ook niet uit de door [eisende partij 3] overgelegde productie 133, een opname van een gesprek met [V] . De rechtbank heeft via de Engelse ondertiteling kennisgenomen van wat [V] zegt. [V] zegt alleen dat hij het stoffelijk overschot van [M] heeft gezien, met een schotwond in zijn hoofd. Hij zegt niets over de plaats van de executie, alleen dat hij van de mensen die het lichaam van [M] brachten, heeft gehoord dat hij was geëxecuteerd. 2.85. Vanwege deze onduidelijkheden, die niet worden weggenomen door haar onder 2.81 bedoelde toelichting, en de tegenstrijdigheden in wat [eisende partij 3] kennelijk van verschillende kanten heeft gehoord over het overlijden van haar vader, kan haar verklaring niet bijdragen aan het bewijs van de door haar gestelde doodsoorzaak van [Q] . 2.86. [getuige 4] , de (oudere) halfzus van [eisende partij 3] , is ook gehoord over het overlijden van haar vader. Zij woonde destijds met haar moeder in een ander huis dan het huis van haar vader. Zij heeft als getuige verklaard dat het stoffelijk overschot van haar vader werd gebracht en dat een jonge man eerder was komen vertellen dat haar vader gedood was: “15. Waar kwam deze man vandaan toen hij bij u aankwam? Die man kwam uit Karangang. (…) Het is familie, maar geen nabije familie. Het is geen broer of iets dergelijks. 16. Waar kwam hij op dat moment vandaan? De man is afkomstig uit Karangang, maar hij kwam op dat moment vanuit kampong Coka toen hij over die gebeurtenis vertelde. 17. Had hij het stoffelijk overschot van uw vader bij zich? Nee, nog niet. Hij kwam alleen dat bericht vertellen en hij zei ook om het stoffelijk overschot van meneer [M] op te halen. (…) 20. Die man die met het bericht kwam, wat vertelde hij precies aan u? De man die het bericht kwam brengen vertelde dat meneer [M] doodgeschoten is door de Nederlanders. 21. Had hij dat gezien? De kans is erg groot. Het is heel goed mogelijk dat hij het heeft gezien, omdat hij ons het bericht kwam vertellen vanuit kampong Coka naar ons, dat hij was doodgeschoten. 22. Begrijp ik het goed, even ter controle, dat hij dus niet aan u heeft verteld dat hij het heeft gezien. Maar dat hij gewoon het bericht kwam brengen van de dood. Hij heeft niet verteld dat hij het heeft gezien, want hij was ook bang. 23. Wat vertelde hij over hoe het was gegaan? Over hoe het was gebeurd? De man die kwam heeft niet veel verteld, want hij was bang. Hij kwam uit Coka en vertelde dat er een executie was waaronder ook geëxecuteerd, doodgeschoten, was de heer [M] . 24. Waren er nog meer mensen doodgeschoten? Ja. Er waren er velen, maar ik weet niet wie allemaal er doodgeschoten zijn. 25. Vertelde hij ook waar in Coka de mannen zijn doodgeschoten? Die man heeft alleen gezegd in kampong Coka. 26. Die plaats, kampong Coka, heet die nu nog steeds kampong Coka? Dat weet ik niet, of het nu nog kampong Coka heet. Ik ben daar nog nooit geweest, want ik woon in [plaats] . Want mijn ouders en grootouders zijn van Karangang. 27. Weet u wel waar Coka ligt? Ik weet niet waar kampong Coka ligt, want ik ben daar nog nooit geweest.” 2.87. [getuige 4] heeft ook verklaard dat haar vader eerder die dag van huis was gehaald en dat zijn huis in brand was gestoken: “49. En u hebt net ook verteld dat u ’s ochtends vroeg hebt gehoord dat het huis van uw vader brandde en dat u toen schoten hebt gehoord. Hebt u tussen dat moment en het moment dat de man kwam vertellen waar uw vader was nog iets gezien? Wat is er eigenlijk tussen die twee momenten gebeurd met u? In die tussentijd ging het verhaal rond dat de Nederlanders waren gekomen die mensen mee, die dingen in brand staken en die mensen meenamen. (…) 50. We gaan weer verder. We waren gebleven bij het punt dat u vertelde dat het verhaal rond ging dat er mensen waren opgehaald door de Nederlanders. Is toen ook verteld, of was deel van dat verhaal, dat uw vader was opgehaald? Ja, dat bericht heb ik ook gehoord en uiteindelijk kwam ik erachter dat hij inderdaad weg was, er niet was. 51. En wat u net vertelde over dat u uw vader ging zoeken, was dat naar aanleiding van dat verhaal dat rondging? Ja. Wij zaten op dat moment te wachten en waren ook bang om rond te gaan lopen. 52. Hebt u die dag zelf Nederlanders gezien? Ik heb dat op die dag niet gezien, maar bij ons in de buurt was een school en daar zat het Nederlandse leger. Vanaf het moment dat zij daar zaten werd die school gesloten.” 2.88. De rechtbank acht deze verklaring te weinig concreet om op grond daarvan aan te nemen dat [Q] , zoals [eisende partij 3] stelt, tijdens executies op of rond 25 januari 1947 in de plaats die tegenwoordig kampong Coka heet, is gedood door Nederlandse militairen. [getuige 4] heeft wel verklaard dat zij het dode lichaam van haar vader gezien. Volgens haar verklaring heeft zij echter destijds alleen gehoord dat hij door Nederlandse militairen is gedood in Coka. Onduidelijk is of dat de plaats is die tegenwoordig Coka heet. Verder is onduidelijk hoe [Q] daar terecht is gekomen. [getuige 4] verklaart alleen dat verhalen rondgingen over Nederlanders die mensen hadden opgehaald en huizen in brand hadden gestoken. Zij heeft daar echter zelf niets van gezien. 2.89. Daar komt bij dat er teveel vraagtekens zijn over de door [eisende partij 3] gestelde executies in de plaats die nu Coka heet. De rechtbank heeft Cribb gevraagd te onderzoeken of, zoals [eisende partij 3] (op dat moment in de procedure) stelde, op of rond 14 januari 1947 onrechtmatige executies hebben plaatsgehad in de plaats die tegenwoordig kampong Coka wordt genoemd en of kan worden vastgesteld of haar vader, [M] , daarbij om het leven is gekomen. 2.90. In zijn concept-rapport concludeerde Cribb dat hij in de literatuur geen melding heeft kunnen vinden van onrechtmatige executies in een plaats genaamd Coka op of rond 14 januari 1947. 