RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/6493 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.R. Backer), en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Pernis-van der Wal). Procesverloop Bij besluit van 18 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard. Bij besluit van 5 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen Verweerder heeft eiser een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Eiser is drie keer opgeroepen voor de cursus maar niet verschenen. De eerste twee keer heeft verweerder de reden voor verhindering geaccepteerd. Toen eiser op 29 april 2019 geen gehoor gaf aan de derde oproep heeft verweerder de door eiser genoemde reden voor verzuim niet geaccepteerd en het rijbewijs ongeldig verklaard bij het primaire besluit. In geschil is of eiser zonder geldige reden niet op de cursus is verschenen.Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser overgelegde verklaringen dat hij op 29 maart 2019 niet aanwezig kon zijn, niet aantonen dat eiser wegens medische redenen niet in staat was om de cursus te volgen. Een geldige reden voor verhindering ontbrak dus. Eiser heeft betoogd dat uit de medische informatie blijkt dat hij in de periode waarin hij voor de cursus werd opgeroepen aan tuberculose leed en zware medicijnen slikte. Dit zorgde ervoor dat eiser niet kon autorijden. Eisers huisarts heeft ingestemd met de informatieverstrekking, wat inhoudt dat die eisers standpunt onderschrijft. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de brief van 11 juli 2019, die is voorzien van een handtekening en stempel van de huisarts heeft betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Eiser wordt onevenredig in zijn belangen geschaad, omdat hij de kosten voor de cursus heeft voldaan. Op grond van artikel 132, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) besluit verweerder onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de houder ervan niet de vereiste medewerking verleent aan een hem opgelegde educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.Op grond van artikel 132, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden het tijdstip en de plaats waar betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen dient te ondergaan, door het CBR vastgesteld. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, opnieuw tijd en plaats worden vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering. Gelet op artikel 132, van de Wvw 1994, in samenhang bezien met artikel 132 van het Reglement rijbewijzen, ligt het op de weg van verzoeker om, indien hij niet op de afgesproken tijd en plaats aanwezig is, aannemelijk te maken dat hij een geldige reden had om niet te verschijnen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.