RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7390 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] eiser V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. P.J. Schüller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. B. Berk). Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft partijen op 31 maart 2020 in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus gevraagd om de beroepsgronden en het verweer zoveel mogelijk schriftelijk in te dienen. Daarnaast heeft de rechtbank partijen gevraagd te laten weten of zij de zaak schriftelijk of via een telefonische verbinding willen laten behandelen. Eiser heeft op 2 april 2020 de beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 3 april 2020 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft de gemachtigden op 6 april 2020 telefonisch gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten. Overwegingen
(3)de mogelijkheid om een asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, de openbare orde of op grond van de nationale veiligheid. Verweerder heeft weliswaar binnen de grensprocedure 28 dagen om te beslissen op een asielaanvraag, maar die ruimte wordt aan verweerder verleend met een doel, te weten het verrichten van onderzoek ten behoeve van een asielverzoek in detentie. De verlenging is in strijd met het verbod van willekeur omdat niet in alle grensprocedures de RVT wordt verlengd. Sommige asielaanvragen worden direct naar de verlengde asielprocedure gestuurd, voor andere aanvragen geldt de normale RVT. Dit is in strijd met artikel 5 EVRM. Eiser wijst er voorts op dat er geen medische noodzaak bestaat voor een verlenging van de RVT als een soort quarantaineperiode. Niet gebleken is dat deze quarantaineperiode is voorgeschreven door het RIVM en dat de vreemdelingen die op Schiphol asiel aanvragen meteen getest worden op het coronavirus. Een quarantaineperiode zou dan ook niet zinvol zijn. 6.1 Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de asielaanvragen in de grensprocedure onverminderd doorgang vinden maar dat er in deze zaken als tijdelijke maatregel een langere RVT van zeventien dagen wordt aangehouden. Artikel 3.109, eerste lid, van het Vb, houdt de mogelijkheid open om een langere RVT aan te houden dan de in die bepaling genoemde termijn van zes dagen. Van een quarantaineperiode is geen sprake. De langere RTV is ook geen beletsel met betrekking tot het contact tussen de rechtshulpverleners en de vreemdeling. Dit neemt echter niet weg dat het aanhouden van een langere RTV met zich brengt dat een beter beeld bestaat van de gezondheidssituatie van de vreemdeling op het moment dat het onderzoek naar de asielaanvraag aanvangt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder in een geval als het onderhavige alleen gebonden is aan de in artikel 3, zevende lid, van de Vw genoemde termijn van maximaal 28 dagen. Het staat verweerder vrij om in iedere procedure te bezien of er een langere RVT wordt toegepast, of de asielaanvraag af te doen in de verlengde asielprocedure. Dit is een afweging die verweerder op individuele basis maakt. Verweerder baseert deze afweging op de vraag of het aannemelijk is dat hij de asielaanvraag binnen de wettelijke termijn kan afdoen, zoals paragraaf C1/2.5 van de Vc voorschrijft. Bij brief van 26 maart 2020 heeft verweerder eiser een planning gestuurd, waaruit blijkt dat het eerste gehoor zal plaatsvinden op 8 april 2020, het nader gehoor op 10 april 2020 en dat de laatste dag van de AA-termijn 15 april 2020 is. De asielaanvraag wordt dus naar verwachting binnen de wettelijke termijn van 28 dagen afgedaan. Gelet op het voorgaande meent verweerder dat hij niet onvoldoende voortvarend werkt en de verlenging niet in strijd is met de door eiser genoemde beginselen. 6.2 De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:1451) volgt dat verweerder een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van een vreemdeling. Voorts stelt verweerder terecht dat hij in elke zaak een individuele afweging maakt, met andere woorden op zijn eigen merites beoordeelt. De omstandigheid dat in een zaak een termijnoverschrijding wordt verwacht door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden of capaciteitsgebrek, waarna de asielaanvraag naar de verlengde asielprocedure wordt verwezen, betekent niet dat dat in alle zaken ook het geval is. In dit geval is er, gelet op de planning voor de behandeling van de aanvraag van eiser (de brief van 26 maart 2020), geen reden om ervan uit te gaan dat de termijn van 28 dagen niet gehaald zal worden. De stelling dat eiser uit Syrië komt, een paspoort heeft en een kansrijk asielrelaas zou hebben, betekent nog niet dat de asielaanvraag niet binnen de grensprocedure kan worden afgerond, noch dat het evident is dat de asielaanvraag wordt ingewilligd. De beroepsgrond van eiser, voor zover die ziet op de 28 dagen termijn, slaagt daarom niet. Ten aanzien van de RVT overweegt de rechtbank dat artikel 3.109, eerste lid, van het Vb ook voor behandeling van asielaanvragen in de grensprocedure de mogelijkheid openlaat voor het aanhouden van een langere RVT dan de in die bepaling genoemde termijn van zes dagen. Dat zoals eiser op de telefonische hoorzitting heeft gesteld aanvankelijk door verweerder in deze zaak, al dan niet abusievelijk, is gesproken over een incubatietijd maakt dat niet anders. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 2 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3015, rechtsoverweging 3.