2.91. Op grond van de afspraken tijdens de comparitie van partijen op 27 oktober 2017 heeft Cribb nader onderzoek gedaan naar eventuele executies in de door [eisende partij 3] nader geduide locatie. In zijn definitieve deskundigenrapport concludeert Cribb dat kampong Coka tegenwoordig in de stad Pinrang ligt, iets ten oosten van de hoofdweg Parepare- Pinrang en aan de rechter oever van de Sungai Sadangtoa. De naam komt niet voor op de kaarten van het district Pinrang die te raadplegen zijn bij de collectie gescande historische kaarten van Indonesië die nu bij de universiteit Leiden ligt. Wel komt op een militaire kaart van 1944 de naam Laie voor in het gebied waar Coka nu ligt. Om die reden heeft Cribb in Indonesische bronnen over deze periode gezocht naar de namen Laie en Pinrang , alsmede (voor de zekerheid) Leranglerang en Oeloetedong. Hij concludeert dat hij geen melding heeft kunnen vinden van een massamoord of een gevecht in 1946-1947 in verband met deze plaatsen. 2.92. [eisende partij 3] stelt ten onrechte dat Cribb geen aanvullend onderzoek heeft gedaan naar de kaart in het boek van M. van den Brekel, "Massa-executies op Sulawesi. Hoe Nederland wegkwam met moord in Indonesië

(2017)", waaruit een andere ligging volgt van Coka, ergens in de buurt van Garisi l, Tjenrana of Sorowe. Cribb heeft ook onderzoek gedaan naar deze locatie. In de verslagen over Pinrang die Cribb heeft gevonden komen deze namen echter niet voor. 2.93. In haar conclusie na enquête stelt [eisende partij 3] onder verwijzing naar het eerdergenoemde boek van M. van den Brekel, dat de standrechtelijke executies bij Coka in de historische bronnen zijn aangeduid als standrechtelijke executies bij Padakkalawa. 2.94. Het NIMH heeft in opdracht van de Staat onderzoek gedaan naar de gestelde executies in Coka. Volgens het NIMH is de waarschijnlijke locatie van kampong Coka het toenmalige plaatsje Barang 1. Het NIMH heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de vraag of er volgens archiefbronnen en literatuur executies hebben plaats gevonden in kampong Coka (moderne naam) of kampong Barang 1 (toenmalige naam) of in de directe (rurale) omgeving. Het NIMH concludeert dat de onderzochte bronnen geen informatie geven over executies in kampong Coka in Pinrang in januari 1947. Wel zijn in het archiefmateriaal verwijzingen gevonden naar een Nederlandse militaire actie in het kampongcomplex Padakkalawa op 17, 18 of 19 januari 1947 door het Depot Speciale Troepen (DST) met steun van Bataljon Infanterie XV (KNIL). Aan de hand van eigentijdse en moderne kaarten kon door het NIMH geverifieerd worden dat de moderne kampong Coka, en daarmee de locatie van de executies, op ongeveer zes kilometer afstand van Padakkalawa ligt. 2.95. Vanwege de hiervoor besproken onduidelijkheden, is de slotsom dat [eisende partij 3] niet is geslaagd de door haar (uiteindelijk) gestelde doodsoorzaak van [M] te bewijzen. Haar vordering moet worden afgewezen. [eisende partij 4] 2.96. stelt dat haar vader [G] is doodgeschoten tijdens de massaexecutie in Suppa op 28 januari 1947. Hij is echter niet begraven binnen het ommuurde deel van TMP Suppa , waar de slachtoffers van de massa-executie van 28 januari 1947 liggen. [eisende partij 4] stelt dat het graf van haar vader is gelegen buiten het ommuurde gedeelte van TMP Suppa . De stijl van de gedenksteen is volgens [eisende partij 4] een aanwijzing dat zijn lot onlosmakelijk verbonden is met dat degenen die binnen het ommuurde gedeelte zijn begraven. 2.97. Enerzijds staat vast dat binnen het ommuurde gedeelte van TMP Suppa alleen slachtoffers van de massa-executie op 28 januari 1947 zijn begraven. Anderzijds is niet duidelijk of alle slachtoffers van die massa-executie daar zijn begraven. Niet uitgesloten kan daarom worden dat – zoals [eisende partij 4] stelt – haar vader is doodgeschoten tijdens die massa-executie en buiten het ommuurde deel van de erebegraafplaats is begraven. 2.98. Bij gebreke van nadere gegevens daarover, kunnen geen gevolgtrekkingen worden verbonden aan de stijl van de door [eisende partij 4] bedoelde gedenksteen. Evenmin kan op grond van de algemene vaststelling van Cribb dat de gemarkeerde graven die buiten het ommuurde gedeelte liggen, van een latere periode zijn dan 1947, worden aangenomen dat de vader van [eisende partij 4] niet is omgekomen bij de massa-executie op 28 januari 1947. Het komt dus erop aan of dit volgt uit het door [eisende partij 4] bijgebrachte getuigenbewijs. 2.99. Partijen zijn het erover eens dat de verklaring van de getuige [getuige 5] niet kan bijdragen aan het bewijs van de door [eisende partij 4] gestelde doodsoorzaak van [B] . 2.100. De Staat wijst met juistheid erop dat de getuige [getuige 18] niet heeft verklaard in welke plaats de massaexecutie heeft plaatsgevonden die zij als kind heeft meegemaakt; zij heeft het alleen over ‘de zuidelijke kant van het kantoor van het hoofd van het subdistrict’ en heeft verklaard dat zij van anderen heeft gehoord dat [G] is doodgeschoten tijdens de executies die aan haar zicht waren onttrokken door het kantoor waar zij met de vrouwen en kinderen zat. Hieruit kan alleen worden afgeleid dat [getuige 18] heeft gehoord dat [G] is doodgeschoten tijdens een executie, maar niet in welke plaats. 2.101. De plaats van overlijden is ook onduidelijk in de getuigenverklaring van [eisende partij 4] . Zij heeft namelijk verklaard dat haar vader is doodgeschoten bij het kantoor van het hoofd van het subdistrict in Madjenna : “11. Waar is hij doodgeschoten? Bij het kantoor van het hoofd van het subdistrict in Madjenna . ( ... ) 38. Waar is uw vader begraven, nadat hij was doodgeschoten? Bij een begraafplaats in Madjenna . Een erebegraafplaats. ( ... ) 66. U had het over het kantoor van het hoofd van Suppa , dorp in Madjenna . Hoe heette het hoofd van Suppa , weet u dat? We hebben nooit gezegd over het kantoor van het dorp Suppa , maar over het kantoor van het hoofd van het subdistrict Madjenna . 