RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 19/7510 V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] , eiser, [naam 2] , eiseres, gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. A. Darrazi), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 september 2019 (het bestreden besluit) over de weigering van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder was ter zitting aanwezig [naam 3] , referent. Overwegingen 1. Eisers bezitten de Iraanse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] . Zij hebben ieder afzonderlijk op 28 maart 2019 een aanvraag tot afgifte van een visum kort verblijf ingediend met als doel familiebezoek bij referent in Nederland. Referent is de achterneef en beste vriend van eiser. Eiseres is het achternichtje van de vrouw van referent. Op 9 april 2019 heeft verweerder deze aanvragen bij afzonderlijk besluiten afgewezen (de primaire besluiten). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard. 2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef, onder a)ii en b, van de Visumcode. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Daarnaast hebben eisers volgens verweerder onvoldoende sociale en economische binding met hun land van herkomst, waardoor een tijdige terugkeer niet is gewaarborgd. Van horen is afgezien op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eisers kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en voeren aan dat het doel en de omstandigheden van het verblijf wel degelijk zijn aangetoond. Het is onmogelijk om de familierelatie met referent met bewijsstukken uit Iran aan te tonen, omdat referent geen eerstegraads familielid is. Ook hebben zij in hun visumaanvragen aangegeven dat hun doel toerisme is. Er is een reisplan overgelegd en eisers verblijven bij referent in Tilburg. Verder voeren eisers aan dat zij wel degelijk hebben aangetoond dat er voldoende economische binding is met Iran. Zij hebben inkomsten uit hun eigen ondernemingen en bezitten onroerend goed in Iran. Hiervan zijn stukken overgelegd. Daarnaast is er voldoende sociale binding met Iran, omdat hun minderjarige zoon niet meereist naar Nederland. Tot slot stellen eisers dat er ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode is, voor zover van belang, bepaald dat een visum kort verblijf wordt geweigerd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.