RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/9932 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 mei 2020 in de zaak tussen [verzoekster] , V-nummer [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. K. Ross), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 22 mei 2020 het onderzoek gesloten. Overwegingen
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder zitting.
- Bij brief van 7 mei 2020 heeft verweerder meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening. Redengevend daarvoor is dat verweerder verzoekster zal horen in bezwaar.
- Nu daarmee tussen partijen niet langer in geschil is dat moet worden afgezien van uitzetting van verzoekster totdat op het bezwaar is beslist, bestaat aanleiding om het verzoek toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
- Vanwege toewijzing van het verzoek bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;- verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-;- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier, op 25 mei
- Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.