67. Hoe heette hij? Ik weet het niet meer. Ik kan het me niet herinneren, want ik was toen nog heel klein. 68. Waar ligt Madjenna , in verhouding tot Suppa ? Dichtbij.” 2.102. In haar opmerkingen bij het proces-verbaal van getuigenverhoor heeft [eisende partij 4] laten weten dat “Madjenna” volgens haar verkeerd is weergegeven in het proces-verbaal. In plaats daarvan zou daar “Majennang” moeten staan. De Staat wijst erop dat Majennang ongeveer 140 kilometer ten zuiden van Suppa . 2.103. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat [eisende partij 4] in beide gevallen – of het nu gaat om Majennang dan wel Majenna – een andere plaats dan Suppa op het oog heeft. De rechtbank heeft de opnames van de getuigenverklaring nog een keer bekeken en heeft vastgesteld dat [eisende partij 4] niet alleen op schrift, maar ook in beeld stellig verklaart dat haar vader niet in Suppa is omgekomen. Hoewel dat op haar weg ligt, heeft zij geen opheldering hierover verschaft. Er zijn daarmee teveel vraagtekens over de gestelde plaats van overlijden om als vaststaand haar vader is doodgeschoten bij de massa-executie in Suppa . [eisende partij 4] is dus niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Haar vordering zal worden afgewezen. [eisende partij 5] 2.104. stelt dat haar vader [C] in 1947 in de regio Bulukumba is geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Zijn naam staat vermeld op de Lijst van 214 Slachtoffers van Bulukumba . Daarmee staat de door [eisende partij 5] gestelde doodsoorzaak in beginsel vast, tenzij daarover reële twijfel bestaat. 2.105. De Staat betoogt dat dergelijke reële twijfel bestaat, omdat [eisende partij 5] alleen van horen zeggen kon verklaren over de dood van haar vader. Zoals hiervoor is overwogen, is dat echter geen belemmering om een verklaring als betrouwbaar en bruikbaar aan te merken. 2.106. Verder wijst de Staat erop dat [eisende partij 5] in de procedure wisselende standpunten heeft ingenomen en vervolgens als getuige een verklaring heeft afgelegd die op onderdelen afwijkt van haar eerder ingenomen standpunten. Zo heeft [eisende partij 5] als getuige verklaard dat haar vader is doodgeschoten en is begraven in Batukaropa, terwijl zij eerder het standpunt innam dat haar vader begraven was op de ongeveer veertien kilometer verderop gelegen TMP Taccorong. Ook heeft zij als getuige verklaard dat haar vader een leidende rol vervulde in het verzet, terwijl zij eerder in deze procedure nadrukkelijk heeft gesteld dat haar vader géén verzetsstrijder was: “20. Had uw vader zich aangesloten bij de strijders, of was hij één van de strijders? Ja. Hij heeft zich aangesloten bij de strijders en hij heeft ook verzet gepleegd als strijder. Net als zijn zoon, die een pelopper was. 21. Weet u ook wat voor verzetsdaden hij heeft gepleegd? Hij heeft niet verzet gepleegd en de wapens opgenomen, want mijn vader was toen al oud. Hij heeft de jonge strijders bijgestaan met woorden, met advies, met meningen: “Dit moeten jullie doen.” Of “Dit kan je beter niet doen.” 22. Hoe weet u dit? Ik heb dat gehoord van de echtgenote van hem, mijn grootmoeder, [grootmoeder] . Die heeft het gehoord van de strijders die teruggekomen waren om zich te melden. 23. Was uw vader één van de leiders van de strijders? Hij was inderdaad een leider. Hij gaf adviezen. Op het moment dat hij zich kwam aangeven ook. Hij was eigenlijk in dienst van de Nederlanders. Hij was een vaccinateur. Zelfs op het moment dat hij werd doodgeschoten was hij in Nederlandse dienst. Nederlands ambtenaar. 24. U vertelde net dat de Nederlanders de strijders zochten en dat ze toen geen strijders konden vinden. Waren ze toen ook op zoek naar uw vader? Ja. Hij was ook een strijder, want hij had zich aangesloten bij de strijders. Nadat hij in het bos was kwam die bekendmaking van dat strijders zich konden aangeven en dat hun niets zou overkomen. Daarna kwam hij ook uit het bos om zich aan te geven. Voordat hij dat deed was hij nog even op een plek waar mensen gevlucht waren en naartoe waren gekomen. Hij heeft geen kans gehad om andere kleren aan te trekken en is toen zich gaan aangeven. 25. Mijn vraag ging over wat er gebeurde voordat de Nederlanders de strijders opriepen om zich aan te geven. Toen ze aan het zoeken waren. Mijn vraag was: "Waren de Nederlanders op zoek naar uw vader?". Ja, hij werd inderdaad al gezocht voordat er een bekendmaking was. 26. Waarom werd hij gezocht? Ten eerste omdat hij niet aangifte deed over zijn zoon en ten tweede omdat hij ook het bos in was gegaan. Daarom werd hij gezocht.” 2.107. [eisende partij 5] heeft onmiskenbaar wisselende en niet steeds met elkaar te verenigen standpunten ingenomen in deze procedure en heeft als getuige op punten weer anders verklaard dan wat zij in de processtukken naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet hierin echter geen grond voor reële twijfel, die noopt tot afwijking van het op grond van de Lijst van 2014 slachtoffers van Bulukumba aangenomen uitgangspunt over de doodsoorzaak van de vader van [eisende partij 5] . De rechtbank ziet – integendeel – in wat [eisende partij 5] , onder ede en uit eigen wetenschap heeft verklaard over het zoeken van haar vader en haar verklaring dat zij later hoorde dat hij was doodgeschoten, juist een bevestiging van dit uitgangspunt. 