Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Uitleveringskamer Kenmerk UTL-I-2020 007 510Raadkamernummer: 20/1022 De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van Moldavië tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam, verder te noemen: de opgeëiste persoon. 1Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken 1.1 Het verzoek tot uitlevering Bij brief van 20 maart 2020 heeft Moldavië aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 13 maart 2020, met een vertaling in de Nederlandse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek). Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in Moldavië verdacht van ‘het opzettelijk doden van een persoon, gepleegd door twee personen’, dat strafbaar is gesteld in artikel 145, tweede paragraaf, letter i, Wetboek van Strafrecht van de Republiek Moldavië. Bij brief van 20 maart 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) verzocht het door Moldavië gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen. 1.2 De door de verzoekende staat overgelegde stukken Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen: een door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, te weten het aanhoudingsbevel d.d. 28 februari 2019. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd; de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften; stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit; informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn. 1.3 De overige stukken In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen: een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 februari 2020, betreffende de opgeëiste persoon; stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon; de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 31 maart 2020, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon; de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 13 mei 2020, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek. 2Het onderzoek ter zitting 2.1 De behandeling Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 13 mei 2020. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken. De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. I. Aardoom-Fuchs heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij zowel de Moldavische als de Roemeense nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet. Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. B. de Jonge. 2.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon Allereerst heeft de raadsvrouw bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vordering. Artikel 23 van de Uitleveringswet stelt immers dat de officier van justitie uiterlijk de derde dag na ontvangst van het uitleveringsverzoek een vordering tot behandeling van dit uitleveringsverzoek bij de rechtbank moet indienen. Nu het uitleveringsverzoek is binnengekomen op 20 maart 2020 en de officier van justitie deze vordering pas op 31 maart 2020 bij de rechtbank heeft ingediend, is de termijn van drie dagen overschreden en is daarmee de procedure geschonden, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft daarnaast betoogd dat het verzoek om uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard op de grond dat aan één van de drie voorwaarden voor uitlevering niet is voldaan. Moldavië beschikt namelijk niet over een stabiel rechtssysteem. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2017:7900, waar onder rechtsoverweging 4.12 nadrukkelijk is gesteld dat door uitlevering naar Moldavië mensenrechten worden geschonden en dat er terechte vragen worden gesteld omtrent schending van artikel 3 EVRM. Tenslotte heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden, opdat de opgeëiste persoon de gelegenheid krijgt om binnen een gestelde termijn een video en andere documenten aan de rechtbank te overleggen die zijn onschuld kunnen onderbouwen. Daarbij heeft de raadsvrouw zich beroepen op artikel 26 lid 3 van de Uitleveringswet. Ingevolge dit artikel moet de rechtbank de bewering van de opgeëiste persoon, die vanaf het begin af aan heeft verklaard onschuldig te zijn, onderzoeken. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek omdat, gelet op het feit dat de opgeëiste persoon tevens de Roemeense nationaliteit heeft en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Petruhhin, eerst duidelijk moet worden of Roemenië ook om overlevering heeft verzocht of wil verzoeken. 2.3 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid verzocht om enkel met een constatering van dit verzuim te volstaan nu de wet aan overschrijding van voornoemde termijn geen gevolgen verbindt. Daarnaast heeft de officier van justitie zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van het verzoek tot uitlevering. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat een opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld, dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek, moet aantonen. Aanhouding verdraagt zich daar niet mee. Het informeren van Roemenië komt pas aan de orde als de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard. Voorts heeft hij geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard nu de stukken genoegzaam zijn en niet is gebleken van omstandigheden die aan uitlevering in de weg staan. 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Namens de opgeëiste persoon is betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de officier van justitie de wettelijke termijn die is gesteld voor het indienen van de vordering heeft overschreden. De rechtbank overweegt hierop als volgt. Ingevolge artikel 23, eerste lid, Uitleveringswet (hierna: UW) dient uiterlijk op de derde dag na die waarop het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, de officier van justitie schriftelijk te vorderen, dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. In het onderhavige geval is weliswaar die termijn overschreden, maar de wet verbindt aan die overschrijding geen consequenties (zie het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1991, NJ 1992, 344) zodat de rechtbank met de constatering van het verzuim zal volstaan. De rechtbank verwerpt het verweer en het openbaar ministerie is ontvankelijk. 4Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering 4.1 Inleiding De UW kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren. De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter. 4.2 Toepasselijke wetten en verdragen Op het verzoek is naast de UW van toepassing het Europees Verdrag betreffende de uitlevering (hierna ook: EUV), het eerste en tweede aanvullend protocol aan het Europese uitleveringsverdrag en het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. 4.3 Genoegzaamheid van de stukken Het verzoek is schriftelijk gedaan en is via het Ministerie van Justitie en Veiligheid toegezonden aan de minister. Het verzoek is conform artikel 18 van UW en artikel 12 van het EUV vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ‘het opzettelijk doden van een persoon, gepleegd door twee personen’. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking. De stukken zijn derhalve genoegzaam. 4.4 Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van ‘het opzettelijk doden van een persoon, gepleegd door twee personen’. Naar Nederlands recht is dit feit - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder artikel 287 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr), en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. 4.5 Ne bis in idem en verjaring Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 februari 2020 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Moldavisch of Nederlands recht sprake van verjaring. 4.6 Vervolging wegens een politiek delict Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen. 4.7 Kennelijke onschuld Van uitlevering dient te worden afgezien indien de opgeëiste persoon onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Van kennelijke onschuld kan enkel sprake zijn indien uit het verweer van de opgeëiste persoon - en de eventuele onderbouwing met stukken - volgt dat de opgeëiste persoon de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd materieel niet kan hebben gepleegd. De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onschuldig is aan hetgeen hem wordt verweten. Dit standpunt is echter op geen enkele wijze onderbouwd. De opgeëiste persoon heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onverwijld zijn onschuld aangetoond. 4.8 ( Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en / of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.