Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/1424 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2020 op het verzoek om proceskostenveroordeling in de zaak tussen [verzoeker] h.o.d.n. [h.o.d.n.] , te [vestigingsplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. A. Kara), en het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder (gemachtigde: S. de Winter). Procesverloop Bij schrijven van 19 februari 2020 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van 29 januari 2020, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit van 27 juni 2019, waarbij verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd, ongegrond is verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 18 februari 2020 beroep ingesteld (zaaknr. SGR 20/1405). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft bij besluit van 24 februari 2020 de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak in beroep. Naar aanleiding van dit schrijven heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening bij brief van 26 februari 2020 ingetrokken. Tevens heeft verzoeker hierbij verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen. Overwegingen 1.1 Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoet gekomen en indien daarom bij intrekking is verzocht, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs dienden te worden gemaakt. 1.2 Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. 1.3 Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.