2.108. Verder ziet de rechtbank geen grond om, zoals de Staat bepleit, op grond van de getuigenverklaring van [eisende partij 5] dat haar vader een leider was van het verzet, en zich aanvankelijk weigerde te melden bij de militairen, hoewel hij daartoe was opgeroepen, aan te nemen een reële mogelijkheid bestaat dat hij is omgekomen als gevolg van legitieme gevechtshandelingen. [eisende partij 5] heeft namelijk verklaard dat haar vader geen wapens ter hand had genomen. Haar vader vervulde volgens haar getuigenverklaring een leidende rol in het verzet vanwege zijn leeftijd en positie en die rol bestond uit advisering van de strijders. Ook is haar vader volgens de getuigenverklaring van [eisende partij 5] teruggekomen op zijn aanvankelijke weigering zich te melden en heeft hij zich wel gemeld. De Staat heeft deze onderdelen van de getuigenverklaring van [eisende partij 5] niet in twijfel getrokken en de rechtbank heeft ook overigens geen reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan. 2.109. De door [eisende partij 5] gestelde doodsoorzaak van een executie van haar vader past beter bij het toch melden bij de Nederlandse militairen, dan de volgens de Staat bestaande mogelijkheid dat hij is omgekomen bij legitieme gevechtshandelingen. Er is verder geen enkel concreet aanknopingspunt gesteld of gebleken waaruit volgt dat [C] , nadat hij zich had gemeld bij de Nederlandse militairen die hem zochten, door een andere doodsoorzaak is overleden dan de door [eisende partij 5] gestelde executie door Nederlandse militairen. 2.110. De verklaring van de getuige [getuige 8] , die heeft verklaard dat hij [C] niet kent en die afwijkt van de getuigenverklaring van [eisende partij 5] , leidt ook niet tot reële twijfel, die noopt tot afwijking van het op grond van de Lijst van 2014 slachtoffers van [woonplaats 2] aangenomen uitgangspunt. 2.111. Daarmee staat in rechte vast dat [C] , de vader van [eisende partij 5] , is omgekomen als gevolg van een onrechtmatige executie door Nederlandse militairen. Wat dit betekent voor de toewijsbaarheid van de vorderingen voor [eisende partij 5] , wordt hierna onder (
  1. d)besproken. [eisende partij 6] 2.112. stelt dat haar echtgenoot [H] in maart 1947 in Palampang bij Rilau samen met [I ] (de echtgenoot van [eisende partij 8] ) en [J] (de echtgenoot van [eisende partij 12] ) is geëxecuteerd door Nederlandse militairen. In haar conclusie na enquête heeft [eisende partij 6] , gezien de slachtofferlijsten van de Sociale Dienst, de maand van overlijden van [H] bijgesteld naar februari 1947. 2.113. [getuige 10] is als getuige gehoord over de omstandigheden van het overlijden van [H] . Hij heeft – voor zover van belang – het volgende verklaard: “3. Hoe is hij overleden? Het was op een ochtend. We waren toen nog samen. Op een gegeven moment ging hij naar een andere plaats dan ik. Hij werd vervolgens gevangengenomen en doodgeschoten. 4. Wat was u samen met [H] aan het doen, voordat hij werd weggenomen? We waren alleen samen die ochtend en hij ging naar een andere plek dan ik en hij werd vervolgens opgepakt en doodgeschoten. (…) 7. U was aan het vertellen dat u samen met hem was. Wat was u aan het doen samen met [H] ? Bedoelt u op die ochtend? 8. Ja, op die achtend. We waren ons op dat moment aan het schuilen, verstoppen, in het bos. 9. Waarom was u u aan het verstoppen? Omdat we gezocht werden en we waren bang. 10. Door wie werd u gezocht? We werden op dat moment gezocht door het Nederlandse leger, door Nederlandse soldaten. 11. Waarom werd u gezocht door de Nederlandse soldaten? We werden op dat moment gezocht door Nederlandse soldaten, omdat we ons hadden aangesloten bij opstandelingen. ( ... ) 14. Was u alleen met [H] toen u u verstopte in het bos, of waren er nóg meer mensen bij? Ik was samen met meneer [… 2] . (…) ( ... ) 19. Kunt u ons vertellen wat u zich nog wel kunt herinneren? Waarover? Over dat verstoppen? 20. Om te beginnen over dat verstoppen. U vertelde net ook dat [H] gevangen werd genomen en ik wil graag weten hoe dat is gegaan. Ik kan het me niet meer in detail herinneren. Het enige dat ik nog weet is dat ik op een gegeven moment naar een andere plek ging en [H] naar een andere plek. 21. Waar ging u toen naartoe? Toen onze wegen ons scheidden tussen mij en meneer [H] ben ik naar het bos gegaan om te schuilen, om mij te verstoppen. 22. Waar ging meneer [H] naartoe? Toen wij uit elkaar gingen, toen ging meneer [H] naar Palampang in Tanete. 23. Ging meneer [H] daar in zijn eentje naartoe, of samen met iemand anders of anderen? Ik kan met dat niet meer in detail herinneren, want ik ben al veel vergeten. Ik weet alleen dat we uit elkaar gingen. 24. Hoe weet u dat [H] naar Palampang ging? Omdat er bericht was gekomen dat [H] opgepakt en doodgeschoten was in Palampang. 25. Van wie kwam dat bericht? Veel verhalen over die gebeurtenissen waren afkomstig van mensen van de markt. 26. Hebt u gezien dat [H] werd opgepakt en doodgeschoten? Ik heb dat niet rechtstreeks waargenomen. Ik heb dat alleen vernomen uit de berichten die tot mij zijn gekomen. 27. Wat werd aan u verteld daarover? (…) Wat ik had gehoord is dat meneer [H] is doodgeschoten en dat heb ik gehoord van mensen die terugkwamen van de markt. 30. Waar is [H] doodgeschoten? Men zegt dat het in Palampang was. 31. Hebt u ook gehoord waar precies in Palampang? Op welke plek in Palampang? Dat weet ik niet ik, dat ben ik vergeten. Ik heb alleen dat gehoord. 32. Wanneer kreeg u die berichten over de dood van [H] ? Dat weet ik niet in detail. Het is allang geleden. Ik weet niet op welke dag het was. ( ... ) 40. Wat had u gedaan in de tijd die zat tussen het moment dat u [H] voor het laatst zag en dat u de berichten hoorde over zijn dood? Ik verstopte mij op dat moment, omdat ik ook werd gezocht. 41. Waar hebt u verstopt gezeten? Ik verstopte mij in het bos van Garopo.” 