← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:4661

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8101 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] verzoekster, mede namens haar minderjarige kind [minderjarige] geboren 15 oktober 2019, V-nummers: [V nummer] en [V nummer] (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaak NL20.8100). Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  2. Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië, zolang geen uitspraak is gedaan op het beroep tegen het bestreden besluit.
  3. Verzoekster stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag]
  4. Zij heeft twee kinderen van 19 en van 18 jaar die beiden bij haar moeder in Afrika wonen. Op 15 oktober 2019 is in Nederland haar kind Osadebamwen Adudu Aibangbee geboren.
  5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster en haar baby moeten worden aangemerkt als ‘bijzonder kwetsbare’ asielzoekers, als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tarakhel. Het EHRM een aantal interim measures (voorlopige maatregelen) getroffen: - M.T. tegen Nederland van 6 september 2019 (46595/19); - F.O. tegen Nederland van 16 september 2019 (48125/19); - V.A. tegen Nederland van 16 september 2019 (48062/19); - A.S. tegen Nederland van 17 september 2019 (48397/19); - S.O. tegen Nederland van 24 september 2019 (49569/19); - P.T. tegen Nederland van 1 oktober 2019 (350389/19); - A.T. tegen Nederland van 14 oktober 2019 (52741/19); - C. en E. tegen Nederland van 19 december 2019 (6359/19).
  6. Uit de door het EHRM gestelde vragen in deze zaken kan worden afgeleid dat aan de orde is of bijzonder kwetsbare vreemdelingen zonder individuele garanties aan Italië kunnen worden overgedragen op grond van de Dublinverordening. Inmiddels zijn in twee van bovengenoemde zaken (F.O. tegen Nederland en V.A. tegen Nederland) de getroffen interim measures opgeheven. In vijf andere zaken zijn echter de interim measures verlengd. Daarbij gaat het om gezinnen, alleenstaande ouders met kinderen en een zwangere vrouw.
  7. Dit betekent dat niet kan worden uitgesloten dat verweerder individuele garanties voor verzoeksters aan Italië moet vragen met betrekking tot opvang- en andere voorzieningen, alvorens tot overdracht kan worden overgegaan. Daartoe dient er duidelijkheid te zijn over het vervolg van de zaken waarin het EHRM interim measures heeft verlengd. Een arrest van het EHRM op dit punt dient te worden afgewacht. Bij deze stand van zaken weegt het belang van verzoekster om haar beroep in Nederland af te wachten zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekster en haar baby aan Italië te kunnen overdragen.
  8. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster en haar baby niet mogen worden overgedragen aan Italië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Dit betekent ook dat aan verzoekster en haar minderjarige kind gedurende deze periode opvang en andere verstrekkingen moet worden geboden.
  9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster en haar minderjarige kind niet mogen worden overgedragen aan Italië totdat is beslist op het beroep; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525 (vijfhonderdenvijfentwintig euro). Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 7 mei 2020 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Het arrest Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.