- De stelling van eiser dat slechts om drie redenen mag worden afgeweken van de RVT, slaagt niet omdat dit naar het oordeel van de rechtbank niet volgt uit artikel 3.109 van het Vb. Daarbij merkt de rechtbank op dat de voorwaarden die zijn genoemd in paragraaf C1/2.5 van de Vc waar eiser op doelt, van toepassing zijn voor de verlenging van de termijnen in de AA-procedure, hetgeen hier niet aan de orde is. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
- Eiser voert verder aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat er geen enkel zicht op uitzetting naar Syrië is omdat verweerder naar dat land geen uitzettingen verricht. Verder stelt eiser dat uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er wordt vanwege het coronavirus niet meer op dat land gevlogen. Naar analogie van de Dublinclaimanten die zich in vreemdelingenbewaring bevinden, dient ook in eisers geval de bewaring zo kort mogelijk te duren en de vrijheidsontnemende maatregel te worden opgeheven. Eiser heeft hierbij onder meer verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 26 maart 2020 (NL20.5463) en zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2020 (NL20.7204). 7.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich tijdens de telefonische hoorzitting, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2001), terecht op het standpunt gesteld dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een inbewaringstelling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De bewaring op deze grondslag is immers niet opgelegd met het oog op uitzetting, maar om eiser te beletten het land op onrechtmatige wijze binnen te komen tijdens de behandeling van de asielaanvraag. De beroepsgrond dat zicht op uitzetting ontbreekt, slaagt reeds daarom niet. Hetgeen eiser daar verder over heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer.
- Eiser voert tot slot aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel nu verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar zijn zus die in Nederland woonachtig is en een asielstatus heeft. Bovendien kan er in detentie geen 1,5 meter afstand van elkaar worden gehouden. 8.1 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat en waarom in het geval van eiser niet had moeten worden volstaan met de oplegging van een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling. Eiser heeft deze motivering niet betwist. De rechtbank is tevens met verweerder van oordeel dat het feit dat eisers zus hier in Nederland woont, niet betekent dat verweerder dient te volstaan met een lichter middel. Zoals hiervoor is overwogen, kan verweerder in de grensprocedure onderzoek verrichten naar zijn asielverzoek, waaronder bijvoorbeeld of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, een veilig derde land, een mogelijke Dublinclaim of 1(F) indicaties. Voor zover eiser stelt dat de detentieomstandigheden vanwege het coronavirus in strijd zijn met de artikelen 3 en 5 van het EVRM en artikel 6 van het Handvest, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in haar uitspraak van 12 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY1542) heeft geoordeeld dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. De rechtbank is, gelet op deze uitspraak, niet bevoegd zich uit te laten over het in het DTC geldende regime. Voor zover daartoe aanleiding bestaat, kan eiser daarover klagen bij de daartoe geëigende instantie. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in detentie een groter risico loopt op schade aan zijn gezondheid als gevolg van de uitbraak van het coronavirus dan in de vrije maatschappij. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 3 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:
- De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
- De rechtbank concludeert gezien het voorgaande dat de vrijheidsontnemende maatregel over de periode van 21 maart 2020 tot 6 april 2020 rechtmatig is geweest. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eiser over die periode een schadevergoeding toe te kennen.
- De rechtbank ziet gezien hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.4 op grond van artikel 106 van de Vw aanleiding om aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige bewaring van 5 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 400,-.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de telefonische hoorzitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 10 april 2020; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 400,- uit te betalen. Gedaan op 10 april 2020, door mr. W.B. Klaus, rechter. Deze uitspraak is gedaan op: Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus wordt deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.