2.114. [getuige 17] heeft alleen van horen zeggen verklaard over het overlijden van [H] . Zoals hiervoor is overwogen, is dat echter geen belemmering om een verklaring als betrouwbaar en bruikbaar aan te merken. De rechtbank ziet ook overigens geen grond om de getuigenverklaring van [getuige 17] als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven. Het komt dus erop aan of op grond van deze verklaring kan worden aangenomen dat [H] is overleden als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen. 2.115. De Staat betoogt dat, nu uit de getuigenverklaring van [getuige 17] volgt dat hij en [H] zich hadden aangesloten bij de opstandelingen en op de vlucht waren voor Nederlandse militairen, de reële mogelijkheid dat [H] is omgekomen als gevolg van legitieme gevechtshandelingen. [getuige 17] heeft echter verklaard dat hij heeft gehoord dat [H] was opgepakt en daarna doodgeschoten. Dit eerst oppakken past beter bij de door [eisende partij 6] gestelde executie dan de door de Staat gesuggereerde mogelijkheid van het vinden van de dood bij legitieme gevechtshandelingen. De rechtbank neemt daarom op grond van de door haar als betrouwbaar en voldoende consistent aangemerkte getuigenverklaring van [getuige 17] aan dat [H] nadat hij was gevlucht met [getuige 17] en hun wegen zich scheidden, is opgepakt en, zoals [eisende partij 6] stelt, is geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Wat dit betekent voor de vorderingen van [eisende partij 6] , komt hierna onder (
  2. d)aan de orde. [eisende partij 7] 2.116. stelt dat haar echtgenoot [K] in februari 1947 door Nederlandse militairen is geëxecuteerd voor het overheidsgebouw in Tanete. 2.117. Eerder heeft de rechtbank vastgesteld dat er twijfels waren gerezen over de naam van [K] : in de dagvaarding stelde [eisende partij 7] dat [getuige 9] de naam van een ooggetuige van de executie van [K] was. Na betwisting daarvan door de Staat, stelde zij dat [getuige 9] een bijnaam van haar echtgenoot [K] was, die hij had aangenomen toen hij de guerrilla inging. De rechtbank heeft overwogen dat het verschil tussen de ene en de andere verklaring zo groot is dat dit zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet kan worden toegeschreven aan een fout in de vertaling, zoals [eisende partij 7] stelde. 2.118. De getuige [getuige 8] heeft een verklaring afgelegd over het overlijden van [K] . Hij heeft onder meer verklaard: “18. Toen hij werd doodgeschoten, was hij toen getrouwd? Ja, hij was getrouwd. Zijn vrouw leeft nu nog. 19. Hoe heet zij? [eisende partij 7] . 20. Kent u [eisende partij 7] ook? Die ken ik.” 2.119. Op grond van het onder 2.118 bedoelde deel van de verklaring van [getuige 8] neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de man met de naam [K] , waarover hij verklaarde, de echtgenoot van [eisende partij 7] was. Daarmee is de onduidelijkheid over zijn naam en de al dan niet gevoerde aliassen voldoende opgehelderd. 2.120. [getuige 8] heeft het volgende verklaard over het overlijden van [K] : “21. Hoe is [K] overleden? Doodgeschoten, gevangen genomen. 22. Hoe weet u dat? Ik heb het gezien dat hij gevangen werd genomen en daarheen gebracht en doodgeschoten werd. (…) 24. Waar is hij gevangen genomen? Bulukumba . 25. In welk deel van Bulukumba ? Bontomanai. 26. Waar was u op het moment dat u dat zag gebeuren? Toen hij gevangen werd genomen heb ik dat gezien. 27. Wat was u op dat moment aan het doen, toen hij gevangen werd genomen? We waren verzameld. Samengebracht. (…) 29. Met wie was u samengebracht? Ik weet niet wie, met veel mensen. 30. Door wie was u samengebracht? Nederlandse soldaten. (…) 46. En wanneer zijn [K] en die anderen gevangen genomen, ten opzichte van het moment dat u daar zat? Op dezelfde dag. (…) 48. En hoe ging dat gevangennemen dan? Er werden mensen aangewezen. Deze, deze, deze. Van al die mensen. 49. Weet u waarom die mensen werden aangewezen? Misschien omdat het strijders waren. 50. Waren die vier mannen, die u net noemde, allemaal strijders? Dat waren inderdaad strijders. (…) 54. Wat gebeurde er toen die vier mannen waren uitgekozen? Ze werden meegenomen naar Tanete. 55. Hoe ging dat meenemen? Ze werden vastgebonden en dan in een auto meegenomen. 56. Hoe weet u dat ze naar Tanete gingen? Ik heb gezien dat ze daarheen werden gebracht. 57. Hoe zag u dat? Iedereen zat, dus er was verder niemand die stond. Dus ik kon het zien dat ze werden vastgebonden. 58. Reden ze in de richting van Tanete? Ja. 59. Wat gebeurde er toen? Ze werden doodgeschoten in Tanete. 60. Hoe weet u dat? Na twee dagen kwam het bericht dat ze allemaal waren doodgeschoten. 61. Hoe kwam dat bericht? Er kwam iemand van daar naar het dorp. 62. Wie was dat? Ik weet niet wie. Ik heb alleen het bericht gehoord. 63. Wat hoorde u? Dat ze waren doodgeschoten, die mensen.” 2.121. De Staat wijst met juistheid erop dat [getuige 8] niet consistent is in zijn verklaring over de plaats waar [K] is gedood en begraven, omdat hij twee plaatsen noemt: Kapampuang in Tanete en Jawi Jawi in Tanete, die al dan niet verschillende plaatsen zijn of juist dezelfde plaats zijn: 12. Waar is dat gebeurd? [het doodschieten van [K] , toevoeging rechtbank] In Tanete. (…) 74. Bent u bij de begrafenis van [K] geweest? Nee, want hij was doodgeschoten in Tanete. 75. Waar is hij begraven? In Tanete, Karampuang. 76. Is dat waar hij is doodgeschoten? Of is dat een andere plek in Tanete? Nee, daar was de executie. 77. Begrijp ik het goed dat hij is begraven op de plek waar hij is doodgeschoten? Ja. 78. Hoe weet u dat? Nadat hij was doodgeschoten is er iemand gekomen die dat heeft verteld. 