Bestuursrecht zaaknummers: SGR 19/1811 en SGR 19/1812 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2020 in de zaken tussen Bewonersvereniging Vroondaal Hofstedepark (de bewonersvereniging), te Den Haag, eiseres (gemachtigde: [voorzitter] , voorzitter), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. E.G.M. Otte). Als derde-partij heeft aan het geding in de zaak met nummer SGR 19/1811 deelgenomen: HMU & Olsthoorn Bouw & Ontwikkeling B.V. (HMU), te De Lier, (gemachtigde: [C] ). Als derde-partij hebben aan het geding in de zaak met nummer SGR 19/1812 deelgenomen: [derde partij 1] ( [derde partij 1] ), te [woonplaats] , gemachtigde: [A] , en [derde partij 2] , te [vestigingsplaats] , gemachtigde [B] . Procesverloop In beide zaken Bij besluit van 9 november 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder in de zaak met nummer SGR 19/1811 op aanvraag van HMU & Olsthoorn Bouw & Ontwikkeling B.V. (HMU) een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de bouw van 4 vrijstaande woningen aan de [adres 1] ongenummerd ( [kavelsnummers] ) en het maken van in- en uitritten. Bij besluit van 30 oktober 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder in de zaak met nummer SGR 19/1812 op aanvraag van [derde partij 2] namens [derde partij 1] een omgevingsvergunning op grond van de Wabo verleend voor de bouw van een vrijstaande woning aan de [adres 2] ongenummerd ( [kavelsnummers] ) en het maken van een in- en uitrit. Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 30 januari 2019 (de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld en deze nadien aangevuld. HMU heeft in de zaak met nummer SGR 19/1812 een overzicht van geleden schade ingediend. [derde partij 2] heeft in de in de zaak met nummer SGR 19/1811 een brief ingezonden, inhoudende een aansprakelijkstelling van de gemachtigde van eiseres voor door [derde partij 2] geleden schade. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 1 april 2020. In verband met de maatregelen rondom het coronavirus is die zitting niet doorgegaan. Bij toestemmingsformulier van 30 maart 2020 heeft eiseres desgevraagd toestemming gegeven om de zaken schriftelijk af te doen. HMU heeft op 7 april 2020 eveneens toestemming gegeven voor schriftelijke afdoening. Namens [derde partij 1] heeft [A] de rechtbank op 24 maart 2020 toestemming gegeven. Verweerder heeft bij email van 25 maart 2020 eveneens toestemming verleend voor een schriftelijke afdoening van de beroepszaken. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten en de uitspraak bepaald op heden. Overwegingen In beide zaken 1. De kavels waarop de in geding zijnde bouwplannen zijn geprojecteerd, maken deel uit van de woonwijk [woonwijk] , deelgebied [woonwijk] Noord I. De woonwijk [woonwijk] wordt ontwikkeld in een publiek-private samenwerking (pps) tussen de gemeente Den Haag en een aantal private partners in de [B.V./C.V.] . 2. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunningen verleend. Eiseres heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. De adviescommissie bezwaarschriften heeft verweerder geadviseerd de bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunningen ongegrond te verklaren en de primaire besluiten te handhaven. In navolging van dit advies heeft verweerder bij de bestreden besluiten de omgevingsvergunningen gehandhaafd. Volgens verweerder doen zich geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo vermelde weigeringsgronden voor. 3. Het ontwerp voor [woonwijk] is neergelegd in de uitgave "Handvatten voor uw architect" (de Handvatten). Bij de stukken bevindt zich de uitgave van september 2016, versie 4 van de Handvatten. Onderdeel van het ontwerp is het beeldkwaliteitsplan voor de kavels in de vier woonsferen van [woonwijk] . 4. Voor de hier in geding zijnde bouwplannen heeft de Commissie Esthetiek [woonwijk] (de CE) zich met de bouwplannen akkoord verklaard. Ook de welstands- en monumentencommissie van verweerders gemeente (de welstandscommissie) heeft de bouwplannen akkoord bevonden. 5. Eiseres voert - samengevat - het volgende aan. Verweerder heeft het mandaat van de welstandscommissie op wijkniveau bij de CE gelegd. De toetsingscriteria zijn vastgelegd in de Handvatten. In de Handvatten wordt er op gewezen dat deze als beeldkwaliteitsplan moeten worden gelezen. De afspraak met de gemeente is dat de welstandscommissie het advies van de CE geheel overneemt. De CE moet alle bouwplannen voorafgaande aan de aanvraag voor de omgevingsvergunning toetsen aan de Handvatten. Pas na goedkeuring door de CE mag voor een bouwplan de omgevingsvergunning worden aangevraagd. De CE heeft de in geding zijnde bouwplannen ten onrechte goedgekeurd. Daarom mochten de plannen ook niet door de welstandscommissie worden goedgekeurd en mocht dus ook geen omgevingsvergunning