← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2020:4706

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/1073 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2020 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Iraanse nationaliteit, eiser V-nummer: [#] (gemachtigde: R. Delfani), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 11 februari 2020 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 14 januari 2020 gericht tegen de afwijzing visumaanvraag. Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb € 178,-. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
  3. De griffier heeft bij brief van 15 februari 2020 eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiser heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 15 maart 2020 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Nader ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL is gebleken dat deze brief op 18 maart 2020 is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Eiser heeft niet gereageerd.
  4. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
  5. Verder merkt de rechtbank op dat eiser, gelet op de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, en op het bepaalde in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb ook in verzuim is geweest binnen de gestelde termijn de gronden van beroep in te dienen. Bij verzonden brief van 23 maart 2020 is eiser op dit verzuim gewezen en is hij verzocht om dit uiterlijk binnen twee weken na datum van verzending te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien eiser niet aan dit verzoek voldoet, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Eiser heeft het verzuim niet binnen de gestelde termijn hersteld.
  6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 20 mei
  8. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.