80. Waar is Jawi Jawi Tanete? Ook in Tanete. Jawi Jawi. 81. Waar is dat ten opzichte van de plek van de executie waar u over verklaarde? Daar zijn ze doodgeschoten, in Jawi Jawi. 82. Dat is de plaats waar ze zijn doodgeschoten? Daar zijn zij doodgeschoten. 83. Net noemde u een andere plaatsnaam. Hoe zit dat? Nee. 84. Karampuang zei u net. Waar is dat dan? In Tanete. Karampuang. 85. Waar ligt dat ten opzichte van Jawi Jawi in Tanete? Dat weet ik niet. 86. Maar het is niet dezelfde plek? Het is een andere plek. 87. Is het ver van elkaar, of dichtbij? U hoeft niet precies te zeggen hoe ver. Het is niet ver van elkaar. 88. Waar is [K] nou doodgeschoten? Hij is daar doodgeschoten. 89. Waar is daar? Karampuang. Het is dezelfde plaats, Jawi Jawi en Karampuang.” 2.122. De omstandigheid dat [getuige 8] , die het doden van [K] niet zelf heeft waargenomen, een weinig heldere verklaring aflegt over de plaats van de executie en de begraafplaats van [K] , waarbij hij mogelijk verschillende plaatsen in Tanete noemt waar dit zou zijn gebeurd, is echter geen reden om zijn gehele verklaring als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven. 2.123. [getuige 8] verklaart gedetailleerd en consistent over wat hij, toen hij op bevel van de Nederlandse militairen verzameld was, heeft gezien van het uitkiezen en wegvoeren van [K] en wat hij heeft gehoord over diens dood, met uitzondering van de precieze plaats in Tanete waar dat is gebeurd en waar [K] zou zijn begraven. De rechtbank ziet geen reden om in twijfel te trekken dat [K] op de door [getuige 8] waargenomen wijze is uitgekozen en weggevoerd door Nederlandse militairen. [getuige 8] getuigenverklaring past bij het daarna executeren van [K] , zoals [getuige 8] ook heeft gehoord van anderen. Nu niet ter discussie staat dat [K] niet is teruggekeerd nadat hij door de Nederlandse militairen is weggevoerd, staat voldoende vast dat hij door Nederlandse militairen is geëxecuteerd. Wat dit betekent voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van [eisende partij 7] , komt hierna onder (
  3. d)aan de orde. [eisende partij 8] 2.124. stelt dat haar echtgenoot [I ] in maart 1947 in Palampang bij Rilau samen met [H] (de echtgenoot van [eisende partij 6] ) en [J] (de echtgenoot van [eisende partij 12] ) is geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Net als [eisende partij 6] heeft zij in haar conclusie na enquête, gezien de slachtofferlijsten van de Sociale Dienst, de maand van overlijden van [I ] bijgesteld naar februari 1947. 2.125. Het enige in aanmerking te nemen bewijsmiddel is de verklaring die [eisende partij 8] heeft afgelegd als partijgetuige. Deze verklaring heeft beperkte bewijskracht. Zonder aanvullend bewijs, dat ontbreekt, is deze getuigenverklaring onvoldoende om de door [eisende partij 8] gestelde doodsoorzaak van haar echtgenoot [I ] op te kunnen baseren. In verband met dit laatste is (ten overvloede) nog van belang dat de in de zaak van [eisende partij 6] gehoorde getuige [getuige 10] wel heeft verklaard over de echtgenoot van [eisende partij 6] , [H] , maar niet ook over [I ] . Het geschil over de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van genoemde partijgetuigenverklaring kan onbesproken blijven, nu de vordering van [eisende partij 8] reeds hierom moet worden afgewezen. [eisende partij 9] 2.126. stelt dat haar echtgenoot [A] in februari 1947 samen met [W] en [W-1] door Nederlandse militairen is geëxecuteerd in Bontobaja bij Palampang. Verder staan haar identiteit (haar geboortejaar) en haar toenmalige huwelijksrelatie met haar gestelde echtgenoot [A] (de huwelijksband) ter discussie. Hiermee samenhangend bestaat discussie over de leeftijd van haar dochter, die volgens de Staat lang na de dood van [A] is geboren. 2.127. De rechtbank zal eerst het bijgebrachte bewijs over het geboortejaar van [eisende partij 9] beoordelen. Bij de stukken bevinden zich verschillende identiteitsbewijzen en familiecertificaten, waarin de geboortejaren 1930 en 1939 staan. 2.128. [eisende partij 9] wijst in algemene zin erop dat de wijze van persoonsregistratie in Indonesië niet waterdicht is. Zij merkt op dat daaraan ten grondslag ligt dat personen in de demografische groep van [eisende partij 9] stammen uit een tijd waar de Nederlandse Staat het koloniale bewind voerde en geen systeem van persoonsregistratie bijhield voor de inlandse bevolking. Dit komt neer op een herhaling van hetgeen zij eerder naar voren heeft gebracht over de gebrekkige persoonsregistratie in Indonesië. Daarover heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 27 januari 2016, naar aanleiding van het rapport Schulte Nordholt met een uiteenzetting over de onnauwkeurige en onvolledige wijze van persoonsregistratie in Indonesië, overwogen dat dit een mogelijke verklaring vormt voor de geconstateerde verschillen in de persoonsgegevens die vermeld waren in de in het geding gebrachte identiteitsbewijzen en andere documenten. Daarin kan echter geen grond worden gevonden om uit te gaan van de juistheid van de stellingen van de weduwen en de kinderen waarover onduidelijkheid bestaat. De onduidelijkheid vanwege verschillende vermeldingen van persoonsgegevens in verschillende documenten, zal moeten worden opgehelderd. Het ligt op de weg van de weduwen en de kinderen die het betreft om bewijs te leveren van de door hen gestelde identiteit en/of huwelijksband, waarover onduidelijkheid bestaat. Zonder dit bewijs, kunnen hun stellingen daarover niet als vaststaand worden aangenomen. 