worden verleend. Betreffende de bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke kwesties merkt eiseres op dat in de GEM [woonwijk] de gemeente als vennoot een doorslaggevende stem heeft. Een gemeenteambtenaar is aangesteld als algemeen directeur. De sturing loopt o.a. via koopovereenkomsten, akten van levering (erfpacht, eigen grond) én de Handvatten. Naar de mening van eiseres is hier sprake van een verstrengeling van belangen. Verweerder mag de omgevingsvergunning alleen verlenen voor bouwplannen die voldoen aan de regels van de Handvatten. Voor de onderhavige bouwplannen betekent dit dat een omgevingsvergunning geweigerd moet worden op grond van het niet voldoen aan de regels van de Handvatten. Dit betreft de afstandsregels en bouwhoogten die gelden voor dit deelgebied, zijnde de woonsfeer ‘De Spiegel’ en ‘De Hoogte’, met als gevolg een te hoge bebouwingsdichtheid. In haar aanvullende beroepsgronden heeft eiseres verzocht de voorzitter van de CE als getuige te horen. 6. Verweerder stelt de omgevingsvergunningen terecht verleend te hebben. In artikel 2.10 lid 1 van de Wabo is uitputtend en dwingend voorgeschreven wanneer een aanvraag om omgevingsvergunning geweigerd moet worden. In dit geval is sprake van een gebonden beschikking. Door eiseres wordt aangevoerd dat dc CE ten onrechte de bouwplannen heeft goedgekeurd, waardoor deze ook niet door de welstandscommissie mochten worden goedgekeurd. Verweerder heeft zich echter te houden aan het wettelijk (bestuursrechtelijk) kader bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Hierbij zijn de redelijke eisen van welstand, zoals neergelegd in de Welstandsnota Den Haag (de Welstandsnota), onderdeel van het wettelijke toetsingskader. Gelet hierop heeft verweerder zijn besluiten geenszins ten onrechte gebaseerd op de positieve welstandsadviezen. Verweerder heeft verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 8 maart 2010 en deze bijgevoegd bij zijn verweerschrift. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de werkzaamheden van de CE civielrechtelijk van aard zijn. Zij spelen geen rol in het kader van de bestuursrechtelijke beoordeling. Dat alleen bouwplannen waarin de CE positief heeft geadviseerd worden voorgelegd aan de welstandscommissie, maakt dit niet anders. De welstandscommissie heeft immers een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid bij advisering omtrent bouwplannen. 7. In de zaak met nummer SGR 19/1811 heeft derde-partij HMU een overzicht van de geleden schade overgelegd. HMU stelt dat de omgevingsvergunning op 31 december 2018 onherroepelijk zou zijn geweest mits er door (thans) eiseres geen bezwaarschrift was ingediend op 29 december 2018. Op 30 januari 2019 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. De beroepsperiode liep tot 13 maart 2019. Derhalve is op 14 maart 2019 door [B] (architect) telefonisch contact gezocht met de rechtbank. Er is toen door de rechtbank telefonisch bevestigd dat er geen beroep was aangetekend. Op 10 april 2019 ontving HMU een schrijven van de rechtbank dat er op 13 maart 2019 beroep was aangetekend tegen de ongegrondverklaring. Met Verkrijgers sloot HMU een aannemingsovereenkomst. De aannemingsovereenkomst heeft een opschortingstermijn van 9 maanden. Binnen deze 9 maanden dient de planacceptatie te zijn afgegeven, de omgevingsvergunning onherroepelijk te zijn en de grond bouwrijp. In eerste instantie is dit gehaald. Echter door het te laat gemelde beroep is in de tussentijd de 9 maanden verlopen. Deze termijn had verlengd kunnen worden mits het tijdig bekend was dat er beroep was aangetekend tegen de ongegrondverklaring. Hiermee is de opschortingstermijn verlopen en hebben de Verkrijgers gezien de onzekere situatie gemeend de overeenkomst niet tot stand te laten komen c.q. te verlengen. Door de ontbinding van de twee aannemingsovereenkomsten is inmiddels de schade opgelopen tot € 82.162,66. HMU verzoekt om deze schade in te brengen ter vergoeding door het bestuursorgaan. 8. In de zaak met nummer SGR 19/1811 heeft de aanvrager van de omgevingsvergunning, [derde partij 2] , een brief ingezonden, waaruit blijkt dat [derde partij 2] de gemachtigde van eiseres persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor geleden schade, welke wordt begroot op € 80.000,-- vermeerderd met de betaalde leges ad € 43.845,26. De betreffende bedragen zullen na de uitspraak van de rechtbank bij eiseres worden gedeclareerd, aldus [derde partij 2] . 9. Artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en f, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…) c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt, samengevat weergegeven, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan/de activiteit in strijd is met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.