2.129. Het dorpshoofd [onderzoeker] heeft als getuige een verklaring afgelegd over de door hem opgestelde schriftelijke verklaringen van 20 december 2011, 10 september 2012 en 25 juni 2014, die de volgens [eisende partij 9] juiste geboortedatum 7 maart 1930 vermelden. Uit zijn getuigenverklaring volgt dat deze schriftelijke verklaringen zijn gebaseerd op door [eisende partij 9] verstrekte informatie over haar geboortedatum en haar huwelijksband met [A] : volgens zijn getuigenverklaring heeft [onderzoeker] genoteerd wat [A] hem vertelde. Daarnaast heeft hij voor de vermelding van de geboorteplaats en de geboortedatum op de verklaringen van 10 september 2012 en 25 juni 2014, gekeken naar haar identiteitsbewijs. Verder heeft hij volgens zijn verklaring bij het hoofd van het RT, buurtgenootschap en van mensen die in haar omgeving wonen: “gevraagd of het waar is dat [eisende partij 9] de vrouw is van wijlen [A] ” 69. En wat was het antwoord? Ja: Dat erkende hij dat het zo is. 70. Hoe wist hij dat? Omdat hij misschien van ongeveer dezelfde leeftijd was als [eisende partij 9] . 71. Begrijp ik het goed dat hij [eisende partij 9] dus allang kende van vroeger? Ja. 72. Wat is de naam van het hoofd RT? [naam 2] , maar hij is al overleden. 73. U zei net dat u ook bij andere mensen navraag had gedaan. Bij wie hebt u nog meer navraag gedaan? Onder andere aan [getuige 2] . 74. Wie is dat? Hij heeft ooit in het dorpsbestuur gezeten en is ook een bekend figuur. Hij is gestopt vanwege zijn leeftijd. 75. Hoe weet hij of de informatie klopte? Zij waren buren. 76. Waren zij ook al buren toen [A] nog leefde? Dat weet ik niet. 77. Bij wie hebt u nog meer navraag gedaan? Dat is het.” 2.130. [eisende partij 9] verbindt hieraan de conclusie dat vaststaat dat zij in 1930 geboren is, aangezien [onderzoeker] volgens haar een gedegen onderzoek heeft verricht, dat hem tot de conclusie bracht dat [eisende partij 9] inderdaad in 1930 is geboren. 2.131. De rechtbank volgt [eisende partij 9] hierin niet. [onderzoeker] heeft namelijk ook een schriftelijke verklaring d.d. 17 januari 2014 opgesteld, waarin staat dat [eisende partij 9] in 1939 is geboren. Volgens zijn getuigenverklaring is dit document gebaseerd op van [eisende partij 9] afkomstige informatie en haar identiteitsbewijs. Net als bij het opstellen van de andere schriftelijke verklaringen, heeft [onderzoeker] de geboorteplaats en geboortedatum daaruit overgeschreven. Op de vraag hoe het kan dat de data verschillen, heeft hij geantwoord: “Dat is misschien op basis van het ingeleverde identiteitsbewijs. Er heeft waarschijnlijk een wijziging plaatsgevonden bij het inleveren van de data van het identiteitsbewijs. 91. Kunt u uitleggen wat u daarmee bedoelt? Het betreft dezelfde persoon. Maar bij de afgifte van het nieuwe identiteitsbewijs is die verandering aangebracht. 92. Waarom is deze verandering aangebracht? Misschien is bij de registratie van de kant van [eisende partij 9] dat opgegeven en die verandering is doorgevoerd. 93. Wie heeft dat gedaan, welke instantie? De Dienst Bevolking en Burgerlijke Stand van Bulukumba . 94. Dat nummer van de KTP dat hier vermeld staat, waar komt dat nummer vandaan? Degene die nummers van gezinskaarten en van identiteitsbewijzen uitgeeft, dat is de burgerlijke stand. 95. Dat nummer dat er staat op die verklaring, dat hebt u op die verklaring opgeschreven, dat klopt toch hè? Ja. Op basis van de identiteitskaart. (…) 97. Hebt u nog navraag gedaan bij andere mensen in verband met deze verklaring? Dat heb ik gedaan alleen op basis van het identiteitsbewijs, want dat wordt gezien als een officieel stuk. 98. De inhoud van de verklaring, dus wat er daar onder staat, hebt u daar nog navraag over gedaan bij andere mensen? Nee.” 2.132. De schriftelijke verklaringen van 22 mei 2014 en 30 september 2014, die eveneens een geboortedatum in 1939 vermelden, zijn volgens de getuigenverklaring van [onderzoeker] door iemand anders opgesteld, namelijk het dorpsbestuurslid [bestuurslid dorp] , met wie [onderzoeker] volgens zijn getuigenverklaring voorafgaand aan zijn getuigenverhoor heeft gesproken over de totstandkoming van deze schriftelijke verklaringen. [onderzoeker] heeft daarover verklaard: “123. Op welke gegevens is deze verklaring gebaseerd, weet u dat? Op basis van informatie van mevrouw [eisende partij 9] . 124. Hier staat dus weer die andere geboorteplaats en de geboortedatum [geboortedatum 3] 1939 en er staat hier nummer [nummer 6] en verder. Wat voor nummer is dat? Het KK-nummer is het nummer van de gezinskaart. 125. Wie heeft die gezinskaart, waar is die? Die heeft mevrouw [eisende partij 9] . 126. Hoe komen die gegevens op die gezinskaart terecht? Van de identiteitskaart. Het nummer op de gezinskaart wordt gegeven door de Dienst Bevolking en Burgerlijke Stand. 127. Is dat hetzelfde nummer als de KTP? Het is een ander nummer. 128. Als u dit stuk bekijkt, op welke informatie is dit dan gebaseerd? Op basis van de informatie van de Dienst Bevolking en Burgerlijke Stand.” 2.133. Hieruit kan worden afgeleid dat [eisende partij 9] kennelijk over verschillende officiële documenten beschikte met verschillende geboortedata. [onderzoeker] heeft verklaard dat hij drie dagen voor zijn getuigenverhoor er achter kwam dat de stukken verschillende geboortedata bevatten, maar dat naar zijn mening de geboortedatum uit 1930 de juiste is. Hij heeft daarover het volgende verklaard: “105. Waarom is dat de juiste geboortedatum? Omdat dat de eerste gegevens waren die we hadden. (…) 107. Zijn er nog andere redenen waarom u vindt dat de eerste datum, dus maart 1930, dat dat de goede datum is? Omdat dat gebaseerd is op gegevens die als eerste zijn ingeleverd. Terwijl de andere datum is opgesteld na de verandering in het identiteitsbewijs. 108. Toen u daar drie dagen geleden achter kwam. Dat verschil. Hebt u daar nog met iemand over gesproken in de afgelopen dagen? Met het dorpsbestuur. 109. Wat hebt u met het dorpsbestuur besproken? Over de wijziging van de geboortedatum. 110. Wat zei het dorpsbestuur daarover? Zij houden ook vast aan de eerste datum. 111. Waarom houden zij daaraan vast? Omdat bij de tweede registratie is het heel goed mogelijk dat [eisende partij 9] vanwege haar leeftijd, omdat zij het al vergeten is, een andere datum heeft opgegeven. 112. Is [eisende partij 9] vergeetachtig? Ja. 113. Is dat allang zo? Dat is allang. (…) 115. Mijn vraag was, hoe weet u dat [eisende partij 9] vergeetachtig is? Als we om gegevens vragen, zij is al overleden. Als wij aanvankelijk gegevens opvroegen dan zei ze in het begin iets anders dan een volgende keer. ( ... ) 161. Productie 56, de verklaring van 25 juni 2014. (…) Er staat in dat het registratienummer [registratienummer] enzovoorts dat dat een fout nummer is en dat het een vals nummer zou zijn. Waar heeft u dat op gebaseerd, die verklaring? Op welke informatie is dat gebaseerd, die stelling? Op basis van de eerste verklaring. 162. Er zijn ook verklaringen waarin dit nummer staat en waarin u dat heeft overgenomen en waarvan u zei dat dit op een officieel document is gebaseerd. Ik begrijp niet helemaal waarom u nu zegt dat het vals is. Kunt u dat uitleggen? Omdat er verschillende nummers waren in de vorige verklaringen is deze verklaring opgesteld op basis van het juiste document. 163. U heeft dus de verklaring uit juni 2014, waarin staat dat het eerdere nummer dus fout zou zijn, toen heeft u net gezegd dat heb ik opgeschreven op basis van de juiste gegevens. Hoe heeft u nou vastgesteld wat de juiste gegevens zijn? Op basis van de door de burgerlijke stand uitgegeven gegevens. 164. De burgerlijke stand heeft toch ook de gegevens uitgegeven waarin de andere geboortedatum staat, die uit 1939? Dat is misschien een fout van degene die het heeft geregistreerd, die de gegevens heeft opgenomen. De juiste datum is [geboortedatum 1] 1930." 2.134. De getuigenverklaring van [onderzoeker] verduidelijkt hoe de verschillende schriftelijke verklaringen tot stand zijn gekomen. Deze getuigenverklaring geeft echter nog altijd geen afdoende verklaring voor de discrepanties in de verschillende schriftelijke verklaringen. Deze getuigenverklaring bevat verder onvoldoende concrete aanknopingspunten om de bij [onderzoeker] bestaande overtuiging over de juiste geboortedatum in rechte over te nemen. Dat klemt temeer nu [eisende partij 9] zelf kennelijk een belangrijke bron van informatie is en zij zelf wisselende geboortedata heeft genoemd. 2.135. Er is verder nog altijd geen geboorteakte overgelegd van de gestelde dochter van [eisende partij 9] en [A] , [de dochter] , die in februari 1947 één jaar oud zou zijn geweest. [onderzoeker] heeft ook over zijn schriftelijke verklaring van 30 september 2014, waarin staat vermeld dat [de dochter] , geboren op [geboortedatum 2] 1946, het kind zou zijn van [A] en [eisende partij 9] , het volgende verklaard: “137. En op welke informatie is deze verklaring gebaseerd? Op basis van verklaringen van [eisende partij 9] en van [de dochter] . 138. Bedoelt u daarmee dat u met hen allebei hebt gesproken hierover? Ja. 139. Bijvoorbeeld de geboortedatum en de geboorteplaats die vermeld staat in deze verklaring, waar is die op gebaseerd? De identiteitskaart, KTP-kaart, van [de dochter] . 140. Begrijp ik het goed dat zij die aan u heeft laten zien en dat u toen heeft overgeschreven wat daarin stond? Ja. (…) 142. Hebt u toen u deze verklaring opstelde nog navraag gedaan bij andere mensen? Ja. Bij de heer [getuige 2] als bekend figuur in de gemeenschap en bij buren. 143. Weet u, welke namen hebben die buren? Afgezien van [getuige 2] , het spijt me dat weet ik niet want het is ver van mijn huis.” 2.136. Met juistheid merkt de Staat op dat hiermee geen verklaring is gegeven voor de discrepanties met betrekking tot de familiekaart en het persoonsnummer op het identiteitsbewijs van [de dochter] . De nog altijd bestaande onduidelijkheid over de geboortedatum van [de dochter] , versterkt de onduidelijkheid over de identiteit [eisende partij 9] en haar huwelijksband met [A] , die ook overigens niet voldoende is opgehelderd. 2.137. Nu de identiteit van [eisende partij 9] en haar huwelijksband met [A] niet zijn komen vast te staan, moeten haar vorderingen worden afgewezen. Het geschil over de vraag of de gestelde omstandigheden van overlijden van [A] vaststaan kan onbesproken blijven. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het, mede gezien de inconsistenties in de verklaring van de getuige [getuige 11] waarop de Staat wijst, de vraag is of beoordeling van het door [eisende partij 9] bijgebracht bewijs daarover zal uitmonden in de conclusie dat [eisende partij 9] in het bewijs geslaagd is. [eisende partij 10] 2.138. stelt dat haar echtgenoot [B] in februari 1947 samen met zes andere mannen in Bontobaja bij Palampang is geëxecuteerd door Nederlandse militairen. 2.139. [getuige 11] is daarover gehoord als getuige: “23. Was [B] daarbij? Ja. [naam 1] . 24. Ik wil weten [B] . Met een 'd'. Was [B] , met een 'd', erbij? Wat ik weet is [naam 1] en niet [B] . 25. Ik wil weten of de echtgenoot van [eisende partij 10] erbij was. Nee, dat is een ander verhaal. 26. Kunt u dat verhaal vertellen? Nee, dat weet ik niet en dat kan ik ook niet vertellen. 27. Dus als ik het goed begrijp weet u niet, dan hebben we het over de echtgenoot van mevrouw [eisende partij 10] , meneer [B] , als ik het goed begrijp zegt u ik weet niet hoe hij is overleden. Ik kan dat niet vertellen. Nee, ik weet het niet. En ik kan het ook niet vertellen. 28. Dus als ik het goed begrijp weet u niet en dan hebben we het over de echtgenoot van mevrouw [eisende partij 10] , meneer [B] , en als ik het goed begrijp, u zegt nu ik weet niet hoe hij is overleden. Ik kan dat niet vertellen. Nee, ik weet het

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.